Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 september 2013
Op 6 maart 2013 heb ik u tijdens een algemeen overleg over het mestbeleid (Kamerstuk
33 322, nr. 11) toegezegd met IPO en VNG in overleg te treden over de mogelijkheden voor een convenant
met deze partijen over de versnelling van de vergunningverlening voor mestverwerking.
In deze brief informeer ik u, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken,
over de stand van zaken van deze toezegging.
Proces tot op heden
In juni 2013 heeft de regering het onderwerp aangekaart in het bestuurlijk koepeloverleg
met IPO, VNG en Unie van Waterschappen, dat enkele malen per jaar plaatsvindt. De
VNG heeft daarin gevraagd om eerst ambtelijk overleg te voeren. Daarbij heeft de VNG
bovendien gemeld terughoudend te zijn om een toezegging te doen ten aanzien van het
sluiten van een convenant. Op 23 juli 2013 heeft het door de VNG gevraagde ambtelijke
overleg met vertegenwoordigers van provincies, gemeenten en waterschappen plaatsgevonden.
Op basis daarvan heb ik een voorstel voor bestuurlijke afspraken opgesteld.
In antwoorden op schriftelijke vragen over het wetsvoorstel verantwoorde mestafzet
(Kamerstuk 33 322, nr. 18) is op 5 september 2013 geantwoord dat een voorstel voor bestuurlijke afspraken zal
worden geagendeerd voor het volgende bestuurlijk koepeloverleg met IPO, VNG en Unie
van Waterschappen op 23 september en dat de regering daarna de Tweede Kamer schriftelijk
zal informeren.
Inmiddels is gebleken dat dit koepeloverleg niet doorgaat. Het voorstel zal daarom
in aparte overleggen worden besproken met IPO, VNG en Unie van Waterschappen en tevens
met LTO Nederland.
Oorzaken van lange duur vergunningverlening
Op basis van het eerder genoemde overleg op 23 juli 2013 en op basis van andere signalen
kan ik als belangrijke oorzaken van de lange periode tussen het ontstaan van een initiatief
voor een mestverwerkingsinstallatie en het verlenen van een omgevingsvergunning respectievelijk
Waterwetvergunning noemen:
-
1. Het beschikbaar komen van voldoende goede locaties voor grootschalige mestverwerking,
gelet op de effecten op de leefomgeving. Er wordt door provincies en gemeenten gezocht
naar geschikte locaties, maar er is regelmatig sprake van een voornemen van de aanvrager
om een mestverwerkingsinstallatie neer te zetten op een ongeschikte locatie (bijv.
woningen, natuur), waardoor het bevoegd gezag een aanvraag moet afwijzen.
-
2. De aanvrager heeft dikwijls onvoldoende kennis van zaken om een goede en volledige
vergunningaanvraag te kunnen indienen, zoals ten aanzien van emissies en emissiebeperkende
technieken, en wijzigt dikwijls de plannen na de aanvraag, hetgeen vertragend werkt.
-
3. Er is sprake van beperkte kennis over de effecten van mestverwerkingsinstallaties
op de volksgezondheid. Ook dit werkt vertragend.
-
4. Er is om uiteenlopende redenen sprake van verzet van omwonenden tegen mestverwerkingsinstallaties.
Dit leidt veelal tot langer vooroverleg, indiening van zienswijzen en het instellen
van beroep.
Tijdens het eerder genoemde overleg op 23 juli jl hebben vergunningverleners aangegeven
aan dat zij gebonden zijn aan te volgen procedures en vergunningen binnen de wettelijke
termijnen verlenen.
Inzet ten aanzien van een convenant
Mijn inzet blijft erop gericht om binnen een afzienbare termijn een convenant met
IPO, VNG en Unie van Waterschappen te sluiten. Voor partijen waarbij dit vanwege de
bestuurlijke besluitvorming op korte termijn niet mogelijk is, bestaat de mogelijkheid
later aan te sluiten.
Het doel van dit convenant is te komen tot het verkorten van de periode tussen het
ontstaan van een initiatief voor een mestverwerkingsinstallatie en het verlenen van
een omgevingsvergunning respectievelijk Waterwetvergunning, zonder dat dit ten koste
gaat van de kwaliteit van de leefomgeving. In het convenant wil ik afspraken vastleggen
die de eerder genoemde oorzaken waar mogelijk wegnemen.
Ik wijs er echter op dat het ruimtelijke beleid en het verlenen van een omgevingsvergunning
en Waterwetvergunning gedecentraliseerde bevoegdheden zijn. Voorts kunnen de VNG en
de Unie van Waterschappen, in tegenstelling tot het IPO, geen convenant met resultaatverplichtingen
voor haar leden afsluiten, maar slechts met inspanningsverplichtingen. Het is nog
niet duidelijk of IPO, VNG en Unie van Waterschappen bereid zijn om een convenant
af te sluiten.
Vanzelfsprekend zal ik u nader informeren als in het vervolgproces meldingswaardige
stappen genomen worden.
Tenslotte
Ik heb al diverse andere acties ondernomen ter versnelling van de vergunningverlening
voor mestverwerking. Ik verwijs u naar de brief die de Staatssecretaris van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie mede namens mij op 2 november 2012 aan de Tweede Kamer
heeft gezonden met een overzicht van acties ter versnelling van de vergunningverlening
voor mestverwerking (Kamerstuk 33 037, nr. 36).
Voorts is de zesde tranche van de Crisis- en herstelwet, waarin mestverwerking is
opgenomen, op 6 juli 2013 in werking is getreden.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld