33 297 Intrekking van de Wet overleg minderhedenbeleid in verband met de herijking van de overlegvorm over het integratiebeleid

A HERDRUK1 VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID2

Vastgesteld 16 april 2013

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij steunen de voorgestelde wijziging en achten het van belang dat, gelet op de geschetste toenemende diversiteit in de bevolkingssamenstelling, het toenemend aantal landen waaruit migranten afkomstig zijn en het toenemend aantal variabelen waarop migranten van elkaar verschillen, meer maatwerk en flexibiliteit in het overleg is geboden. Zij hebben hierover nog wel een vraag.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel voor de intrekking van de Wet overleg minderhedenbeleid in verband met de herijking van de overlegvorm. Zij hebben nog enkele vragen over de vorm van de flexibele dialoog. De leden van de fracties van het CDA, de SP en ChristenUnie sluiten zich bij deze vragen aan.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben kennisgenomen van het voorstel. Zij hebben enige vragen over de bestaande structuur van het landelijk overleg minderheden (LOM) en de voorgestelde nieuwe dialoog. De leden van de fractie van D66 sluiten zich bij deze vragen aan.

Aanleiding intrekking wettelijk overleg minderheden

De leden van de fracties van GroenLinks en D66 constateren dat het huidige kabinet de uitgangspunten van kabinet-Rutte I, die ten grondslag liggen aan het voorstel tot afschaffing van het wettelijk overleg minderheden, heeft overgenomen. Het wetsvoorstel is één van de uitvloeisels van de integratienota3 die het vorige kabinet heeft vastgesteld. Kan de regering aangeven wat haar positie is ten aanzien van deze nota? Welke uitgangspunten van de nota onderschrijft zij en welke concrete voorstellen zijn nog te verwachten ter uitwerking daarvan? Ten aanzien van welke uitgangspunten heeft zij een afwijkende mening en zijn er beleidswijzigingen te verwachten?

De regering onderbouwt het voorstel tot afschaffing van het overleg minderhedenbeleid met de afspraak van kabinet-Rutte I om geen specifiek beleid gericht op afzonderlijke groepen meer te voeren. De leden van genoemde fracties krijgen graag ook een inhoudelijke waardering van het minderhedenoverleg. Voor de leden van deze fractie is de inhoudelijke meerwaarde van het overleg belangrijker voor de beoordeling van het voortbestaan dan een principiële keuze. De LOM-samenwerkingsverbanden bekritiseren in hun reactie op de intrekkingswet de eenzijdige nadruk op het bestuurlijk overleg, waarmee aan de brede maatschappelijke verdiensten van de verbanden voorbij wordt gegaan. Vanuit het kabinet is er echter grote waardering voor de bijdrage die deze samenwerkingsverbanden hebben geleverd aan integratie in de afgelopen periode, zo staat in de memorie van toelichting. Kan de regering schetsen wat die bijdrage is, hoe het overleg functioneert en tot welke resultaten het heeft geleid?

Is de regering van mening dat elke vorm van specifiek beleid ongewenst is, zelfs als er specifieke problemen geconstateerd worden bij bepaalde etnische groepen? Is de regering niet bevreesd dat zij een pragmatische aanpak juist in de weg staat, door het afzweren van specifiek beleid tot principe te verheffen? Deze benadering druist bovendien in tegen de praktijk van groepsbenadering bij het bestrijden en voorkomen van problemen als eerwraak, gedwongen huwelijken en vrouwenbesnijdenis. Ook de regering noemt een aantal problemen die specifiek zijn voor bepaalde groepen, zoals discriminatie op de arbeidsmarkt, of uitbuitings- en overlastproblemen bij bepaalde groepen EU-werknemers. Deze worden genoemd ter onderbouwing van de noodzaak van een flexibel overleg. Daarmee erkent de regering echter in feite dat overleg met specifieke groepen op zichzelf effectief en ook nodig kan zijn. Bovendien weerhoudt een dergelijk overleg de regering er toch niet van om mensen aan te spreken op hun individuele verantwoordelijkheid als burgers? De leden van de fracties van GroenLinks en D66 krijgen graag een reactie op het bovenstaande.

De regering noemt tevens het verbeteren van de representativiteit als argument voor de afschaffing van het overleg. Hoe scoort het overleg momenteel op dit gebied? Is het juist dat de meest recente rapportage van de periodieke representativiteitstoets van de LOM-samenwerkingsverbanden (2011) een positief resultaat liet zien?4 Wilt u de Eerste Kamer deze rapportage toesturen?

Vormgeving dialoog

De leden van de VVD-fractie vragen de regering concreet aan te geven hoe zij de hier bedoelde flexibeler overlegstructuur denkt te gaan vormgeven. Op welke bestuursniveaus (Rijk, Provincie, Gemeenten) vinden de activiteiten plaats en hoe wordt gewaarborgd dat er sprake is van voldoende representativiteit in de afvaardigingen van migranten?

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van 5 maart 2013 aan de Tweede Kamer.5 In deze brief licht de regering toe waarom zij na afschaffing van het reguliere minderhedenoverleg toch aan voortzetting van de dialoog hecht en op welke wijze daaraan vorm zal worden gegeven. Inderdaad zijn er voor een nieuwe dialoog sterke argumenten aanwezig. De breedte van de onderwerpen die aan de orde zouden kunnen komen, maakt ook aannemelijk dat afhankelijk van het onderwerp en de probleemstelling andere relevante gesprekspartners in beeld komen. De regering noemt dit een flexibele dialoog. Ook flexibel overleg heeft echter een kader nodig. Het is ondoelmatig voor elk nieuw probleem eerst een inventarisatie te moeten maken van relevante gesprekpartners en daarvoor contacten te leggen. Omdat veel problemen een structureel karakter hebben en de aanpak daarvan lange tijd vergt, is het raadzaam en mogelijk om te profiteren van de deskundigheid en inzet van structureel bij de dialoog betrokken partners. In dat licht bezien vragen de leden van deze fractie – mede namens de leden van de fracties van CDA, SP en ChristenUnie – de regering uit te leggen hoe zij de flexibele dialoog wil organiseren. De voornemens daaromtrent maken een vage indruk. Hoe gaat men contacten onderhouden met sleutelfiguren uit migrantengemeenschappen? Is een reguliere ontmoeting daarvoor niet geschikter dan incidentele contacten? Hoe wordt een agenda bepaald voor het uitzetten van rondetafelgesprekken, expertmeetings en conferenties? Heeft een goed en intensief netwerk geen verankering nodig in meer structurele contacten?

Het komt de leden van deze fracties voor dat na een overgangssituatie waarin een kader voor een flexibele dialoog wordt ontwikkeld, de nieuwe overlegstructuur, hoe vloeiend ook, toch zou moeten voldoen aan bepaalde vereisten: representativiteit van groepen, transparantie voor alle betrokkenen en stabiliteit om van ervaring te kunnen profiteren. Deelt de regering de opvatting dat deze eisen ook voor de nieuwe overlegstructuur dienen te gelden? Zo ja, hoe worden ze dan gerealiseerd?

Deze leden hebben ten slotte bedenkingen bij het voornemen om de bestaande overlegstructuur, hoe onbevredigend wellicht ook, af te schaffen voor zicht is verkregen op een nieuwe opzet. Is dat wel prudent beleid? Zij krijgen hierop graag een reactie van de regering.

De leden van de fracties van GroenLinks en D66 zijn bevreesd dat de regering met een complete afschaffing van het bestaande overleg het kind met het badwater weggooit. Is de regering van mening is dat alle functies van het bestaande overleg kunnen worden vervangen door ad hoc bijeenkomsten met wisselende deelnemers of zijn er elementen die verloren zullen gaan? Op welke wijze zal de regering bij toekomstige overleggen met diverse gesprekspartners de representativiteit waarborgen? Periodiek overleg met vaste partners heeft het voordeel dat er niet alleen sprake is van overleg, maar ook van samenwerking waarbij kan worden voortgebouwd op eerdere afspraken of uitwisselingen van kennis. Op welke wijze garandeert de regering dat de organisaties goede toegang zullen houden tot de regering om hun voorstellen, verzoeken, signalen of zorgen te bespreken? Heeft de regering de mogelijkheid onderzocht om de structuur te behouden, maar wel flexibeler vorm te geven zodat op nieuwe ontwikkelingen en doelgroepen kan worden ingespeeld? En op welke wijze meent zij tijdig relevante signalen te kunnen oppikken uit de samenleving die om een beleidsmatige reactie vragen? De leden van deze fracties krijgen hierop graag een reactie.

Financiële gevolgen

Het budget voor specifiek integratiebeleid bedraagt momenteel 28,1 miljoen en zal tot nihil worden afgebouwd. De bekostiging van het bestuurlijk overleg vormt slechts een onderdeel van dit budget. De leden van de GroenLinks-fractie en de D66-fractie vragen of de regering kan aangeven welke activiteiten nog meer zullen worden stopgezet als dit wetsvoorstel wordt aangenomen en welke activiteiten op een andere wijze behouden kunnen blijven.

De leden van de commissie zien de beantwoording met belangstelling tegemoet. Zij ontvangen de reactie bij voorkeur binnen vier weken.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Sylvester

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van Dooren


X Noot
1

In verband met toevoeging van een opmerking van de fractie van D66.

X Noot
2

Samenstelling: Holdijk (SGP), Kneppers-Heijnert (VVD), Putters (PvdA), Terpstra (CDA), Sylvester (PvdA), (voorzitter), Thissen (GL), Witteveen (PvdA), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Elzinga (SP), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Flierman (CDA), Hoekstra (CDA), Scholten (D66), Backer (D66), De Lange (OSF), Sent (PvdA), Postema (PvdA), Van Dijk (PVV), (vice-voorzitter), Sörensen (PVV), Ester (CU), De Grave (VVD), Beckers (VVD), Swagerman (VVD) en Kok (PVV).

X Noot
3

Kamerstukken II 2010/11, 32 824, nr. 1.

X Noot
4

Rapportage Van de Bunt adviseurs van medio 2011.

X Noot
5

Kamerstukken II 2012/13, 32 824/33 297, nr. 18.

Naar boven