33 265 (R1983) Wijzigingen van het Verdrag inzake de Internationale Organisatie voor Mobiele Satellieten; Londen, 2 oktober 2008

A/ nr. 1 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 9 mei 2012.

De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens een van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer of door de Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao of Sint Maarten te kennen worden gegeven uiterlijk op 8 juni 2012.

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 april 2012

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen de op 2 oktober 2008 te Londen tot stand gekomen Wijzigingen van het Verdrag inzake de Internationale Organisatie voor Mobiele Satellieten (Trb. 2009, 132 en Trb. 2012, 10).

Een toelichtende nota bij dit verdrag treft u eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

Aan de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten is verzocht hogergenoemde stukken op 9 mei 2012 over te leggen aan de Staten van Aruba, de Staten van Curaçao en de Staten van Sint Maarten.

De Gevolmachtigde Ministers van Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn van deze overlegging in kennis gesteld.

De minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal

TOELICHTENDE NOTA

1. Inleiding

Op 3 september 1976 werd te Londen opgericht het Verdrag inzake de Internationale Organisatie voor Maritieme Satellieten (INMARSAT), met Exploitatieovereenkomst en bijlagen (Trb. 1978, 122; hierna «het Verdrag»). Doel van de overeenkomst was de telecommunicatie voor de zeescheepvaart te verbeteren door het beschikbaar stellen van de daarvoor nodige satellietcapaciteit voor maritieme veiligheidsdiensten.

De maritieme veiligheidsdiensten vloeien voort uit het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS; Trb. 1976, 157) en omvatten in het bijzonder een communicatiesysteem voor noodgevallen en veiligheid (GMDSS = Global Maritime Distress and Safety System). Het betreft onder meer het verzenden en ontvangen van noodsignalen, communicatie in het kader van zoek- en reddingsacties en het verzenden van maritieme veiligheidsinformatie (o.a. weersvoorspellingen en weeralarm). Het GMDSS bepaalt met welke radiocommunicatieapparatuur de schepen moeten zijn uitgerust, hoe deze apparatuur moet worden gebruikt en welke faciliteiten aan de wal nodig zijn om de GMDSS-communicatie te ondersteunen.

Omdat deelname aan INMARSAT voor het Koninkrijk der Nederlanden van belang was uit hoofde van de scheepvaart- en havenbelangen, werd het Koninkrijk op 16 juli 1979 bij het Verdrag partij voor Nederland en de Nederlandse Antillen. Sinds 1 januari 1986 geldt dit verdrag ook voor Aruba.

Bij de wijziging van 24 april 1998 (Trb. 1999, 79) vond een herstructurering van het Verdrag plaats, omdat door de toegenomen concurrentie in het aanbod van mobiele satellietdiensten het noodzakelijk geacht werd de exploitatie van de satellieten niet langer te laten verrichten door een intergouvernementele organisatie, maar die over te dragen aan een privaatrechtelijke onderneming (zie Kamerstukken II, 1998/99, 26 730 (R1640), nr. 1). De internationale organisatie INMARSAT werd toen omgedoopt tot «de Organisatie», terwijl de nieuwe privaatrechtelijke onderneming werd aangeduid als «de Onderneming». Om te verzekeren dat de Onderneming de in het verdrag vastgelegde grondbeginselen zou naleven, en in staat zou worden gesteld de verzorging van GMDSS-diensten voort te zetten, werd in artikel 4 bepaald dat de Organisatie met de Onderneming een Openbare-dienstenovereenkomst aangaat en toezicht op de uitvoering daarvan uitoefent.

Een daarop volgende verdragswijziging van 29 september 2006 (Trb. 2007, 168) waarbij de intergouvernementele organisatie werd omgedoopt tot Internationale Organisatie voor Mobiele Satellieten (IMSO) en de exclusieve positie van de Onderneming werd beëindigd, trad nimmer in werking.

De Algemene Vergadering van de IMSO nam vervolgens op 2 oktober 2008 te Londen een nieuwe verdragswijziging aan (Trb. 2009, 132) die de wijziging van 29 september 2006 omvat. Die wijziging van 2006 werd tegelijkertijd ingetrokken. De wijziging van 2008, die in afwachting van de inwerkingtreding vanaf 6 oktober 2008 voorlopig wordt toegepast, wordt hieronder mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken toegelicht.

De onderhavige wijzigingen houden in het kort in dat de organisatie alsnog wordt omgedoopt tot Internationale Organisatie voor Mobiele Satellieten (IMSO) (zie het nieuwe artikel 2), dat de exclusieve positie van de Onderneming wordt beëindigd (zie het nieuwe artikel 5) en dat IMSO wordt aangewezen als coördinator van het Long Range Identification and Tracking of Ships (LRIT)-systeem voor het op lange afstand opsporen en identificeren van schepen (zie artikel 4).

2. Gewijzigde taakstelling van IMSO

De International Maritime Organisation (IMO) heeft besloten dat GMDSS-diensten ook door andere satellietaanbieders dan de Onderneming, inmiddels Inmarsat Ltd. genoemd, moeten kunnen worden verstrekt. Zij dienen hiervoor door IMO als zodanig te worden erkend. Tot op heden is Inmarsat Ltd. nog de enige aanbieder van GMDSS-diensten.

In verband met de opheffing van de exclusieve positie van Inmarsat Ltd. heeft de Maritieme Veiligheids Commissie (MSC: Maritime Safety Committee) van IMO eind 2006 een verzoek gedaan aan IMSO om ook toezicht te houden op toekomstige andere aanbieders dan Inmarsat Ltd. Om deze taakverbreding verdragsrechtelijk te verankeren heeft IMSO de verdragsbepalingen betreffende Inmarsat Ltd. zo aangepast dat zij betrekking hebben op elke aanbieder van GMDSS-diensten. Zo wordt in het gewijzigde artikel 5 van het verdrag bepaald dat IMSO met de aanbieder een Openbare-dienstenovereenkomst sluit waarin de openbare dienstverplichtingen van de aanbieder worden vastgelegd en de toezichtmechanismen gedefinieerd worden. Dit is geheel in lijn met de bestaande overeenkomst met Inmarsat Ltd.

Voorts wordt met dit wijzigingsverdrag een bepaling ingevoerd (artikel 4) die een coördinerende rol van IMSO ten aanzien van het LRIT-systeem mogelijk maakt. Ingevolge dit systeem moeten schepen automatisch, ten minste vier keer per dag, hun «identiteit» (een uniek nummer dat gerelateerd is aan het IMO-nummer van het schip) en hun locatie met aanduiding van dag en tijd melden aan de administratie onder wier vlag wordt gevaren. Deze meldingen worden via satellieten doorgeleid naar landelijke of regionale LRIT Data Centra. Bij deze centra kunnen de aangesloten landen in hun hoedanigheid van vlaggenstaat, kuststaat of havenstaat onder bepaalde voorwaarden informatie opvragen over de schepen.

Het LRIT-systeem is een initiatief van IMO dat primair is opgezet ter verbetering van de maritieme veiligheid1. Daarnaast is het systeem effectief bij terrorismebestrijding en bestrijding van piraterij, vergemakkelijkt het zoek- en reddingsacties en draagt het bij aan een betere bescherming van de leefomgeving op zee («het milieu»). Het MSC heeft IMSO verzocht als Coördinator van het LRIT-systeem te fungeren en in dat kader toezicht te houden op de werking van het systeem. Op grond van het gewijzigde artikel 4 kan IMSO taken als LRIT-Coördinator verrichten overeenkomstig IMO-besluiten en met goedkeuring van de Algemene Vergadering. Het betreft in het bijzonder het toezicht op de snelheid en compleetheid van de berichtgeving en de naleving van spelregels over welke partijen welke informatie kunnen verkrijgen.

De kosten van de werkzaamheden van IMSO als LRIT-Coördinator worden niet ten laste van de lidstaten gebracht, zo is bepaald in het gewijzigde artikel 4. Deze kosten worden doorberekend aan de datacentra waarop toezicht wordt gehouden. In verband hiermee wordt een aparte boekhouding gevoerd voor de werkzaamheden van IMSO ten aanzien van het LRIT-systeem. De kosten van het LRIT-informatiesysteem zelf en van het verzamelen van de gegevens worden in eerste instantie geheel door de vlaggenstaat gedragen. Als landen deze gegevens opvragen, in het bijzonder havenstaten en kuststaten, brengt de vlaggenstaat aan hen een vergoeding in rekening voor de geleverde informatie.

4. Verhouding tot het Nederlandse beleid

Het besluit van de IMO om de verlening van GMDSS-diensten mogelijk te maken voor andere satellietaanbieders dan Inmarsat Ltd. en de daarmee samenhangende verdragswijzigingen van 2 oktober 2008, sluiten goed aan bij het Nederlandse beleid van liberalisering en flexibilisering van de elektronische communicatiemarkten. Tot nog toe heeft Inmarsat Ltd. een monopoliepositie bij het aanbieden van de diensten die in het Verdrag zijn aangewezen als openbare diensten. Het past in de ontwikkeling van de markt van mobiele satellietcommunicatie dat in de toekomst ook andere aanbieders dan Inmarsat Ltd. in de gelegenheid worden gesteld dit soort diensten aan te bieden. Het is daarbij uiteraard van belang dat de kwaliteit van de dienstverlening hoog blijft. De Openbare-dienstenovereenkomst die met IMSO wordt gesloten en het toezicht van IMSO daarop bieden op dat punt afdoende waarborgen.

Het LRIT-systeem is inmiddels operationeel, zij het dat nog niet alle IMO-partijen erbij zijn aangesloten. Nederland neemt aan het systeem deel via het – reeds operationele – Europese LRIT-Datacentrum.

5. Aanvaarding en inwerkingtreding

De verdragswijzigingen treden blijkens het tweede lid van artikel 18 van het Verdrag (dat bij de onderhavige verdragswijziging wordt vernummerd tot artikel 20; zie voor de tekst Trb. 1999, 79) in werking 120 dagen nadat tweederde van de Partijen deze wijzigingen heeft aanvaard. De wijzigingen behoeven parlementaire goedkeuring. Zij worden bindend voor de Partijen die de wijzigingen hebben aanvaard.

6. Koninkrijkspositie

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, zullen deze verdragswijzigingen gelden voor het Europese en Caribische deel van Nederland en voor Curaçao, Aruba en Sint Maarten.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, M. J. M. Verhagen


X Noot
1

Zie Resolutie A.1001(25) van 29 november 2007 (http://www.imo.org/safety/mainframe.asp?topic_id=905).

Naar boven