Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2017-201833258 nr. Q

33 258 Voorstel van wet van de leden Van Raak, Fokke, Koşer Kaya, Voortman, Segers, Thieme en Klein houdende de oprichting van een Huis voor klokkenluiders (Wet Huis voor klokkenluiders)

34 105 Voorstel van wet van de leden Van Raak, Fokke, Koşer Kaya, Segers, Thieme, Klein en Voortman tot wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders

Q1 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 april 2018

Hierbij zend ik u een afschrift van mijn brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake het rapport van de onderzoeker naar het functioneren van het Huis voor Klokkenluiders (rapport Ruys). De brief bevat mijn reactie op het rapport en gaat in op de stand van zaken.

In deze brief maak ik tevens melding van de op 27 maart 2018 door uw Kamer aangenomen Reparatiewet BZK 20XX, waarin onder meer enkele verschrijvingen en een omissie in de Wet Huis voor klokkenluiders zijn gerepareerd. Hiermee is voldaan aan de toezegging (T02231) die op dit punt aan uw Kamer was gedaan.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 april 2018

Bij brief van 27 december 2017 heeft de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken mij verzocht om een schriftelijke reactie op het rapport van de onderzoeker naar het functioneren van het Huis voor klokkenluiders. Deze brief strekt daartoe en gaat in op de stand van zaken. Allereerst ga ik kort in op de voorgeschiedenis en aanleiding tot het rapport, vervolgens informeer ik u over de bestuurlijke situatie en de verdere stand van zaken rondom de implementatie van de door de onderzoeker gedane aanbevelingen.

Voorgeschiedenis en aanleiding

«In de zomer van 2017 constateerde het bestuur dat er, een jaar na oprichting van het Huis voor Klokkenluiders, onvoldoende voortgang is op de inrichting van het Huis en dat er onvoldoende helderheid is over de te varen koers. Het bestuur heeft daarop Maarten Ruys gevraagd te adviseren over de toekomstige inrichting van het Huis, de bestuurlijke structuur en de vereiste competenties. In zijn rapport van 14 december 2017 «Advies voor een herstart van het Huis voor Klokkenluiders: advies, onafhankelijk onderzoek en preventie» beschrijft de heer Ruys de resultaten van zijn onderzoek, doet hij een aantal aanbevelingen en adviseert hij te komen tot een herstart van het Huis voor Klokkenluiders. Het bestuur heeft naar aanleiding daarvan besloten per 8 januari 2018 terug te treden.» Aldus staat de voorgeschiedenis kort en helder beschreven in het op 14 maart 2018 door het Huis voor klokkenluiders aan u aangeboden jaarverslag 2017.

Bij brief van 14 december 2017 heb ik u het rapport aangeboden. Daarbij heb ik u laten weten de heer prof. mr. dr. E.R. Muller te zullen benoemen tot interim-voorzitter met ingang van 8 januari 2018. Ik heb de heer Muller gevraagd de implementatie van de in het rapport-Ruys gedane aanbevelingen ter hand te nemen. De heer Muller is op 8 januari jl. daadwerkelijk gestart met zijn werkzaamheden. Doel is te komen tot het Huis voor klokkenluiders 2.0.

Bestuurlijke situatie

Interimbestuur

In nauw overleg met de heer Muller is een tweede interim-bestuurder aangezocht in de persoon van de heer prof. dr. T.W.A. (Theo) Camps. De heer Camps is met ingang van 14 maart 2018 benoemd tot interim-bestuurslid van de afdeling advies van het Huis voor klokkenluiders. De heer Muller, die thans reeds interim-voorzitter is, is per dezelfde datum tevens benoemd tot lid van de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders. Dit laatste is nodig om de wettelijke taken van de afdeling onderzoek gedurende de interim-periode te kunnen uitvoeren en de werkzaamheden op de afdeling onderzoek goed doorgang te kunnen laten vinden. Op deze wijze is het interim-bestuur met twee tijdelijke bestuurders voldoende bemenst om de periode totdat een nieuw volwaardig bestuur kan aantreden, te overbruggen.

Nieuw bestuur

Het rapport-Ruys beveelt aan in de structurele situatie te kiezen voor een bestuur met een voorzitter en twee leden. Daarbij dient eerst de voorzitter te worden benoemd en daarna in overleg met de voorzitter de twee andere leden (aanbevelingen 8 en 9). Mijn streven is erop gericht om zo spoedig mogelijk en op de aangegeven wijze een nieuw bestuur te formeren, dat bestaat uit een voorzitter en twee leden. Er wordt nu, in nauw overleg met de interim-voorzitter gestart met de werving. Beoogd wordt dat het nieuwe bestuur op 1 september a.s. kan aantreden.

Implementatie aanbevelingen op de korte termijn

Het Interimbestuur heeft een metaplan Huis voor klokkenluiders nieuwe stijl opgesteld aan de hand waarvan aanbevelingen van de heer Ruys die op de korte termijn kunnen worden geïmplementeerd ter hand worden genomen. Daarbij wordt gewerkt vanuit de visie en overtuiging dat het Huis er is voor klokkenluiders en dat een klokkenluider in veel situaties in een ongelijk speelveld opereert. Er wordt gewerkt aan de missie en de kernwaarden, de beschrijving van de gewenste werkprocessen en aan een advies- en een onderzoeksprotocol. Voorts stelt het Interimbestuur een bestuursreglement vast dat binnenkort conform artikel 11 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen aan mij ter goedkeuring wordt voorgelegd. Het Interimbestuur onderhoudt regelmatige contacten met relevante externe organisaties.

De langere termijn: Wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders

In aanbeveling 22 worden enkele zaken genoemd die bij de eerstkomende wijziging van de wet zouden moeten worden verduidelijkt. Het gaat om de governance van het Huis, de scheiding van advies en onderzoek, de omschrijving van de ontvankelijkheid van onderzoek en het belang van preventie, integriteitsonderzoek en voorlichting over misstanden als taken van het Huis. In overleg met het Interimbestuur is vastgesteld dat het nog te vroeg is om te besluiten om tot wijziging van de wet over te gaan. Het Huis zit nu middenin het proces van stroomlijning van de organisatiestructuur en de werkprocessen. Nadat besluitvorming over het advies- en het onderzoeksprotocol en over het bestuursreglement heeft plaatsgevonden, zal in goed overleg met het (interim)bestuur van het Huis worden bezien welke wijzigingen van de Wet Huis voor klokkenluiders nodig zijn. Bij dat wetstraject zal ook gevolg gegeven worden aan de motie Bikker, die vraagt om een aanvulling op de Wet Huis voor klokkenluiders, zodat degene die anders dan uit dienstbetrekking arbeid verricht of heeft verricht en melding doet van een vermoeden van een misstand eveneens wettelijk wordt beschermd tegen benadeling als gevolg van deze melding (uitbreiding bescherming tegen benadeling van zzp’ers, stagiairs en vrijwilligers).

Intussen is wel gebruik gemaakt van de mogelijkheid om enkele verschrijvingen (in artikel 4 en 15) en een omissie (in artikel 72) in de Wet Huis voor klokkenluiders te repareren via de Reparatiewet BZK 20XX die op 27 maart jl. is aangenomen door de Eerste Kamer.3 Hiermee wordt gevolg gegeven aan de toezegging die op dit punt aan de Eerste Kamer is gedaan (T02231).

Het Huis is open

Belangrijk is om vast te stellen dat het Huis ook in deze overgangsfase zijn wettelijke taken uitvoert. Er lopen inmiddels 12 onderzoeken bij de afdeling Onderzoek van het Huis. Het merendeel van de opgestarte onderzoeken heeft betrekking op de manier waarop de klokkenluider door de werkgever is behandeld, maar er zijn ook onderzoeken naar specifieke misstanden of een combinatie van onderzoek naar misstanden en bejegening. Het Huis heeft deze transitieperiode nodig om te kunnen komen tot een gezonde herstart van het Huis voor klokkenluiders 2.0, maar «de winkel is open, tijdens de verbouwing».

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Letter Q heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 33 258.

X Noot
2

In artikel 7 wordt de bepaling dat de afdeling onderzoek van het Huis bij het niet doen van onderzoek hiervan tevens melding doet aan de werkgever, geschrapt.

X Noot
3

Eerste Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 34 852.