33 258 Voorstel van wet van de leden Van Raak, Fokke, Koşer Kaya, Voortman, Segers, Thieme en Klein houdende de oprichting van een Huis voor klokkenluiders (Wet Huis voor klokkenluiders)

34 105 Voorstel van wet van de leden Van Raak, Fokke, Koşer Kaya, Segers, Thieme, Klein en Voortman tot wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders

O1 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 juli 2017

Naar aanleiding van de aangehouden motie-Bikker omtrent de informatiepositie van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het Huis voor klokkenluiders heb ik toegezegd uw Kamer uiterlijk 1 jaar na inwerkingtreding van de Wet Huis voor klokkenluiders te informeren over de eerste ervaringen van het Huis in relatie tot de vraag of de onderzoeksfunctie van het Huis minder effectief zou kunnen zijn doordat mensen zich niet durven te melden uit angst voor vervolging door het Openbaar Ministerie.2 Met deze brief geef ik gevolg aan de gedane toezegging. Daarbij maak ik tevens van de gelegenheid gebruik uw Kamer te informeren over de voortgang van de ontwikkeling van samenwerkingsprotocollen tussen het Huis en inspecties en toezichthouders.

Relatie Huis voor klokkenluiders-Openbaar Ministerie

Het Huis voor klokkenluiders en het Openbaar Ministerie hebben inmiddels, zoals vereist op grond van artikel 17a van de Wet Huis voor klokkenluiders, een afstemmingsprotocol afgesloten (zie bijlage3). Hieruit blijkt dat beide organisaties zich ervan bewust zijn dat sprake kan zijn van samenloop van een onderzoek door het Huis voor Klokkenluiders met een strafrechtelijk onderzoek onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM). Uitgangspunt van het protocol is dat beide organisaties het gewenst achten dat in dergelijke situaties overleg plaatsvindt tussen het OM en het Huis met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid en de toepasselijke wettelijke kaders. Het initiatief tot dit overleg kan zowel van het Huis als van het OM uitgaan.

Met het oog op eventuele afstemming zal steeds per geval worden nagegaan of sprake is van samenloop zoals bedoeld in de Wet Huis voor klokkenluiders. De informatie-uitwisseling wordt in het protocol geclausuleerd. Het Huis en het OM infomeren elkaar «voor zover dat voor de taakuitoefening van de informatieverzoeker noodzakelijk is en het belang van het onderzoek van de informatieverstrekker zich daar niet tegen verzet». Bovendien wordt de uitgewisselde informatie vertrouwelijk en uitsluitend ten behoeve van het onderzoek van de ontvangende instantie verstrekt. De informatie zal niet aan derden – waaronder te horen personen – bekend of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande toestemming van de verstrekkende instantie.

In het protocol wordt nogmaals bevestigd dat de betrokken officier van justitie geen gegevens zal vorderen bij de afdeling Advies van het Huis.4 Het belang van de vertrouwelijkheid ten tijde van de adviesfase bij het Huis van klokkenluiders wordt hiermee recht gedaan.

Het protocol is goedgekeurd door de Minister van Veiligheid en Justitie, gepubliceerd op de website van het Huis voor klokkenluiders en zodoende kenbaar voor degenen die gebruik maken van de dienstverlening van het Huis. Ik ga ervan uit dat hiermee een goede basis is gelegd voor een zorgvuldige aanpak van verzoeken tot het verrichten van onderzoek door het Huis voor klokkenluiders, in gevallen waarin mogelijk sprake is van samenloop van onderzoek door het Huis en door het OM.

Mijn toezegging in de Eerste Kamer betrof de eerste ervaringen van het Huis in relatie tot de vraag of de onderzoeksfunctie van het Huis minder effectief zou kunnen zijn doordat mensen zich niet durven te melden uit angst voor vervolging door het OM. Het Huis heeft inmiddels zijn eerste jaarverslag gepubliceerd, dat op 7 juni jl. besproken is met de Vaste commissie voor Binnenlandse zaken van de Tweede Kamer. Het jaarverslag bevat geen indicatie dat sprake is van een dergelijke angst bij potentiële klokkenluiders of van een verminderde effectiviteit van de onderzoeksfunctie.

Er vindt regelmatig overleg plaats met het Huis over het functioneren van de wet in relatie tot het Huis en de effectiviteit van de aan het Huis toegekende bevoegdheden. In dat kader hebben mij geen signalen bereikt die wijzen op de problematiek die in de aangehouden motie aan de orde wordt gesteld.

Het Huis functioneert nu een jaar en heeft nog geen onderzoeken afgerond. Uit het jaarverslag blijkt dat het merendeel van de lopende onderzoeken bij het Huis betrekking hebben op bejegening van werknemers die eerder al een melding van een vermoeden van een misstand hebben gedaan. Er is (nog) geen indicatie van een onderzoek naar een misstand waarbij sprake is van samenloop met een strafrechtelijk onderzoek.

Tijdens de behandeling in uw Kamer heb ik al benadrukt dat het belangrijk is te leren van de praktijk en, als daar aanleiding voor blijkt te zijn, aanpassingen door te voeren.5 Het is nu echter nog te vroeg voor conclusies. Bij de evaluatie van de Wet Huis voor klokkenluiders zullen de ontwikkelingen met betrekking tot de informatiepositie van het OM in dit verband uitdrukkelijk worden meegenomen.

Protocollen met inspecties en andere instanties

Naar aanleiding van een vraag van het lid De Graaf, heb ik ook toegezegd erop toe te zien dat het Huis voor klokkenluiders gebruikmaakt van de mogelijkheid om met andere toezichthouders en inspecties protocollen af te sluiten. Inmiddels heeft het Huis voor klokkenluiders naast het afstemmingsprotocol met het OM ook een samenwerkingsprotocol6 afgesloten met de Nationale ombudsman (zie bijgevoegd). Bovendien lopen besprekingen met de Inspectieraad om te bezien met welke inspectie(s) het zinnig is een protocol af te sluiten. Ik zal deze ontwikkelingen blijven volgen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk


X Noot
1

Letter O heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 33 258.

X Noot
2

Zie de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dd. 8 juli 2016, kenmerk 2016–0000369432, EK 34 105/33 258, M

X Noot
3

Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffie nr. 154391.20.

X Noot
4

Zie ook kamerstuk 34 105 C, blz. 22

X Noot
5

Zie Verslag EK 2015/2016, nr. 21, pag 11

X Noot
6

Ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffie nr. 154391.20.

Naar boven