Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233255 nr. 2

33 255 Besluit houdende wijziging van lijst II, behorende bij de Opiumwet, in verband met plaatsing op deze lijst van het middel Qat

Nr. 2 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 21 augustus 2012

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 8 mei 2012 inzake het Ontwerpbesluit houdende wijziging van lijst II, behorende bij de Opiumwet (Kamerstuk 33 255, nr. 1).

De op 15 juni 2012 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de minister bij brief van 20 augustus 2012 toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Smeets

De adjunct-griffier van de commissie, Sjerp

Inhoudsopgave

blz.

     

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

II.

Reactie van de minister

6

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met zorg kennisgenomen van het onderhavige voornemen van de minister om het middel Qat te plaatsten op lijst II van de Opiumwet. Deze leden zijn het met de minister eens dat de aanpak van de gezondheidsproblemen en maatschappelijke overlast die samenhangt met het gebruik van Qat aangepakt moeten worden. De door de minister opgesomde gezondheidsproblemen worden door deze leden onderschreven even als de sociale problemen die qatgebruikers kunnen ervaren en de maatschappelijke problemen die worden veroorzaakt door het gebruik van en de handel in Qat. De opvatting van de minister dat de huidige situatie niet wenselijk is en dat er maatregelen moeten worden genomen onderschrijven deze leden. Toch vragen zij of plaatsing van Qat op lijst II van de Opiumwet daadwerkelijk een oplossing biedt voor deze problemen. Uit onderzoek blijkt dat Qat een relatief onschuldig middel is1 en dat het slechts een onderdeel is van bredere problematiek die leeft onder de gebruikers, welke bijna uitsluitend Somalische immigranten zijn. Het plaatsen van Qat op lijst II van de Opiumwet lijkt dus niet per se een oplossing te bieden voor de bredere problematiek van de gebruikers, zo vrezen genoemde leden. Zij vragen dan ook of er niet naar andere alternatieven moet worden gekeken, waarmee de hierboven genoemde problematiek effectief aangepakt kan worden.

Genoemde leden delen dus de opvatting van de minister dat het gebruik van Qat schadelijke gevolgen heeft voor de individuele gebruiker, maar ook voor de directe omgeving van de gebruiker. Het feit dat het dagelijks functioneren door het gebruik van Qat wordt beinvloed is een zorgelijk zaak, maar anderzijds zijn de effecten van het gebruik van Qat voor de individuele gebruiken en/of de maatschappij als geheel niet ingrijpend als van bijvoorbeeld alcohol of tabak. Heeft de minister inzicht in de exacte aard en omvang van de problematiek? Zo ja, hoe verhoudt deze zich tot andere genotsmiddelen welke legaal te verkrijgen zijn zoals alcohol en tabak? Vanzelfsprekend hebben deze leden ook oog voor de bredere maatschappelijke problemen die samenhangen met het gebruik van Qat. Het kauwen op de Qat bladeren is een gebruik dat vooral voorkomt onder Somaliërs, waarvan er naar schatting 22 000 in Nederland wonen. De werkloosheid onder deze groep is hoog en degene die werken, verrichten meestal laaggeschoolde arbeid. Somalische vrouwen hebben een grotere achterstand op de arbeidsmarkt, maar trouwen jong en krijgen snel kinderen. Hoewel het niet uit de literatuur blijkt en er nauwelijks gegevens over bestaan, zijn er signalen dat het Qat-gebruik kan leiden tot het verwaarlozen van kinderen, niet te negeren2. Ook blijken Somalische mannen en vrouwen moeilijk te bereiken te zijn voor het volgen van taalonderwijs en vervolgonderwijs, en er is sprake van veel uitval. Redenen hiervoor zijn: psychische problemen, qat-gebruik, de Somalische trots, financiële problemen (waardoor geld verdienen boven het volgen van een opleiding gaat), de onbekendheid met de Nederlandse cultuur en het gebrek aan kinderopvang. Genoemde leden vragen of de minister zich bewust is van de veelvoud aan factoren die leiden tot maatschappelijke problemen binnen de Somalische gemeenschap. Zij vragen dan ook of met het verbieden van Qat er effectief in kan worden gespeeld op de brede problematiek waarmee de Somalische gemeenschap kampt. Het aanpakken van slechts één van de vele problemen zal naar alle waarschijnlijkheid geen structurele oplossing bieden voor het grote scala aan problemen zoals hierboven wordt omschreven, zo vrezen de van de PvdA-fractie en mogelijk zelfs contraproductief zijn als het gaat om het oplossen van de genoemde problemen. In dat kader zijn zij benieuwd naar opvatting van de minister over de stelling van de Jelinek dat «gevreesd [kan] worden dat de gebruikers die er zijn naar gevaarlijkere (!) alternatieven gaan zoeken»3. Het verbieden van Qat door het te plaatsen op lijst II van de Opiumwet draagt een risico in zich zo stelt het Jelinek en deze leden vragen of de minister hier stil bij heeft gestaan.

De leden van de PvdA-fractie hebben daarnaast ook oog voor de problemen rondom de aanvoer en distributie van Qat. Daarom hebben zij begrip voor de stelling van de minister dat hier sprake zou moeten zijn van strengere regulering, gezien de maatschappelijke problemen die hier momenteel uit voortvloeien. Genoemde leden zijn er van op de hoogte dat de distributie en verkoop in handen is van de Somalische gemeenschap. Zij willen ook opmerken dat Qat relatief goedkoop is en de afnemers niet erg koopkrachtig zijn. Mede daarom is er geen sprake een groot crimineel circuit of van zware misdrijven zoals bij wiet wel het geval is. Dit gezegd hebbende erkennen deze leden dat er even zo goed sprake is van overlast. Behalve dat Qat «vanuit de kofferbak» wordt verkocht, wordt het ook verkocht en gebruikt in zogenaamde Qathuizen. Daar wordt overlast gerapporteerd die soms samen gaat met verstoring van de openbare orde, zoals samenscholing op straat, parkeeroverlast, intimidatie, geluidsoverlast en vervuiling van de openbare weg (door het uitspugen van qatbladeren). Genoemde leden zijn zich hier zoals gezegd van bewust en begrijpen de opstelling van de minister, als deze stelt dat hier actie tegen ondernomen moet worden. Echter zij betwijfelen of het plaatsen van Qat op lijst II van de Opiumwet de samenhangende problemen ook aan zal pakken. Zo vragen deze leden zich af deze maatregel er niet toe zal leiden dat de handel in en verkoop van Qat in het zwarte circuit terecht zal komen en de problematiek die de minister beschrijft juist zal verergeren. De leden van de PvdA-fractie vragen dan ook of de minister heeft gedacht aan andere oplossingen voor de problematiek die samenhangt met de verkoop en distributie van Qat. Wellicht zijn er andere en meer effectieve mogelijkheden om de aangehaalde problemen rondom de distrubutie en handel aan te pakken. Graag zouden zij zien dat er wordt gekeken naar alternatieven die de problemen rondom Qat op een goede manier aan kunnen pakken.

Vragen en opmerkingen van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het feit dat het middel Qat op lijst II van de Opiumwet wordt geplaatst. Vooral onder Somaliërs en Nederlanders van Somalische herkomst leidt het kauwen van Qat tot problemen met de gezondheid, maar ook tot problemen in sociale en maatschappelijke sfeer. Nederland geldt als een belangrijk doorvoerland van Qat, omdat het middel hier tot nu toe niet illegaal was.

Daarnaast zijn er jaren signalen van overlast rond de zogenaamde Qat-huizen waar Qat vrij verhandeld kon worden. Gemeenten konden hier onvoldoende tegen optreden. Genoemde leden zijn dan ook blij dat de minister in dit alles aanleiding heeft gezien om Qat op lijst II van de Opiumwet op te nemen.

Wel hebben deze leden nog een aantal vragen. In de nota van toelichting staat dat de (BI)AHOJG-criteria niet op generlei wijze op Qat van toepassing zullen zijn. Dit zijn criteria waarbinnen de verkoop van cannabis in coffeeshops wordt gedoogd. Betekent dit dat de verkoop van Qat op geen enkele manier zal worden gedoogd? Ook niet als het om een beperkte voorraad gaat, zoals bij cannabis? Betekent dit concreet dat, zodra dit ontwerpbesluit is vastgesteld, meteen kan worden overgegaan tot het sluiten van de Qat-huizen? Betekent dit ook dat coffeeshops de verkoop van Qat niet kunnen overnemen?

Naast de Qat-huizen zijn er in de smartshops gewoon zaden te koop waarmee je een Qat-plant kan telen. Begrijpen deze leden dat deze voorbereidende handelingen gewoon nog toegestaan zijn na plaatsing op lijst II van de Opiumwet, en waar ligt de grens als het gaat om het telen «voor eigen gebruik»? Verwacht de minister een grote toename van thuis telen als gevolg van inperking van de invoer vanuit het buitenland en het sluiten van Qat-huizen? Een Qat-verbod is een goede stap, maar wel de makkelijkste stap. Hoe gaat de minister het verbod handhaven?

Uit onderzoek van Trimbos blijkt dat het gebruik van Qat leidt tot schade aan de gezondheid, zoals hartkloppingen, paniekaanvallen, gebitsproblemen etc. Ook leidt het tot spanningen in sociale relaties, integratieproblemen en financiële problemen. Uit datzelfde onderzoek blijkt dat instellingen en professionals over het algemeen niet de kennis aanwezig hebben om Qat-gebruik te herkennen en te signaleren. Het Trimbos stelt dat kennisuitwisseling, voorlichting over Qat en het training in het signaleren van Qat-gebruik noodzakelijk zijn. Wat gaat de minister eraan doen om deze kennis, die onder professionals met een Somalische afkomst wel aanwezig is, te verspreiden?

Ten slotte willen de leden van de CDA-fractie graag weten op welke manier de minister wil communiceren richting de Somalisch(-Nederlandse) gemeenschap op het moment dat Qat definitief op lijst II van de Opiumwet is geplaatst.

Vragen en opmerkingen van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie erkennen de problemen van Qat-gebruik volledig. Vooral in de Somalische gemeenschap wordt Qat gekauwd en dit leidt maar al te vaak tot lusteloosheid, ruzies, financiële problemen, en allerlei andere lichamelijke psychische en sociale problemen. Dat is ernstig. Genoemde leden vragen de minister om uitdrukkelijk en uitgebreid in te gaan op de vraag of een verbod op Qat al deze problemen oplost. Is met een verbod op Qat naar verwachting ieder gebruik van de baan? Zijn er ongewenste neveneffecten te verwachten van een verbod op Qat en zo ja, welke zijn dit? Indien dit niet bekend is bent u bereid dit alsnog te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?

De leden van de SP-fractie vinden de toelichting op het verbod op Qat uiterst summier. Zij zijn van mening dat een verbod op een bepaalde drug degelijker onderbouwd moet worden, inclusief een uitgebreide analyse van gezondheidsrisico’s en schadelijkheid. Graag een uitgebreidere toelichting op nut, noodzaak en vooral ook op de te verwachten effecten van het verbod op qat.

Vragen en opmerkingen van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met teleurstelling kennisgenomen van het besluit om een verbod op Qat in te voeren. Deze leden achten de voorgestelde maatregel disproportioneel. Zij betwijfelen de effectiviteit van de voorgestelde maatregel en waarschuwen voor negatieve neveneffecten. Zij verzoeken de minister daarom dringend het voorgenomen besluit te heroverwegen en in te trekken. Graag maken deze leden van de gelegenheid gebruik om enkele kritische vragen te stellen.

De leden van de D66-fractie stellen graag een aantal vragen over de aard en omvang van de problematiek. De minister stelt dat uit onderzoek is gebleken dat slechts 11% van de gebruikers van Qat als probleemgebruiker kan worden getypeerd. Op welk onderzoek doelt zij hier? Genoemde leden vragen of de minister verwacht dat het voorgenomen Qat-verbod tot vermindering van de omvang van het gebruik van Qat zal leiden? Zo ja, op welke wetenschappelijke evidentie is deze verwachting gebaseerd en welk wetenschappelijk bewijs is dat? Indien deze verwachting niet op wetenschappelijk onderzoek rust, waar baseert de minister deze verwachting dan wel op? Acht de minister dit een afdoende basis om beleid op te maken? Deze leden vragen de minister ook wat haar verwachtingen zijn ten aanzien van de effecten van een Qat-verbod op het gebruik van andere legale en illegale drugs? Deelt de minister de verwachting dat het gebruik van andere verslavende middelen, zoals alcohol en drugs zal toenemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt de minister de inschatting dat daar grotere risico’s mee verbonden zijn dan met het huidige gebruik van Qat? Deelt de minister de mening dat het gebruik van sommige van deze middelen gevaarlijker is dan Qat? Zo nee, waarom niet? De leden van de D66-fractie vragen de minister of zij bereid is om een nulmeting uit te voeren naar het gebruik van drugs en andere verslavende middelen, zodat over een aantal jaar een realistische inschatting kan worden gemaakt van de effecten van het voorgestelde Qat-verbod. Zo nee, waarom niet

Deelt de minister de mening van deze leden dat zij bewust het risico aanvaardt dat door het verbieden van Qat de overheid de controle op kwaliteit en voorlichting over gebruik kwijtraakt? Op welke wijze gaat de minister dit probleem ondervangen?

De leden van de D66-fractie hebben ook nog enige vragen over de handhaafbaarheid van het voorgenomen besluit. Hoeveel extra politiecapaciteit zal voor het Qat-verbod beschikbaar worden gesteld? Deelt u de mening dat er reeds relatief veel politiecapaciteit wordt ingezet voor de opsporing en vervolging van drugscriminaliteit? Hoe beoordeelt de minister de criminaliteit onder Qat-verkopers op dit moment? Waar baseert de minister dat op?

Genoemde leden zijn niet overtuigd van de proportionaliteit van de voorgestelde maatregel. Deelt de minister de mening dat het «Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs» (CAM) bij drugsbeleid het belangrijkste adviesorgaan is? Zo nee, waarom niet? Wat is haar reactie op het CAM-advies uit 2007 dat stelt dat er geen aanleiding is om het gebruik van Qat te verbieden, omdat het een risico voor de gezondheid van de gebruiker gering is en het de Nederlandse samenleving geen noemenswaardig risico oplevert? Kan de minister toelichten waarom zij het CAM-advies niet volgt? Naast het CAM stellen ook het Trimbos Instituut, de Wereld Gezondheidsorganisatie en het Transnational Institute dat een verbod niet zal werken, bijvoorbeeld omdat Qat-gebruikers op zoek zullen gaan naar andere middelen. Wat is de reactie van de minister op deze instanties en organisaties met ruime expertise op het gebied van drugs? Heeft de minister deze instanties en organisaties gesproken ten behoeve van haar afweging om Qat al dan niet te verbieden? Zo ja, op welke wijze heeft zij hun adviezen betrokken bij haar afweging? Zo nee, is zij bereid alsnog in overleg te treden met genoemde instanties en organisaties?

De leden van de D66-fractie constateren dat de minister aangeeft dat naast gezondheidsschade er ook aanzienlijke sociale en maatschappelijke schade zou zijn. Zij spreekt van conflicten tussen Qat-kauwers, te weinig aandacht voor het gezin, integratieproblemen en moeite met het volgen van een opleiding of het vinden van werk. Kan de minister deze verschillende aannames kwantificeren en met wetenschappelijk onderzoek onderbouwen? Naast sociale en maatschappelijke schade zou er ook sprake zijn van overlast rond het gebruik en de verkoop van Qat. Genoemde leden constateren dat het hier slechts om incidenten op lokaal niveau gaat en dat er geen sprake is van georganiseerde misdaad. Deelt de minister het oordeel op dit punt? Zo nee, waarom niet? Deze leden vernemen graag hoe de hiervoor genoemde conclusies zich verhouden tot de conclusie van het CAM dat Qat de Nederlandse samenleving geen noemenswaardig risico oplevert? De leden van de D66-fractie vrezen dat een verbod op Qat zal leiden tot criminalisering van de handel en stigmatisering van de Somalische gebruikers. Deelt de minister die mening en zo nee, waarom niet?

Genoemde leden brengen graag een aantal mogelijke maatregelen naar voren die meer in proportie staan tot de problematiek inzake Qat. Zij ontvangen graag een reactie van de minister waarom zij er niet voor kiest deze maatregelen in te voeren? Gezien het feit dat slechts enkele gemeenten overlast hebben als gevolg van de handel in Qat zijn deze leden van mening dat via de Algemene Plaatselijke Verordeningen de incidenten afdoende kunnen worden aangepakt. Is de minister bereid om de mogelijkheid van het gebruik van APV’s ter bestrijding van Qat-overlast bij gemeenten onder de aandacht te brengen? Is de minister bereid om een wettelijke leeftijdsgrens voor het kopen van Qat in te stellen, zoals die ook voor sigaretten en alcohol geldt? In welke mate is er op dit moment regelgeving dan wel zijn er eisen op het gebied van voorlichting bij de verkoop van Qat? Ziet de minister mogelijkheden om deze voorlichting aan te scherpen of te verbeteren? Naar de mening van genoemde leden zou deze voorlichting beter kunnen worden toegespitst op de grootste gebruikersgroep te weten Nederlanders van Somalische herkomst en Somaliërs. Een Qat-verbod zal probleemgebruikers niet van hun verslaving afbrengen zo is de mening van deze leden. Zij zullen naar verwachting op zoek gaan naar vervangende drugs. Wil de minister daarom inzetten op een verbetering van de verslavingszorg voor deze doelgroep? Zo nee, waarom niet?

De leden van de D66-fractie hebben nog enkele vragen over het beleid ten aanzien van Qat in andere landen. Kan de minister toelichten welk beleid andere Europese landen ten aanzien van Qat hebben? Kan de minister aangeven in welke landen binnen de EU het gebruik en de import van Qat strafbaar is? Kan de minister daarbij duidelijk maken of in deze landen het Qat-gebruik gestopt is of aantoonbaar lager ligt? Welke wetenschappelijke onderzoeken wijzen daarop?

Genoemde leden vertrouwen er op dat de minister niet over zal gaan tot het inwerking laten treden van het besluit voordat de bij de Kamer levende vragen beantwoord zijn.

II. Reactie van de minister

De leden van de fractie van de PvdA vragen of plaatsing van Qat op lijst II van de Opiumwet daadwerkelijk een oplossing biedt voor de gezondheidsproblemen, de sociale problemen en de maatschappelijke problemen die samenhangen met Qat. Het onder de werking van de Opiumwet brengen van Qat dient gepaard te gaan met andere maatregelen om de gezondheidsproblemen en de bredere sociale en maatschappelijke problemen die samenhangen met Qat aan te pakken. Door plaatsing van het middel Qat op lijst II van de Opiumwet wordt met name voorkomen dat Qat in Nederland wordt geïmporteerd en verhandeld en dat Qat vanuit Nederland wordt doorgevoerd naar andere landen. Als sprake is van een verbod, zal het middel niet of nauwelijks meer op de Nederlandse markt te verkrijgen zijn en zal de handel in Qat aanzienlijk afnemen, evenals de doorvoer naar andere landen. De verwachting is dat in het verlengde van het verbod de bredere met Qat samenhangende problemen effectiever kunnen worden tegengegaan.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of er niet naar andere alternatieven gekeken moet worden voor de bredere problematiek van Somaliërs in Nederland. Ook vragen deze leden zich af of de minister zich bewust is van de veelvoud van problemen aan factoren die leiden tot maatschappelijke problemen binnen de Somalische gemeenschap. Het kabinet is zich bewust van de veelheid van factoren die een rol spelen bij de brede problematiek van Somaliërs in Nederland. Naast een verbod op Qat moeten daarom bestaande generieke maatregelen op de gebieden van onderwijs, arbeidsmarkt en veiligheid effectief worden ingezet. De complexe problematiek van Somaliërs in Nederland vraagt maatwerk van de betrokken overheden. Maatregelen moeten voor iedereen toegankelijk en effectief zijn. Het kabinet ondersteunt gemeenten door via netwerkbijeenkomsten kennis over de positie van Somaliërs in Nederland te ontsluiten en handvatten gericht op een beter bereik van de problematische groep Somaliërs beschikbaar te stellen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de minister inzicht heeft in de exacte aard en omvang van de problematiek. Uit onderzoek van het Trimbos Instituut4 blijkt dat veelvuldig gebruik van Qat het sociale en maatschappelijke leven van de gebruiker kan ontwrichten. Mensen die veelvuldig Qat gebruiken verslapen zich regelmatig, hebben te weinig energie, tijd en aandacht voor familie en vrienden en een tekort aan geld voor Qat, huishouden en andere zaken. Het gebruik van Qat vindt in Nederland vrijwel alleen plaats onder de Somalische bevolkingsgroep. Er zijn geen landelijke cijfers over de omvang van het gebruik van Qat. Het middel Qat heeft geen sterke verslavende werking, maar bij veelvuldig gebruik is afhankelijkheid mogelijk. In Nederland is bij ongeveer 11% van de Somalische gebruikers sprake van problematisch gebruik. In sommige gemeenten veroorzaakt de handel in Qat overlast. Deze overlast gaat gepaard met verstoring van de openbare orde, zoals samenscholing op straat, parkeeroverlast, intimidatie, geluidsoverlast en vervuiling van de openbare weg (door het uitspugen van de bladeren).

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe deze problematiek zich verhoudt tot andere middelen welke legaal te verkrijgen zijn, zoals alcohol en tabak. Deze vraag is moeilijk te beantwoorden, aangezien het gebruik van alcohol taboe is binnen de Somalische bevolkingsgroep, gelet op de geloofsovertuiging van de meeste Somaliërs. Het is echter aannemelijk dat combinatiegebruik (van Qat en alcohol) voorkomt onder problematische gebruikers. Hoeveel mensen dit betreft is niet bekend. In meer algemene zin is de problematiek die gepaard gaat met Qat niet te vergelijken met de problematiek die gepaard gaat met alcohol en tabak, omdat dit middelen zijn die door alle lagen van de bevolking worden gebruikt, zowel binnen Nederland als binnen de EU. Qat daarentegen is verboden in de meeste ons omringende landen en beperkt zich tot een enkele bevolkingsgroep.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de minister stil heeft gestaan bij het feit dat het verbieden van Qat het risico in zich draagt dat gebruikers naar gevaarlijkere alternatieven gaan zoeken. Het verbieden van Qat zou in sommige gevallen kunnen leiden tot substitutie, maar het is de verwachting dat de meeste gebruikers van Qat niet zullen overschakelen op andere middelen, omdat onder de meeste Somaliërs het gebruik van alcohol en drugs taboe is, gelet op hun geloofsovertuiging.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of deze maatregel er niet toe zal leiden dat de handel in en verkoop van Qat in het zwarte circuit terecht zal komen waardoor de problematiek juist zal verergeren. Gevolg van het onder de Opiumwet brengen van Qat is dat de handel in en de verkoop van Qat strafbaar worden. Mogelijk zal enige mate van illegale handel en verkoop plaatsvinden nadat het verbod in werking is getreden. Hiertegen zal binnen de door het OM gegeven kaders worden opgetreden.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de minister heeft gedacht aan andere oplossingen voor de problematiek die samenhangt met de verkoop en distributie van Qat. Aangezien Qat in vrijwel alle ons omringende landen is verboden, is het voor een effectieve aanpak van de problematiek die samenhangt met de verkoop en distributie van Qat noodzakelijk dat het middel onder de werking van de Opiumwet wordt gebracht.

Door plaatsing van het middel Qat op lijst II van de Opiumwet wordt met name voorkomen dat Qat in Nederland wordt geïmporteerd en verhandeld en dat Qat vanuit Nederland wordt doorgevoerd naar andere landen. Als sprake is van een verbod, zal het middel niet of nauwelijks meer op de Nederlandse markt te verkrijgen zijn en zal de handel in Qat aanzienlijk afnemen, evenals de doorvoer naar andere landen. De verwachting is dat in het verlengde van het verbod de bredere met Qat samenhangende problemen effectiever kunnen worden tegengegaan.

De leden van de fractie van het CDA vragen of de verkoop van Qat zal worden gedoogd, zoals bij cannabis en of, zodra het ontwerpbesluit is vastgesteld, kan worden overgegaan tot het sluiten van de Qat-huizen. Ook vragen deze leden of coffeeshops de verkoop van Qat kunnen overnemen. Het gedoogbeleid geldt alleen voor de verkoop van cannabis in coffeeshops; niet voor andere middelen die op lijst II van de Opiumwet staan. Alle handelingen met Qat zoals omschreven in de Opiumwet worden strafbaar. Op grond van artikel 13b van de Opiumwet kan straks ook worden overgegaan tot het sluiten van panden van waaruit Qat wordt verhandeld.

De leden van de fractie van het CDA vragen of voorbereidende handelingen gewoon nog toegestaan zijn na plaatsing op lijst II van de Opiumwet en waar de grens ligt als het gaat om het telen «voor eigen gebruik». Ook vragen deze leden of de minister een grote toename verwacht van thuis telen als gevolg van inperking van de invoer vanuit het buitenland en het sluiten van Qat-huizen. Gelet op de voorgenomen wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt zullen straks alle voorbereidingshandelingen met betrekking tot middelen die op lijst II van de Opiumwet staan niet meer zijn toegestaan. Dit zal ook gelden voor Qat. Naar verwachting zal van thuis telen van Qat geen sprake zijn, mede gelet op de specifieke omstandigheden die nodig zijn om de plant Catha Edulis Forsk te verbouwen. Deze plant kan alleen gedijen op een bepaalde ondergrond en onder bepaalde omstandigheden. Deze condities zijn niet aanwezig in Nederland. Mocht blijken dat Qat toch in kassen verbouwd wordt, dan kan dat door de handhavende instanties met de bestaande instrumenten worden aangepakt.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de minister het verbod gaat handhaven. Het Openbaar Ministerie is bezig een handhavingslijn voor Qat op te stellen. De handel in Qat zal in voorkomende gevallen niet alleen strafrechtelijk, maar ook bestuurlijk kunnen worden aangepakt, op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

De leden van de fractie van het CDA vragen wat de minister eraan gaat doen om de kennis, die onder professionals met een Somalische afkomst wel aanwezig is, te verspreiden. Via netwerkbijeenkomsten wordt de kennis over de positie van Somaliërs in Nederland ontsloten en wordt gemeenten en andere relevante instellingen informatie aangereikt hoe de groep Somaliërs die te maken heeft met deze problematiek het beste kan worden bereikt.

Tenslotte vragen de leden van de fractie van het CDA op welke manier de minister wil communiceren richting de Somalisch(-Nederlandse) gemeenschap dat Qat op lijst II van de Opiumwet is geplaatst. In principe is het zo dat met plaatsing in het Staatsblad iedere inwoner van Nederland geacht wordt op de hoogte te zijn van een wijziging van de Opiumwet, maar in deze specifieke situatie zal aan gemeenten met een Somalisch(-Nederlandse) gemeenschap worden gevraagd extra aandacht te besteden aan het verbod.

De leden van de fractie van de SP vragen of met een verbod op Qat naar verwachting ieder gebruik van de baan zal zijn. Door plaatsing van het middel Qat op lijst II van de Opiumwet wordt voorkomen dat Qat in Nederland wordt geïmporteerd en wordt verhandeld. Als het middel niet of nauwelijks meer op de Nederlandse markt te verkrijgen is, zal het gebruik vanzelf significant dalen.

De leden van de fractie van de SP vragen of er ongewenste neveneffecten te verwachten zijn van een verbod op Qat, zo ja, welke dit zijn en of de minister bereid is dit te onderzoeken. Het verbieden van Qat zou in sommige gevallen kunnen leiden tot substitutie, maar het is de verwachting dat de meeste gebruikers van Qat niet zullen overschakelen op andere middelen, omdat onder de meeste Somaliërs het gebruik van alcohol en drugs taboe is, gelet op hun geloofsovertuiging.

De leden van de fractie van de SP vragen of de minister bereid is een uitgebreidere toelichting te geven op nut, noodzaak en vooral ook op de te verwachten effecten van het verbod op Qat. Hiervoor wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het Ontwerpbesluit houdende wijziging van lijst II, behorende bij de Opiumwet, in verband met plaatsing op deze lijst van het middel Qat. In deze toelichting is uitvoerig ingegaan op de schade voor de gezondheid en op de sociale en maatschappelijke schade die samenhangt met Qat, zowel nationaal als internationaal. Het verbod op Qat dient te worden gezien als een bijdrage aan de oplossing van overlast en maatschappelijke problemen die samenhangen met het gebruik van en de handel in Qat. Met het ontwerpbesluit is tevens uitvoering gegeven aan de door de meerderheid van de Tweede Kamer gesteunde motie van 17 november 2011 van de leden Sterk en Van Nieuwenhuizen-Wijbenga over een verbod op Qat.5

De leden van de fractie van D66 vragen uit welk onderzoek blijkt dat slechts 11% van de gebruikers van Qat als probleemgebruiker kan worden getypeerd. Dit blijkt uit onderzoek van het Trimbos Instituut.4

De leden van de fractie van D66 vragen of de minister verwacht dat het voorgenomen verbod op Qat tot vermindering van de omvang van het gebruik van Qat zal leiden en op welke wetenschappelijke evidentie deze verwachting is gebaseerd. In datzelfde kader vragen deze leden zich af waar de minister deze verwachting op heeft gebaseerd, als deze verwachting niet op wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd en of de minister dit afdoende basis acht om beleid op te maken. Door plaatsing van het middel Qat op lijst II van de Opiumwet wordt voorkomen dat Qat in Nederland wordt geïmporteerd en wordt verhandeld. Als het middel niet of nauwelijks meer op de Nederlandse markt te verkrijgen is, zal het gebruik vanzelf significant dalen. Doel van het plaatsen van Qat op lijst II van de Opiumwet is juist de vermindering van de omvang van het gebruik. Dit doel zal voor groot deel worden bereikt door een sterk verminderde beschikbaarheid.

De leden van de fractie van D66 vragen wat de verwachtingen van de minister zijn ten aanzien van de effecten van een Qat-verbod op het gebruik van andere legale en illegale drugs en of de minister de verwachting deelt dat het gebruik van andere verslavende middelen, zoals alcohol en drugs zal toenemen. Het verbieden van Qat zou in sommige gevallen kunnen leiden tot substitutie, maar het is de verwachting dat de meeste gebruikers van Qat niet zullen overschakelen op andere middelen, omdat onder de meeste Somaliërs het gebruik van alcohol en drugs taboe is, gelet op hun geloofsovertuiging.

De leden van de fractie van D66 vragen of de minister de inschatting deelt dat grotere risico’s verbonden zijn aan het gebruik van andere legale en illegale drugs dan aan het huidige gebruik van Qat en of de minister de mening deelt dat het gebruik van sommige middelen gevaarlijker is dan Qat. Deze mening deel ik. Er zijn andere en meer gevaarlijke middelen beschikbaar. Daarom wordt Qat ook op lijst II van de Opiumwet geplaatst en niet op lijst I van de Opiumwet. Het feit dat er andere en meer gevaarlijke middelen beschikbaar zijn, doet echter niets af aan het voornemen het middel Qat op lijst II van de Opiumwet te plaatsen.

De leden van de fractie van D66 vragen of de minister bereid is een nulmeting uit te voeren naar het gebruik van drugs en andere verslavende middelen, zodat over een aantal jaar een realistische inschatting kan worden gemaakt van de effecten van het voorgestelde verbod op Qat. Deze nulmeting bestaat nu al. Uit onderzoek van het Trimbos Instituut uit 2012 komt naar voren dat het gebruik van Qat binnen Nederland vrijwel alleen plaats vindt onder de Somalische bevolkingsgroep. Bij ongeveer 11% van de gebruikers is sprake van problematisch gebruik. Over een aantal jaar kan aan de hand van nieuw onderzoek worden bepaald of het verbod op Qat het beoogde effect heeft gehad.

De leden van de fractie van D66 vragen of de minister de mening deelt dat bewust het risico wordt aanvaard dat door het verbieden van Qat de overheid de controle op kwaliteit en voorlichting over gebruik kwijtraakt en op welke wijze de minister dit probleem gaat ondervangen. Deze mening deel ik niet. Het betreft hier een product dat vers wordt verscheept en binnen enkele dagen moet worden gebruikt. Door plaatsing van het middel Qat op lijst II van de Opiumwet wordt straks voorkomen dat Qat in Nederland wordt geïmporteerd en wordt verhandeld. Controle op de kwaliteit is dan niet meer aan de orde. Ook als Qat straks een Opiumwetmiddel is, kan nog steeds voorlichting worden gegeven over de schadelijkheid van het gebruik van dit middel.

De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel extra politiecapaciteit beschikbaar zal worden gesteld voor het handhaven van het verbod op Qat. Ook vragen deze leden of de minister de mening deelt dat er reeds relatief veel politiecapaciteit wordt ingezet voor de opsporing en vervolging van drugscriminaliteit. Zoals onder meer uit de Nationale Drugs Monitor 2011 blijkt, vormt drugscriminaliteit een aanzienlijk deel van de totale criminaliteit. De politiecapaciteit die wordt ingezet voor opsporing en vervolging van drugscriminaliteit is daarmee in verhouding. Als sprake is van een verbod van Qat, zal het middel niet of nauwelijks meer op de Nederlandse markt te verkrijgen zijn en zal de handel in Qat aanzienlijk afnemen, evenals de doorvoer naar andere landen. Het beschikbaar stellen van extra politiecapaciteit specifiek voor het verbod op Qat acht ik dan ook niet noodzakelijk. De handhaving van het verbod op Qat zal in de brede opsporing en vervolging van drugscriminaliteit kunnen worden meegenomen.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe de minister de criminaliteit onder verkopers van Qat beoordeelt op dit moment. Deze vraag is niet aan de orde, nu met de plaatsing van Qat op lijst II van de Opiumwet de verkoop van Qat pas een strafbaar feit wordt.

De leden van de fractie van D66 vragen of de minister de mening deelt dat het «Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs» (CAM) bij drugsbeleid het belangrijkste adviesorgaan is. Het CAM is inderdaad een belangrijkste adviesorgaan voor het Kabinet daar waar het de beoordeling van de schadelijkheid van middelen betreft. voor wat betreft de assesment en monitoring van nieuwe drugs.

De leden van de fractie van D66 vragen naar de reactie van de minister op het CAM-advies uit 2007 dat stelt dat er geen aanleiding is om het gebruik van Qat te verbieden, omdat het een risico voor de gezondheid van de gebruiker gering is en het de Nederlandse samenleving geen noemenswaardig risico oplevert en of de minister kan toelichten waarom het CAM-advies niet wordt gevolgd. De expertcommissie lijstensystematiek Opiumwet (commissie Garretsen) adviseerde in juni 2011 in het rapport «Drugs in lijsten» het CAM te vragen een nieuwe risicobeoordeling voor Qat uit te voeren, waarbij expliciet aandacht zou worden besteed aan de sociale en maatschappelijke schade en in het bijzonder aan de internationale context. Het eerdere advies van het CAM dateerde uit 2007. Nederland is sindsdien steeds meer gaan fungeren als doorvoerpunt van Qat voor andere landen. Ook vanuit de Somalische gemeenschap kwam het verzoek Qat op een van de lijsten van de Opiumwet te plaatsen, onder andere vanwege de slechte sociale omstandigheden waarin de meeste Somaliërs zich bevinden. Aangezien er aanwijzingen waren van een toename van problemen rond het gebruik van en de handel in Qat bij bepaalde groepen migranten, meer in het bijzonder de Somalische gemeenschap, was dit voor het kabinet aanleiding om te bezien of Qat op de lijst van verboden middelen moest worden geplaatst. In het najaar van 2011 is in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderzoek gedaan naar de situatie binnen de Somalische gemeenschap. In dat onderzoek is toen ook het gebruik van en de handel in Qat meegenomen. Op grond van de resultaten van dit onderzoek heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport besloten het middel Qat op lijst II van de Opiumwet te plaatsen in verband met de aan het gebruik van Qat verbonden schade voor de gezondheid en voor de samenleving.

De leden van de fractie van D66 vragen wat de reactie van de minister is op de stelling dat gebruikers van Qat op zoek zullen gaan naar andere middelen. Het verbieden van Qat zou in sommige gevallen kunnen leiden tot substitutie, maar het is de verwachting dat de meeste gebruikers van Qat niet zullen overschakelen op andere middelen, omdat onder de meeste Somaliërs het gebruik van alcohol en drugs taboe is, gelet op hun geloofsovertuiging.

De leden van de fractie van D66 vragen of de minister met instanties en organisaties, zoals het Trimbos Instituut, de Wereld Gezondheidsorganisatie en het Transnational Institute, heeft gesproken ten behoeve van de afweging Qat al dan niet te verbieden en of de minister bereid is alsnog in overleg te treden met genoemde instanties en organisaties. Het Trimbos Instituut heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van Qat onder Somaliërs. De resultaten van dit onderzoek zijn meegenomen in de onderbouwing van het ontwerpbesluit.6 De andere genoemde organisaties zijn niet specifiek geconsulteerd over het voornemen Qat op lijst II van de Opiumwet te plaatsen. Daar zie ik ook geen reden toe.

De leden van de fractie van D66 vragen of de minister de verschillende aannames kan kwantificeren en met wetenschappelijk onderzoek kan onderbouwen. Het Trimbos Instituut heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van Qat onder Somaliërs. De resultaten van dit onderzoek zijn meegenomen in de onderbouwing van het ontwerpbesluit.6

De leden van de fractie van D66 constateren dat het bij overlast rond het gebruik en de verkoop van Qat slechts om incidenten op lokaal niveau gaat en dat er geen sprake is van georganiseerde misdaad en vragen of de minister het oordeel op dit punt deelt. De overlast rond het gebruik en de verkoop van Qat manifesteert zich vooral op lokaal niveau. Juist daarom hebben burgemeesters van verschillende gemeenten die te maken hebben met deze problematiek het kabinet verzocht het middel Qat onder de Opiumwet te brengen. De vraag met betrekking tot de omvang van georganiseerde misdaad is niet aan de orde, aangezien de verkoop en handel in Qat op dit moment nog niet strafbaar is.

De leden van de fractie van D66 vragen of de minister de conclusie van het CAM deelt dat Qat geen noemenswaardig risico oplevert voor de Nederlandse samenleving. De afgelopen tien jaar is de invoer van Qat naar Nederland sterk gestegen: van ongeveer 3 600 kilo in 2000 naar 8 500 kilo in 2010. Het is bekend dat een deel van deze invoer bestemd is voor doorvoer naar andere Europese landen, waar Qat wel verboden is. Dat vormt een strafbaar feit, waar Nederland door andere landen (Zweden, Duitsland) verschillende malen formeel en informeel op is aangesproken. Voorkomen moet worden dat Nederland een draaischijf wordt van illegale handel. Dat is schadelijk voor onze reputatie. Door Qat te verbieden komt de uitzonderingspositie binnen Europa die Nederland samen met het VK heeft ten aanzien van Qat te vervallen.

De leden van de fractie van D66 vrezen dat een verbod op Qat zal leiden tot criminalisering van de handel en stigmatisering van de Somalische gebruikers en zij vragen of de minister deze mening deelt. De vrees dat een verbod op Qat zal leiden tot stigmatisering van Somalische gebruikers wordt niet gedeeld. Uitgangspunt van het verbod is nu juist om de handel in Qat en de daarmee gepaard gaande overlast tegen te gaan.

De leden van de fractie van D66 vragen of de minister bereid is de mogelijkheid van het gebruik van APV’s ter bestrijding van aan Qat gerelateerde overlast bij gemeenten onder de aandacht te brengen. Daartoe ben ik niet bereid. Burgemeesters van verschillende gemeenten die te maken hebben met deze problematiek hebben het kabinet juist verzocht het middel Qat onder de Opiumwet te brengen. Nu is gekozen voor het plaatsen van het middel Qat op lijst II van de Opiumwet is er geen ruimte meer voor het opnemen van een verbodsbepaling in de APV.

De leden van de fractie van D66 vragen of de minister bereid is een wettelijke leeftijdsgrens voor het kopen van Qat in te stellen, zoals die ook voor sigaretten en alcohol geldt. Daartoe ben ik niet bereid. Door het plaatsen van het middel Qat op lijst II van de Opiumwet is het instellen van een wettelijke leeftijdsgrens niet meer aan de orde.

De leden van de fractie van D66 vragen in welke mate er op dit moment regelgeving is dan wel eisen zijn op het gebied van voorlichting bij de verkoop van Qat en of de minister mogelijkheden ziet om deze voorlichting aan te scherpen of te verbeteren. Regelgeving op het gebied van voorlichting bij de verkoop van Qat heeft nooit bestaan. Ook als Qat straks een Opiumwetmiddel is, kan nog steeds voorlichting worden gegeven over de schadelijkheid van het gebruik van dit middel.

De leden van de fractie van D66 vragen of de minister wil inzetten op een verbetering van de verslavingszorg voor Nederlanders van Somalische herkomst en Somaliërs. Gebruikers van Qat kunnen zich melden bij de reguliere instellingen voor verslavingszorg. Er is geen specifiek protocol beschikbaar voor het tegengaan van een verslaving aan Qat, omdat de symptomen bij problematisch gebruik van Qat vergelijkbaar zijn met andere middelen, waardoor reeds een passende behandeling voorhanden is.

De leden van de fractie van D66 vragen of de minister kan toelichten welk beleid andere Europese landen ten aanzien van Qat hebben en of de minister kan aangeven in welke landen binnen de EU het gebruik en de import van Qat strafbaar is. Ook vragen deze leden of de minister daarbij duidelijk kan maken of in deze landen het gebruik van Qat gestopt is of aantoonbaar lager ligt en welke wetenschappelijke onderzoeken daarop wijzen. In vrijwel alle ons omringende landen is het middel Qat inmiddels verboden (alleen in het VK niet) en in meer dan de helft van alle landen binnen de EU is de import van Qat strafbaar gesteld. Mij zijn geen onderzoeken bekend waaruit een direct verband blijkt tussen een daling of stijging van het gebruik van Qat in relatie tot het al dan niet verbieden van dit middel.


X Noot
1

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2009), Ranking van drugs, een vergelijking van de schadelijkheid van drugs. Den Haag: RIVM.

X Noot
2

Uit onderzoek binnen focusgroepen bestaande uit Somalische vrouwen komt naar voren dat er veel zorgen bestaan over de toename van moeders die qat gebruiken en gevolgen voor de opvoeding van kinderen. Er is geen onderzoek gedaan naar de omvang en aard van deze problematiek.

X Noot
4

Factsheet «Qatgebruik onder Somaliërs in Nederland», Trimbos Instituut, maart 2012.

X Noot
5

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 VII, nr. 91.

X Noot
6

Factsheet «Qatgebruik onder Somaliërs in Nederland», Trimbos Instituut, maart 2012.