Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333204 nr. 21

33 204 Wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Wet maatschappelijke ondersteuning in verband met invoering van een vermogensinkomensbijtelling voor de vaststelling van de eigen bijdragen voor zorg of voorzieningen op grond van die wetten

Nr. 21 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 januari 2013

Gelijktijdig met deze brief verzend ik de antwoorden op de door uw Kamer gestelde vragen over de vermogensinkomensbijtelling. Deze bijtelling is onderdeel van het Regeer- en gedoogakkoord Rutte I en het Begrotingsakkoord, vervolgens met algemene stemmen aangenomen en per 1 januari 2013 ingegaan. Het is wellicht goed een aantal aspecten van de vermogensinkomensbijtelling nader te verduidelijken.

Ik constateer dat deze bijtelling de nodige vragen heeft opgeroepen. Sommige mensen worden geconfronteerd met forse stijgingen in de eigen bijdrage voor de AWBZ en/of de Wmo die zij met ingang van dit jaar moeten betalen. Deze stijgingen worden veelal veroorzaakt door de genoemde vermogensinkomensbijtelling die sinds 1 januari van kracht is. Hierdoor telt niet alleen de hoogte van het inkomen mee voor de hoogte van de eigen bijdrage, maar ook een deel van het vermogen. Op deze manier wordt niet alleen een eigen bijdrage gevraagd van mensen met een relatief hoog inkomen, maar ook van mensen met een lager inkomen, die wel over vermogen beschikken. Dit vermogen telt nu gedeeltelijk (8% van het vermogen) mee bij de berekening van de hoogte van de eigen bijdrage.

Mensen met zowel een relatief hoog inkomen als een relatief hoog vermogen betaalden veelal al een hoge of zelfs de maximale eigen bijdrage. Voor hen zal er weinig veranderen. Mensen met een lager inkomen die wel over een eigen vermogen beschikken, betalen vanaf 1 januari jl. een hogere eigen bijdrage. Ik kan mij voorstellen dat mensen in een aantal gevallen zijn geschrokken en onaangenaam zijn getroffen door deze verhoging. Dat laat onverlet dat er bewust voor gekozen is om, naast het inkomen ook het vermogen te betrekken bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage aan de kosten van de zorg.

Bij de maatregel uit het Begrotingsakkoord geldt echter wel een aantal randvoorwaarden, waarvan ik de belangrijkste hier wil noemen. Allereerst geldt dat de eigen bijdrage mee beweegt met de hoogte van inkomen en vermogen. Dus bijvoorbeeld in geval van een daling in het pensioeninkomen daalt de eigen bijdrage mee. Uitgangspunt zijn inkomen en vermogen in het jaar T-2. Bij een forse recente inkomens- of vermogensdaling kan een peiljaarverlegging worden aangevraagd, zodat de eigen bijdrage op het recente lagere inkomen dan wel vermogen wordt gebaseerd.

Daarnaast geldt dat de eigen bijdrage voor intramurale zorg altijd gemaximeerd is. Niemand betaalt per maand meer dan € 2189,20 als hoge intramurale eigen bijdrage en € 797,80 als lage intramurale eigen bijdrage. De eigen bijdrage voor extramurale zorg is niet gemaximeerd omdat deze in het algemeen veel lager is.

Daarnaast gelden vrijstellingen. Er is aangesloten bij de geldende fiscale regels waardoor voor iedereen een vrijstelling geldt van € 21.139 per persoon (dubbele voor fiscale partners). Afhankelijk van de hoogte van het inkomen kan deze vrijstelling voor pensioengerechtigden oplopen tot € 49.123 per persoon (extra vrijstelling van maximaal € 27.984 per persoon). Vermogen tot aan deze bedragen wordt niet meegenomen bij de bepaling van de hoogte van de eigen bijdrage.

Het komt voor dat mensen wel over vermogen beschikken maar dat dit vermogen niet liquide is, bijvoorbeeld omdat de voormalige eigen woning alsmaar niet verkocht wordt of doordat het vermogen langdurend is vastgezet. Voor de eigen woning geldt dat volgens de fiscale regels de «eigen woning» pas twee jaar na opname in een instelling niet langer als eigen woning wordt beschouwd. Vervolgens geldt dat die voormalige eigen woning pas twee jaar later in beeld komt als vermogen dat gedeeltelijk meetelt voor de eigen bijdrage, aangezien de eigen bijdrage wordt gebaseerd op het inkomen en het vermogen in het jaar T-2. Is de woning op dat moment nog niet verkocht dan kan iemand nog een jaar de lage eigen bijdrage betalen en naderhand het verschil voldoen (betalingsregeling CAK). Een voorbeeldcasus is opgenomen in de beantwoording van de vragen van mw. Leijten (SP).

Overigens geldt dat zolang de (fiscaal) partner nog in de woning verblijft, de woning niet meetelt in het desbetreffende vermogen en dus ook niet voor de hoogte van de eigen bijdrage.

Desondanks kunnen zich rond de eigen woning en ook bij ander niet-liquide vermogen concrete knelpunten voordoen. Het CAK kan maatwerk bieden zodat waar nodig passende betalingsregelingen kunnen worden getroffen.

De laatste dagen komen onder andere vanuit de ANBO signalen over onjuiste beschikkingen van het CAK. Ik wil u informeren dat er inderdaad een aantal onjuiste beschikkingen is verstuurd. Afgelopen vrijdag heeft het CAK mij laten weten dat het CAK aan een kleine 4000 van de in totaal ca. 250.000 mensen in eerste instantie een beschikking heeft gestuurd voor intramurale zorg die gebaseerd was op onjuiste informatie. Deze mensen hebben afgelopen week een gecorrigeerde beschikking ontvangen (binnen twee weken nadat de onjuiste beschikking was verstuurd). Voor deze groep mensen is abusievelijk een dubbele grondslag (voor cliënt en de partner) gehanteerd als gevolg waarvan deze mensen te hoog werden aangeslagen.

Het CAK is in overleg getreden met de ANBO. Daarbij zijn diverse voorbeelden doorgerekend. Er zijn, behalve bovengenoemde, geen fouten in de eigen bijdrage berekening door het CAK naar voren gekomen.

Naar aanleiding van de vele vragen over de vermogensinkomensbijtelling heeft het CAK de capaciteit van onder andere de klantenservice vergroot om mensen zo goed mogelijk te kunnen informeren.

Tot slot, de Kamer heeft destijds naar aanleiding van het Begrotingsakkoord bewust voor de onderhavige regeling gekozen. Veel fracties stellen nu vragen naar aanleiding van de consequenties van de uitvoering van deze regeling. In de toegestuurde antwoorden ga ik daar op in. Ik acht het zuiver eerst met de Kamer in overleg te treden over de vraag welke gevolgen kennelijk door de Kamer ongewenst worden geacht.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn