Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201833199 nr. 26

33 199 Beleidsdoorlichting Justitie en Veiligheid

Nr. 26 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR RECHTSBESCHERMING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 juli 2018

Hierbij bied ik u het eindrapport aan van de beleidsdoorlichting justitiële jeugdsancties (artikel 34.5 Rijksbegroting)1. In deze brief geef ik mijn reactie.

Deze beleidsdoorlichting gaat over het beleid ten aanzien van de justitiële jeugdsancties in de periode 2010 tot en met 2015. Met deze doorlichting wordt invulling gegeven aan de verplichting in de Comptabiliteitswet (en nader uitgewerkt in de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek) om beleidsartikelen uit de Rijksbegroting minimaal eens per zeven jaar te evalueren.

Uitkomsten

Allereerst dank ik de auteurs voor hun waardevolle en heldere rapportage. De beleidsdoorlichting geeft een goed overzicht van wat de afgelopen periode is bereikt. De jeugdcriminaliteit is gedaald en ook de recidive onder jeugdigen is afgenomen. De persoonsgerichte aanpak van de dader is in de sanctietoepassing en de tenuitvoerlegging nog meer centraal komen te staan. Het adolescentenstrafrecht is ingevoerd waardoor een beter passende sanctie opgelegd kan worden aan jongeren in de leeftijd van 16 tot 23 jaar. Daarnaast is er verder geïnvesteerd in een gerichte screening en risicotaxatie van jeugdigen (het Landelijk instrumentarium Jeugdstrafrechtketen), het inzetten van erkende strafrechtelijke gedragsinterventies, passende nazorg en samenwerking tussen ketenpartners.

Het beleid is – naast de doelstellingen adequate opvoeding en behandeling, maatschappijbeveiliging en vergelding – in hoofdzaak gericht op het terugdringen van recidive onder jongeren. Voor wat betreft het terugdringen van recidive concluderen de onderzoekers dat de doelstelling om in 2010 een reductie te realiseren van 10%-punt weliswaar is behaald, maar wel twee jaar later dan oorspronkelijk beoogd. Voor de periode daarna is eveneens een daling gerealiseerd. De auteurs achten het op basis van wetenschappelijk onderzoek aannemelijk dat de daling van de recidive mede is veroorzaakt door het gevoerde beleid. Uit onderzoek blijkt ook dat er in deze periode sprake is van een toename in beleidsprogramma’s en maatregelen gericht op verbeterde samenwerking tussen instanties om recidive verder terug te dringen en vooral ook van een toename in de kwaliteit van de implementatie en de impact van het beleid.

Tegelijkertijd wordt in de beleidsdoorlichting geconstateerd dat het deels ontbreekt aan concrete en kwantificeerbare beleidsdoelstellingen. Hierdoor is niet altijd vast te stellen of de doelstellingen van het beleid zijn bereikt en ook niet of het beleid doelmatig is uitgevoerd. De aanbevelingen uit het eindrapport gaan in op deze punten. Zo wordt onder andere aanbevolen om bij nieuw beleid altijd een kwantitatieve doelstelling vast te stellen, daarbij aan te geven wanneer het doel bereikt moet zijn en met welke middelen de doelstelling moet worden behaald. Het is bovendien van belang deze doelstellingen te voorzien van goede monitoring en evaluatie.

Onafhankelijke experts

Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek zijn onafhankelijke experts betrokken bij de uitvoering van de beleidsdoorlichting. Als bijlage bij het rapport treft u het oordeel aan van prof. dr. G. Stams (UvA) en mw. dr. P. Hurks (Universiteit Maastricht). De onderzoekers onderschrijven grotendeels de conclusies. Echter, zij vragen zich af of de daling van de jeugdcriminaliteit met zo veel zekerheid toegeschreven kan worden aan het beleid. Zij zien liever dat er gesproken wordt over een «mogelijke» relatie in plaats van een «aannemelijke» (causale) relatie en wijzen hierbij op mogelijke alternatieve verklaringen zoals registratie-effecten en de opkomst van het internet en de mate van bereidwilligheid van de politie om kleine criminaliteit onder jeugdigen aan te pakken. Met de onderzoekers stel ik vast dat dergelijke ontwikkelingen de uitkomsten van beleid hebben kunnen beïnvloeden. Het zal altijd lastig blijven om met honderd procent zekerheid een causale relatie vast te stellen.

Reactie op de beleidsdoorlichting

Ik vind, met de auteurs, concrete en meetbare doelstellingen van groot belang. Niet alleen om later te kunnen vaststellen of het beleid heeft gewerkt, maar ook om een duidelijke ambitie te stellen die richting geeft aan samenwerking binnen de jeugdstrafrechtketen en die bovendien nodig is om resultaten te boeken. Binnen het verkenningstraject invulling vrijheidsbeneming justitiële jeugd (VIV JJ) zijn concrete doelen benoemd en zijn de experimenten uitgebreid gemonitord. In het beleidsadvies VIV JJ, dat u voor het zomerreces 2018 ontvangt, ga ik in op de wijze van monitoring van de voortgang.

In het algemeen overleg justitiële jeugd van 5 april jl. (Kamerstuk 28 741, nr. 50) heb ik toegezegd in het najaar een brede brief aan de Tweede Kamer te sturen waarin ik, in samenhang, inga de op de jeugdstrafrechtketen en aanpak van jeugdcriminaliteit. Hierin zal ik ook ingaan op het monitoren van de voortgang zodat de effectiviteit van jeugdsancties meetbaar is. Onderdeel hiervan zal tevens zijn een analyse van waar we nu staan met onze aanpak van de jeugdcriminaliteit, welke zaken beter kunnen en moeten en een heldere richting en ambitie voor de komende periode. In deze brief zal ik eveneens inzichtelijk maken op welke wijze ik invulling geef aan de ambitie uit het regeerakkoord (bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) om de doelmatigheid en doeltreffendheid van jeugdsancties verder te verhogen. Deze beleidsdoorlichting vormt hiervoor waardevolle input.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.