Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333182 nr. 12

33 182 Wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten in verband met versterking van het bestuur bij pensioenfondsen en enige andere wijzigingen (Wet versterking bestuur pensioenfondsen)

Nr. 12 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 27 december 2012

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

In artikel I, onderdeel D, wordt na artikel 106 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 106a. Tijdsbeslag

Bestuurders en leden van de raad van toezicht van een pensioenfonds hebben voldoende tijd beschikbaar om hun functie naar behoren uit te oefenen. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld. De artikelen 132a, 142a, 242a, 252a, 297a en 297b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing.

2

In artikel II, onderdeel C, wordt na artikel 110c een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 110ca. Tijdsbeslag

Bestuurders en leden van de raad van toezicht van een beroepspensioenfonds hebben voldoende tijd beschikbaar om hun functie naar behoren uit te oefenen. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld. De artikelen 132a, 142a, 242a, 252a, 297a en 297b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing.

3

In artikel V wordt na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

Na artikel 105 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 105a. Tijdsbeslag

Bestuurders en leden van de raad van toezicht van een pensioenfonds hebben voldoende tijd beschikbaar om hun functie naar behoren uit te oefenen. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld. De artikelen 132a, 142a, 242a, 252a, 297a en 297b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing.

4

Artikel VI wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de wijziging van artikel 110 wordt ingevoegd:

De Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

2. In onderdeel A (nieuw) wordt «Artikel 110 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling» vervangen door: Artikel 110.

3. Na onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

B

Na artikel 110 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 110a. Tijdsbeslag

Bestuurders en leden van de raad van toezicht van een beroepspensioenfonds hebben voldoende tijd beschikbaar om hun functie naar behoren uit te oefenen. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld. De artikelen 132a, 142a, 242a, 252a, 297a en 297b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing.

5

Na artikel VI worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

ARTIKEL VIA

Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan de artikelen 132a, tweede lid, 142a, tweede lid, 242a, tweede lid, en 252a, tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

f. telt de benoeming bij een klein fonds als bedoeld in de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 105a van de Pensioenwet en artikel 110a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling als een halve benoeming.

B

Aan de artikelen 297a, derde lid, en 297b, tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

e. telt de benoeming bij een klein fonds als bedoeld in de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 105a van de Pensioenwet en artikel 110a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling als een halve benoeming.

ARTIKEL VIB

Indien artikel I, onderdeel D, en artikel II, onderdeel C, in werking treden, wordt in de artikelen 132a, tweede lid, onderdeel f, 142a, tweede lid, onderdeel f, 242a, tweede lid, onderdeel f, 252a, tweede lid, onderdeel f, 297a, derde lid, onderdeel e, en 297b, tweede lid, onderdeel e, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek «artikel 105a» vervangen door «artikel 106a» en wordt «artikel 110a» vervangen door: artikel 110ca.

Toelichting

Bestuurders en leden van de raad van toezicht moeten voldoende tijd beschikbaar hebben om hun functie naar behoren uit te oefenen.

In de Wet van 6 juni 2011 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen (Stb. 275) is een regeling opgenomen op grond waarvan bestuurders dan wel toezichthouders bij «grote» ondernemingen een beperkt aantal toezichthoudende functies mogen uitoefenen. Doel daarvan is dat er geen old boys network ontstaat, de kwaliteit van bestuur en toezicht gewaarborgd wordt en belangenverstrengeling wordt voorkomen.

Deze zaken zijn eveneens van groot belang voor de pensioensector. Tegelijkertijd is er sprake van een knelpunt. Vooral voor kleine fondsen kunnen de eisen uit de Wet van 6 juni 2011 onnodig belastend zijn. Toezichthouders voor kleine fondsen hebben veel minder tijd nodig om adequaat toezicht uit te oefenen dan toezichthouders van grote fondsen en andere instellingen. Voor toezichthouders van kleine fondsen is het daarom juist een voordeel als zij de ervaring die zij opdoen op andere plekken kunnen inzetten bij het fonds. Daarnaast vallen bestuurders van fondsen niet onder de Wet van 6 juni 2011. Dat terwijl het ook voor hen van belang is voldoende tijd te hebben voor hun bestuursfunctie. Om deze twee redenen is een op de pensioensector gerichte regeling opgenomen. De doelen van de Wet van 6 juni 2011 blijven ook hiervoor het uitgangspunt: mensen moeten voldoende tijd hebben om hun functie adequaat te vervullen en het ontstaan van een old boys network en belangenverstrengeling moet worden tegengegaan. Het is de bedoeling dat het totale tijdsbeslag van een combinatie van bestuurs- en toezichtsfuncties niet hoger is dan 1 voltijd equivalent. In de algemene maatregel van bestuur wordt daartoe een weging van het tijdsbeslag van deze functies bij grote en kleine fondsen en bij grote ondernemingen opgenomen.

De bijzondere regeling in de pensioenwetgeving zal gelden voor bestuurders en leden van de raad van toezicht. Onder bestuurders wordt ook verstaan de niet uitvoerende bestuurders bij een pensioenfonds met een bestuur waarbij de bestuurstaken worden verdeeld tussen uitvoerende en niet uitvoerende bestuurders. Op dit punt wordt afgeweken van het Burgerlijk Wetboek, dat niet uitvoerende bestuurders gelijkstelt met toezichthouders.

De regeling voor kleine pensioenfondsen zal ook doorwerken naar de regeling in het Burgerlijk Wetboek waar geregeld wordt dat een toezichthoudende functie in de zin van het Burgerlijk Wetboek bij een klein pensioenfonds voor de bepaling van het aantal toegestane toezichthoudende functies meetelt als een halve benoeming. Deze bepaling is relevant bij de benoeming bij een rechtspersoon van een bestuurder of toezichthouder die daarnaast onder meer een toezichthoudende functie bij een klein pensioenfonds heeft. Voor de vraag wat een klein pensioenfonds is wordt verwezen naar de algemene maatregel van bestuur die op grond van de artikelen 105a van de Pensioenwet en artikel 110a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling zal worden getroffen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma