Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201533161 nr. 193

33 161 Wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en enige andere wetten gericht op bevordering deelname aan de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidsvermogen en harmonisatie van deze regelingen (Invoeringswet Participatiewet)

Nr. 193 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 10 november 2014

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief van 1 september 2014 over het ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot de werkzaamheden die het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen uitvoert om te beoordelen of een persoon in een beschutte werkomgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (Kamerstuk 33 161, nr. 192).

De vragen en opmerkingen zijn op 30 september 2014 aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 7 november 2014 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Van der Burg

Adjunct-griffier van de commissie, De Ruijter

Inhoudsopgave

 
   

I.

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

 

Vragen van de leden van de VVD-fractie

2

 

Vragen van de leden van de PvdA-fractie

2

 

Vragen van de leden van de SP-fractie

3

 

Vragen van de leden van de D66-fractie

5

     

II.

Antwoord / Reactie van de Staatssecretaris

6

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van het ontwerpbesluit advisering beschut werk. Zij hebben nog enkele vragen en opmerkingen bij dit ontwerp besluit.

De gemeente neemt een besluit over beschut werk en betrekt daarbij het advies van het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV). Van dit advies mag alleen afgeweken worden bij onzorgvuldige totstandkoming van het advies. De gemeente neemt vervolgens een besluit waartegen de betrokkene in bezwaar kan bij de gemeente. Is er in deze bezwaarprocedure ruimte om het advies van het UWV te betwisten of is dat niet mogelijk omdat de gemeente het advies van het UWV niet inhoudelijk mag beoordelen?

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of er voldoende tegemoet wordt gekomen aan het recht van betrokkene om bezwaar aan tekenen tegen een overheidsbesluit indien er in de bezwaar procedure geen ruimte is om het advies van het UWV te betwisten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het Ontwerpbesluit advisering beschut werk. Zij hebben hierover enkele vragen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of gemeenten groepen mensen met een bepaald kenmerk – bijvoorbeeld de hoogte van de loonwaarde – bij voorbaat mogen uitsluiten van (de beoordeling voor) de beschutte werkplekken? Kan een gemeente bijvoorbeeld beslissen om wel beschut werk aan te bieden aan inwoners met een loonwaarde van meer dan 30 procent en niet aan inwoners met een loonwaarde van minder dan 30 procent? Welke ruimte en beperkingen geeft de gemeentelijke verordening waarin de wijze van voorselectie is vastgelegd?

Deelt de Staatssecretaris de mening dat het wel of niet in aanmerking kunnen komen voor een beschutte werkplek niet alleen af zou mogen hangen van de loonwaarde van iemand. Maar dat voor iedereen met zodanige lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen dat een beschutte werkomgeving nodig is, moet worden bekeken of er mogelijkheden zijn om een beschutte werkplek te organiseren?

De leden van de PvdA-fractie hechten zeer aan de bescherming van privacy, onder andere van medische gegevens. Kan de Staatssecretaris aangeven op welke manier de privacy zo veel mogelijk gerespecteerd kan worden, waarbij werkgevers wel de nodige informatie ontvangen voor een goede match? Mag iemand weigeren om het UWV inzage te geven in zijn of haar medisch dossier?

De leden van de PvdA-fractie hebben vragen over het oordeel van de VNG, dat stelt dat de beoordeling van het UWV een «marginale» toets op het voortraject van de gemeenten is, en dat alleen als er aanwijzingen zijn dat een gemeente in het voortraject haar werk niet goed heeft gedaan het UWV een volledige beoordeling zou moeten uitvoeren. Deelt de Staatssecretaris dit oordeel van de VNG?

Kan de Staatssecretaris aangegeven op welke manier voorkomen wordt dat gemeenten niet alle potentiële kandidaten voor beschut werk doorsturen naar het UWV voor een beoordeling? Waarom stelt de Staatssecretaris dat «het college in beginsel enkel personen voor beoordeling zal voordragen voor wie ook daadwerkelijk een beschutte werkplek beschikbaar is»? Op welke manier wordt geborgd dat (het budget voor) de 30.000 beschutte plekken er ook daadwerkelijk komen (komt)? Hoe wordt voorkomen dat gemeenten het budget voor de beschutte plekken gaan inzetten om meer kansrijke werklozen aan het werk te helpen? Is de Staatssecretaris bereid te monitoren of gemeenten de juiste mensen doorsturen naar het UWV en voldoende beschutte plekken gaan organiseren?

Is de Staatssecretaris bereid om samen met gemeenten een business-case te ontwikkelen voor beschut werk, vergelijkbaar met de aangekondigde business-caseontwikkeling met werkgevers over de 125.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking?

De leden van de PvdA-fractie zijn voorstander van zo veel mogelijk gecombineerde beoordelingen van arbeidsgehandicapten door het UWV. Daardoor hoeft de arbeidsgehandicapte niet meerdere keren door UWV gezien te worden voor bijvoorbeeld zowel een aanvraag Wajong 2015, een advies beschut werk als de beoordeling baangarantie. Op welke manier ondersteunt de Staatssecretaris deze integrale benadering?

Kan de Staatssecretaris aangeven of er wachtlijsten voor beschut werk kunnen ontstaan? Zijn er mensen die wachten op plaatsing op een beschutte werkplek en hierdoor tijdelijk een bijstandsuitkering ontvangen, vrijgesteld van de sollicitatie- en re-integratieverplichtingen? Hoe zit het in deze situatie met de partner- en vermogenstoets in de WWB?

In hoeverre verschillen de nieuwe beoordeling voor beschut werk en de huidige sw-indicatiestelling?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

Om een goed beeld te krijgen van het aantal gemeenten waar een voorziening voor beschut werk wordt gerealiseerd, vragen de leden van de SP-fractie de Staatssecretaris om een overzicht van gemeenten te geven waar de gemeenteraad reeds een verordening voor beschut werk heeft vastgesteld. In welke gemeenten wordt een voorziening voor beschut werk gerealiseerd en waar heeft de gemeenteraad er voor gekozen om deze voorziening niet te realiseren? Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel gemeenten er naar verwachting voor kiezen om geen voorziening beschut werk te realiseren? Wat betekent dit volgens de Staatssecretaris voor de 30.000 beschutte werkplekken die zouden worden gerealiseerd? Welke verschillen kunnen ontstaan tussen gemeenten of mensen wel of geen beschutte werkplek krijgen? Hoe valt dit te rechtvaardigen?

Tijdens het debat over de participatiewet1 gaf u aan dat als mensen een beschutte werkplek nodig hebben, ze deze ook daadwerkelijk moeten krijgen. Hoe verhoudt dit zich tot gemeenten die geen voorziening voor beschut werk realiseren? Op welke manier kan het kabinet garanderen dat mensen die gebaat zijn bij een beschutte werkplek, deze ook daadwerkelijk aangeboden krijgen?

Kan de Staatssecretaris aangeven wie in aanmerking komt voor een beschutte werkplek en wie nadrukkelijk niet? Welke relatie bestaat er met de sw-bedrijven en de werkkamers? Kan het kabinet voorbeelden noemen van werkzaamheden zoals genoemd in Artikel 3, onderdeel 1, lid a en b? Bestaat er een terugkeergarantie voor mensen die uitstromen uit beschut werk? Wat zou volgens het kabinet een alternatief voor beschut werk kunnen zijn?

Welke zaken heeft het kabinet in overweging genomen bij het al dan niet in een dienstbetrekking laten werken van mensen. Wat verstaat het kabinet onder «aard en omvang van beschut werk»? Welke kaders gelden hiervoor voor gemeenten? Welke kaders gelden voor de doelgroep? Wanneer is men in staat om wel loonvormende arbeid te verrichten en wanneer niet? Wanneer kan dit in een beschutte werkomgeving en wanneer niet?

Waarom heeft de regering er voor gekozen om gemeenten te laten beoordelen of mensen in aanmerking komen door een beoordeling van het UWV? Welke extra uitvoeringskosten brengt dit met zich mee?

Wat moeten gemeenten doen met een advies van het UWV dat de voorgedragen persoon geen arbeidsvermogen heeft? Wat gebeurt er met deze persoon? Zijn gemeenten verplicht om het advies van het UWV uit te voeren of kunnen zij een dergelijk advies naast zich neerleggen?Op basis waarvan wordt bepaald of een advies van het UWV zorgvuldig is? Welke criteria mag een gemeente hiervoor hanteren? Mogen gemeenten naar eigen inzicht bepalen of een advies voor beschut werk zorgvuldig is? Bent u het met de leden van de SP-fractie eens dat gemeenten op deze manier kunnen sturen op geen tot beperkte instroom in het beschut werk? Wat vindt u hiervan? Wanneer is er sprake van een onzorgvuldige totstandkoming van een advies van het UWV?

De leden van de SP-fractie vragen het kabinet welke mogelijkheden er zijn om in beroep te gaan wanneer een gemeente weigert om een voorselectie te maken van mensen die naar het UWV worden doorgestuurd voor een indicatie voor beschut werk. Welke maatregelen kunt u nemen wanneer een gemeente geen mensen doorstuurt naar het UWV voor een indicatie voor beschut werk.

Op welke wijze worden medische gegevens via de gemeente aan het UWV verstrekt? Kan het kabinet garanderen dat er geen oneigenlijke druk wordt uitgeoefend op deze (soms) kwetsbare doelgroep om hun medische gegevens te verstrekken? Op welke wijze wordt geregeld dat het verstrekken van medische gegevens altijd in overleg met de betrokken huisarts gebeurt? Waarom moet een gemeente alle relevante informatie aan het UWV overdragen? Waarom kunnen betrokkenen dit niet zelf doen?

De leden van de SP-fractie vragen het kabinet om aan te geven waar het bedrag van € 2 miljoen aan beoordelingskosten voor het UWV op is gebaseerd? Waarom wordt dit bedrag aan het gemeentefonds toegevoegd? Betekent dit dat dit bedrag ook aan andere zaken besteed kan worden? Waarom heeft het kabinet er niet voor gekozen om de kosten van de beoordeling van het UWV rechtstreeks vanuit het ministerie over te maken aan het UWV? Is de regering het met de leden van de SP-fractie eens dat dit de regeldruk bij gemeenten voor een deel zou wegnemen? Welke extra uitvoeringskosten zijn er wanneer de betaling aan het UWV via de 403 gemeenten loopt? Hoe groot acht u de kans dat gemeenten om financiële overwegingen besluiten om mensen niet te beoordelen door het UWV? Vindt u dit wenselijk?

Op welke wijze is er met de VNG en het UWV gesproken over de samenhang en samenloop van de beoordelingen? Wat is de stand van zaken hierin? Zijn er inmiddels afspraken gemaakt? Zo ja, welke? Zo nee, waarom (nog) niet? Heeft het UWV al afspraken gemaakt met de verschillende arbeidsmarktregio’s over de samenhang tussen de beoordelingen? Met welke regio’s zijn afspraken gemaakt en met welke nog niet?

Wat is de reactie van kabinet op de kritiek van de VNG dat het voor gemeenten moeilijk is om een goede business-case voor beschut werk te ontwikkelen. Kan de regering aangeven of ze het eens is met het standpunt van de VNG dat er te weinig geld is voor de ondersteuning? Zo ja, betekent dit dat er meer geld beschikbaar komt? Zo nee, hoe kunnen gemeenten, volgens het kabinet hun budget op een effectieve manier inzetten?

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit advisering beschut werk. Deze leden hebben hierover enkele vragen.

De leden van de D66-fractie vragen of de gemeente bij het aanbieden van de voorziening beschut werk, mag afwijken van het advies van het UWV. Als het UWV adviseert dat een persoon in aanmerking komt voor beschut werk, kan de gemeente er dan alsnog voor kiezen om geen beschutte werkplek aan te bieden?

De leden van de D66-fractie vragen of de gemeente verplicht is om zich bij een aanvraag voor beschut werk te laten adviseren door het UWV.

De leden van de D66-fractie vragen in hoeverre de gemeentelijke verordeningen op basis van artikel 8a, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet en het besluit advisering beschut werk kunnen conflicteren. Is het mogelijk dat de gemeentelijke verordening, waarin geregeld moet worden op welke wijze wordt bepaald welke personen in aanmerking komen voor de ambtshalve vaststelling voor beschut werk, strengere criteria stelt dan de beoordelingscriteria van het UWV? Als dat het geval is welke regelgeving is dan leidend?

De leden van de D66-fractie vragen of de Staatssecretaris de criteria in artikel 3, eerste lid nader kan toelichten. Op welke manier wordt het begrip «binnen redelijke grenzen» door het UWV geoperationaliseerd?

De leden van de D66-fractie vragen hoe veel een gemeente moet betalen voor een beoordeling door het UWV. Is het bedrag van € 2 miljoen structureel kostendekkend?

De leden van de D66-fractie lezen in de reactie van de VNG, dat het voor gemeenten moeilijk is om een goede business-case te ontwikkelen voor beschut werk. In hoeverre verwacht de Staatssecretaris dat de 30.000 plekken waarvan de regering in de Participatiewet uitging daadwerkelijk worden gerealiseerd?

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het akkoord over de cao-gemeenten. Deze leden vragen wat in deze cao is afgesproken ten aanzien van de mensen die met een voorziening beschut werk aan het werk gaan.

De leden van de D66-fractie vragen wat er gebeurt wanneer een persoon in een beschutte werkplek zich zo ontwikkelt dat hij niet meer voldoet aan de criteria voor beschut werk zoals geformuleerd in het voorliggende conceptbesluit of in de gemeentelijke verordening. In hoeverre mag die persoon gebruik blijven maken van de voorziening beschut werk, als hij ook bij een reguliere werkgever aan de slag kan? Hoe verhoudt zich dit tot de dienstbetrekking waarin beschut werk moet worden vormgegeven?

II. Antwoord / Reactie van de Staatssecretaris

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van het ontwerpbesluit advisering beschut werk. Zij hebben nog enkele vragen en opmerkingen bij dit ontwerpbesluit. Zo vragen de leden van de fractie van de VVD of er in een bezwaarprocedure tegen een besluit van het college over het al dan niet toekennen van de voorziening beschut werk ruimte bestaat om het advies van UWV te betwisten.

Een belanghebbende kan in bezwaar en beroep gaan tegen het besluit van het college. Indien het besluit van het college is gestoeld op het advies van UWV, kan de belanghebbende aanvoeren dat dit advies niet deugdelijk tot stand is gekomen en proberen dat aan te tonen, bijvoorbeeld door een second opinion of andere overwegingen aan te dragen. Handhaaft UWV zijn standpunt dan kan een rechter marginaal toetsen of het advies deugdelijk is.

Vervolgens vragen de leden van de fractie van de VVD of het recht van betrokkene om bezwaar te maken wordt ingeperkt doordat het bezwaar zich enkel kan richten op de procedurele kant van het advies.

Het recht om bezwaar aan te tekenen tegen een overheidsbesluit blijft zonder enige beperking van toepassing. Die mogelijkheid om bezwaar te maken, betekent dat het bestuursorgaan dat de beslissing heeft genomen het besluit moet heroverwegen. Het is daarbij altijd zo dat het bestuursorgaan slechts een ander besluit zal nemen indien de heroverweging daar aanleiding toe geeft. UWV is als wettelijk adviesorgaan aangewezen op grond van diens bijzondere expertise. Aan een wettelijk voorgeschreven advies wordt in het algemeen bestuursrecht een groot gewicht toegekend. De betrokkene kan evenwel een contra-expertise aandragen om aan te tonen dat wel aan de criteria voor de beoordeling beschut werk wordt voldaan.

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit advisering beschut werk. Zij hebben hierover nog enkele vragen. Zo vragen zij of gemeenten groepen mensen met een bepaald kenmerk – bijvoorbeeld de hoogte van de loonwaarde – bij voorbaat mogen uitsluiten van de beschutte werkplekken. Zij vragen of een gemeente bijvoorbeeld kan beslissen om wel beschut werk aan te bieden aan inwoners met een loonwaarde van meer dan 30 procent en niet aan inwoners met een loonwaarde van minder dan 30 procent. Zij vragen zich af welke ruimte en beperkingen de gemeentelijke verordening waarin de wijze van voorselectie is vastgelegd, geeft.

Gemeenten bepalen – binnen de wettelijke kaders van de Participatiewet – wie er voor de voorziening beschut werk in aanmerking komt. Het gaat om mensen die uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Beschut werk kenmerkt zich door een hoge mate van (structurele) ondersteuning en aanpassing van het werk. Of iemand in aanmerking komt voor beschut werk hoeft niets te zeggen over de mate van productiviteit van deze persoon. Gemeenten zijn verplicht om beleid voor beschut werk vorm te geven en te bespreken met vertegenwoordigers van de gemeentelijke doelgroep. Vervolgens stelt de gemeenteraad, zoals is aangegeven in artikel 10b van de Participatiewet, in een verordening in elk geval vast op welke wijze wordt bepaald welke personen in aanmerking komen voor beschut werk, welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden en de wijze waarop de omvang van het aanbod wordt vastgesteld.

De leden van de fractie van de PvdA vragen vervolgens naar de verhouding tussen de privacy van de betrokkene en de aanlevering van de benodigde informatie bij werkgevers.

Het kabinet heeft bewust naar deze balans gezocht. Deze balans wordt gewaarborgd in alle van toepassing zijnde wetgeving, zoals de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie wet en inkomen (Wet SUWI). De voorgestelde procedure van beoordeling doet niet af aan de bepalingen die ter bescherming van de privacy gelden. Dat betekent dat gegevens betreffende de gezondheid voor deze taak (beoordeling of de beoogde werknemer in aanmerking komt voor beschut werk) alleen mogen worden verwerkt door personen voor wie het medisch beroepsgeheim geldt. Dat wil zeggen door verzekeringsgeneeskundigen in dienst van UWV of re-integratiebedrijven of door bedrijfsartsen. Dit geldt ook voor de gegevensuitwisseling tussen UWV en gemeenten. De medische gegevens kunnen alleen via artsen of beroepsbeoefenaars voor wie het medisch beroepsgeheim geldt, worden uitgewisseld. Uiteindelijk krijgen werkgevers net als bij het verzuimbeleid geen andere informatie dan de uitkomst dat de werknemer beperkingen heeft waarmee hij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

De leden van de fractie van de PvdA vragen vervolgens of een persoon inzage mag weigeren in diens medisch dossier.

Een persoon kan weigeren inzage te verschaffen in bepaalde gegevens uit diens medisch dossier. Dit kan echter wel betekenen, en dat zal vaak het geval zijn als UWV inzage in bepaalde gegevens vraagt, dat UWV zich dan geen oordeel kan vormen over diens arbeidsvermogen en specifieke behoefte aan technische aanpassingen van de werkplek of begeleiding. Het is immers zo, dat met de regeling van deze adviestaak van UWV, de uitzonderingen op de behandelingsovereenkomst van toepassing zijn (artikel 74, vierde lid van de Wet SUWI). Hierdoor geldt het blokkeringsrecht van de persoon die onderzocht is niet. Evenmin is het hierdoor zo dat slechts met toestemming van de betrokkene aan artsen van UWV inzage in de medische dossiers verschaft kan worden. De betrokken persoon kan daarmee alleen ter discussie stellen welke gegevens uit zijn dossier worden opgevraagd in het kader van het onderzoek door UWV. Uiteindelijk is het ter beoordeling van de verzekeringsgeneeskundige van UWV of hij daarmee in redelijkheid tot een advies kan komen of deze persoon enkel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in een beschutte omgeving heeft.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de staatsecretaris het oordeel van de VNG deelt dat de beoordeling van UWV een «marginale» toets op het voortraject van de gemeenten is en dat alleen als er aanwijzingen zijn dat een gemeente in het voortraject haar werk niet goed heeft gedaan UWV een volledige beoordeling zou moeten uitvoeren.

In de Werkkamer is afgesproken en vervolgens in de Participatiewet neergelegd dat de gemeente bepaalt welke mensen zij voor een beoordeling beschut werk bij UWV voordraagt. UWV beoordeelt vervolgens, in opdracht van de gemeente, op basis van landelijke criteria of mensen tot de doelgroep beschut werk behoren en adviseert de gemeente hierover. UWV zal altijd beoordelen op grond van de in artikel 3 van het ontwerpbesluit advisering beschut werk genoemde criteria.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de staatsecretaris kan aangeven op welke manier voorkomen wordt dat gemeenten niet alle potentiële kandidaten voor beschut werk doorsturen naar UWV voor een beoordeling.

Gemeenten leggen het beleid voor beschut werk, waaronder de wijze waarop de gemeenten de voorselectie vormgeven, vast in een verordening. Met deze verordeningsplicht legt de regering de nadere invulling van beschut werk op lokaal niveau neer. De lokale democratie besluit over de uitwerking. Voorafgaand aan besluitvorming in de gemeenteraad, moeten gemeenten de verordening bespreken met vertegenwoordigers van de gemeentelijke doelgroep. Het al dan niet inzetten van de voorziening beschut werk is een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit van de gemeente.

De leden van de fractie van de PvdA vragen vervolgens waarom de staatsecretaris stelt dat «het college in beginsel enkel personen voor beoordeling zal voordragen voor wie ook daadwerkelijk een beschutte werkplek beschikbaar is».

Het college draagt mensen voor beschut werk voor bij UWV. UWV toetst vervolgens aan de hand van de in artikel 3 van het besluit advisering beschut werk genoemde criteria of deze persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en adviseert het college hierover. Als UWV vaststelt dat een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort, heeft het college een zware inspanningsverplichting om deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag te helpen. Artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet schrijft voor dat het college er voor zorgt dat een persoon van wie is vastgesteld dat deze uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste voorwaarden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, een zodanige dienstbetrekking verkrijgt.

De leden van de PvdA-fractie vragen op welke manier wordt geborgd dat (het budget voor) de 30.000 beschutte plekken er ook daadwerkelijk komen. Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat gemeenten het budget voor de beschutte plekken gaan inzetten voor het aan het werk helpen van meer kansrijke werklozen.

Gemeenten hebben beleidsvrijheid in de keuze voor het inzetten van het instrument beschut werk. Het staat gemeenten vrij om meer of minder dan macro 30.000 plekken voor beschut werk te organiseren. Zoals aangegeven zijn gemeenten wel verplicht om beleid te maken voor beschut werk. Deze lokale invulling dient in een verordening te worden vastgelegd. Daarmee is er een belangrijke rol weggelegd voor de lokale democratie, waarin de gemeenteraad de kaders stelt en controleert.

Bij de financiering houdt de regering rekening met de inzet van 30.000 plekken in de structurele situatie. De regering biedt via het inkomensdeel middelen voor de inzet van het instrument loonkostensubsidie. Daarnaast krijgen de gemeenten de beschikking over middelen voor de begeleiding van mensen die via beschut werk aan de slag gaan. Deze middelen worden beschikbaar gesteld via het Participatiebudget. De regering heeft ervoor gekozen het Participatiebudget met ingang van 1-1-2015 via een integratie-uitkering binnen de kaders van de financiële-verhoudingswet aan gemeenten uit te keren. Aan deze integratie-uitkering worden geen bestedingsvoorwaarden gesteld. Het kabinet heeft bestuurlijke afspraken gemaakt over de inzet van middelen van de integratie-uitkering sociaal domein2.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is te monitoren of gemeenten de juiste mensen doorsturen naar UWV en voldoende beschutte plekken gaan organiseren.

Het ontwerpbesluit regelt dat UWV aan de hand van de vastgestelde landelijke criteria toetst of de persoon die door de gemeente wordt voorgedragen uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Met de reguliere statistieken zal worden gevolgd hoeveel mensen met een voorziening beschut werk aan de slag zijn. Zoals hiervoor is aangegeven hebben gemeenten beleidsvrijheid in de keuze voor het inzetten van het instrument beschut werk. Het staat gemeenten vrij om meer of minder dan macro 30.000 plekken voor beschut werk te organiseren. Het kabinet zal, conform de motie Kerstens3, het evenwicht tussen de uitstroom uit de sociale werkvoorziening en de instroom in de marktsector, premiegesubsidieerde sector, collectieve sector en beschut werk jaarlijks monitoren en de Tweede Kamer over de voortgang informeren.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is om samen met gemeenten een businesscase te ontwikkelen voor beschut werk, vergelijkbaar met de aangekondigde businesscase-ontwikkeling met werkgevers over de 125.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking.

Het is niet logisch om dit landelijk te doen. De elementen die gemeenten nodig hebben om voor zichzelf business cases voor beschut werk te maken, zijn namelijk bekend. De regering biedt via het inkomensdeel middelen voor de inzet van het instrument loonkostensubsidie. Daarnaast krijgen de gemeenten de beschikking over middelen voor de begeleiding van mensen die via beschut werk aan de slag gaan. Deze middelen worden beschikbaar gesteld via het Participatiebudget. Bij de financiering houdt de regering rekening met de inzet van 30.000 plekken in de structurele situatie. De regering heeft ervoor gekozen het Participatiebudget met ingang van 1-1-2015 via een integratie-uitkering binnen de kaders van de financiële-verhoudingswet aan gemeenten uit te keren. Aan deze integratie-uitkering worden geen bestedingsvoorwaarden gesteld. Het kabinet heeft bestuurlijke afspraken gemaakt over de inzet van middelen van de integratie-uitkering4. Zoals eerder aangegeven bepalen gemeenten – binnen de wettelijke kaders van de Participatiewet – wie er voor de voorziening beschut werk in aanmerking komt. Tevens hebben gemeenten en de organisaties die beschut werk aanbieden het beste zicht op product- en marktcombinaties waarbij ze beschut werk kunnen inrichten. De lokale democratie besluit over de nadere uitwerking. De Staatssecretaris ziet gegeven deze verantwoordelijkheidsverdeling geen aanleiding om een businesscase voor beschut werk te ontwikkelen.

De leden van de PvdA vragen op welke manier de staatsecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een integrale benadering van de verschillende beoordelingen (Wajong 2015, beschut werk, baangarantie) ondersteunt. Ook de leden van de SP vragen hiernaar. Zij vragen welke afspraken er zijn gemaakt over de samenhang en samenloop van de beoordelingen. Zij vragen ook naar de stand van zaken in de arbeidsmarktregio’s.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eerder aangegeven dat het van belang is dat beoordelingen door UWV waar mogelijk gecombineerd worden, zodat de mensen die het betreft hier zo min mogelijk (administratieve) last van ondervinden. De gemeentelijke beleidsvrijheid en de wettelijke bepalingen vormen hierbij de kaders. VNG en UWV hebben gesprekken gevoerd over hoe binnen deze kaders beoordelingen gecombineerd kunnen worden. Op het niveau van de arbeidsmarktregio’s worden hier uiteindelijk concrete afspraken over gemaakt. Dit overleg is momenteel gaande.

De fractie van de PvdA heeft de vraag gesteld of er wachtlijsten voor beschut werk kunnen ontstaan.

Met de Participatiewet krijgen gemeenten een breed instrumentarium ter beschikking. Gemeenten hebben de vrijheid om te bepalen welke ondersteuning mensen nodig hebben. Daarmee kan worden voorkomen dat er wachtlijsten ontstaan. Eén van de instrumenten die door de gemeenten kan worden ingezet is de voorziening beschut werk. Bij de financiering houdt de regering rekening met de inzet van 30.000 plekken in de structurele situatie.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of mensen die wachten op plaatsing op een beschutte werkplek en daardoor tijdelijk een bijstandsuitkering ontvangen zijn vrijgesteld van de sollicitatie- en re-integratieverplichtingen. Vervolgens vragen zij ook hoe het in deze situatie zit met de partner- en vermogenstoets in de WWB.

Als een persoon, blijkend uit een advies van UWV, tot de doelgroep beschut werk behoort, heeft het college een zware inspanningsverplichting om deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag te helpen. Het aantal mensen dat in de praktijk wacht op plaatsing op een beschutte werkplek, zal zeer gering zijn. De Participatiewet kent geen categoriale vrijstelling van de sollicitatie- en re-integratieverplichtingen, behalve in geval sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Vrijstelling kan uitsluitend tijdelijk worden verleend in verband met dringende redenen die betrekking hebben op het individuele geval. De partner- en vermogenstoets in de WWB heeft betrekking op het vaststellen van het recht op en de hoogte van een bijstandsuitkering. Dit geldt voor iedereen die op grond van de Participatiewet een beroep op een bijstandsuitkering doet.

De leden van de PvdA-fractie vragen ten slotte in hoeverre de beoordeling voor beschut werk en de huidige sw-indicatiestelling van elkaar verschillen.

Bij de sw-indicatiestelling kijkt UWV niet alleen of iemand uitsluitend in een beschutte omgeving kan werken, maar oordeelt ook of iemand het advies begeleid werken krijgt. Daarnaast deelt UWV mensen in de handicapcategorie ernstig of matig in. Bij beschut werk oordeelt UWV aan de hand van de twee criteria zoals genoemd in artikel 3 van het ontwerpbesluit advisering beschut werk of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

Om een goed beeld te krijgen van het aantal gemeenten waar een voorziening voor beschut werk wordt gerealiseerd, vragen de leden van de SP-fractie om een overzicht van gemeenten te geven waar de gemeenteraad reeds een verordening voor beschut werk heeft vastgesteld. In welke gemeenten een voorziening voor beschut werk wordt gerealiseerd en waar de gemeenteraad er voor gekozen heeft om deze voorziening niet te realiseren? Zij vragen vervolgens of de Staatssecretaris kan aangeven hoeveel gemeenten er naar verwachting voor kiezen om geen voorziening beschut werk te realiseren en wat dit betekent voor de 30.000 beschutte werkplekken die zouden worden gerealiseerd.

Het kabinet beschikt niet over een dergelijk overzicht. De verantwoordelijkheid voor de invulling van beschut werk ligt bij de gemeenten. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verantwoordelijk voor het functioneren van het stelsel. Vanuit die verantwoordelijkheid is het nodig dat hij zich een landelijk beeld vormt over hoe het stelsel functioneert en of het stelsel bijdraagt aan het realiseren van de beoogde doelstellingen. Om dit vast te kunnen stellen vindt er binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet een evaluatie plaats. Na de inwerkingtreding start een uitgebreid monitoringtraject. Hierin wordt onder meer de inzet van nieuwe instrumenten, zoals beschut werk, gevolgd. Als uit de monitor blijkt dat de resultaten achterblijven bij wat de Participatiewet beoogt, gaat het kabinet in gesprek met gemeenten en andere betrokken organisaties. Uiteindelijk kan de regering besluiten voorstellen aan het parlement te doen om de Participatiewet op onderdelen aan te passen.

De leden van de SP-fractie vragen vervolgens welke verschillen kunnen ontstaan tussen gemeenten of mensen wel of geen beschutte werkplek krijgen en hoe dit valt te rechtvaardigen.

Gemeenten krijgen met de Participatiewet de ruimte om maatwerk te bieden en krijgen de vrijheid om te bepalen welke ondersteuning mensen nodig hebben. Verschillen die daarbij kunnen ontstaan kunnen bijvoorbeeld te maken hebben met de lokale behoefte, de omvang van de inzet van de diverse instrumenten, waaronder loonkostensubsidie en beschut werk, of de wijze waarop reguliere werkgevers bij de inzet van die instrumenten worden betrokken. De rechtvaardiging van deze verschillen is er in gelegen dat de uitvoering van de Participatiewet is gedecentraliseerd naar gemeenten. Daar hoort bij dat gemeenten de ruimte hebben om eigen afwegingen te maken. De gemeenteraden hebben daarbij een belangrijke rol. Zij stellen op democratische wijze de verordening vast.

De leden van de SP-fractie geven aan dat de staatsecretaris tijdens het debat over de Participatiewet heeft gezegd dat als mensen een beschutte werkplek nodig hebben, ze deze ook daadwerkelijk moeten krijgen. De leden vragen zich af hoe dit zich verhoudt tot gemeenten die geen voorziening beschut werk realiseren. Vervolgens vragen de leden op welke manier het kabinet kan garanderen dat mensen die gebaat zijn bij een beschutte werkplek, deze ook daadwerkelijk aangeboden krijgen.

De doelstelling van de Participatiewet is om iedereen met arbeidsvermogen naar werk toe te leiden. De colleges van gemeenten krijgen met de Participatiewet een breed scala aan instrumenten om mensen te ondersteunen naar (arbeids)participatie. Het vergt maatwerk om te bepalen welk instrument voor welke persoon wordt ingezet. Beschut werk is een van deze instrumenten. Gemeenten zijn verplicht het beleid voor beschut werk vast te leggen in een verordening. Met deze verordeningsplicht legt de regering de nadere invulling van beschut werk op lokaal niveau neer. De lokale democratie besluit over de verdere uitwerking. Voorafgaand aan besluitvorming in de gemeenteraad, moeten gemeenten de verordening bespreken met vertegenwoordigers van de gemeentelijke doelgroep. Inherent aan het decentraliseren van taken is dat gemeenten verantwoordelijk zijn. Het kabinet heeft er vertrouwen in dat gemeenten die verantwoordelijkheid naar behoren waarmaken.

De leden van de fractie van de SP vragen wie er in aanmerking komt voor een beschutte werkplek en wie nadrukkelijk niet.

Gemeenten kunnen mensen die uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, met een voorziening beschut werk in een beschutte werkomgeving aan de slag helpen. Het gaat om mensen die door hun lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanig hoge mate van (structurele) begeleiding of aanpassing van de werkplek nodig hebben, dat niet van een reguliere werkgever mag worden verwacht dat hij deze mensen in dienst neemt, ook niet met extra voorzieningen van gemeente of UWV.

De leden van de SP-fractie vragen welke relatie er bestaat met de SW bedrijven en de werkkamers.

De Werkkamer is het (landelijke) gremium waarin gemeenten en sociale partners met elkaar – en met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en UWV als adviserende leden – overleggen over de uitvoering van de Participatiewet en de vorming van regionale Werkbedrijven in het bijzonder. In de regionale Werkbedrijven, die op praktische wijze invulling gaan geven aan een eenduidige regionale aanpak, werken gemeenten, UWV en sociale partners samen om mensen met een arbeidsbeperking aan een baan te helpen. De Werkkamer maakt afspraken die deze eenduidige aanpak ondersteunen.

De sociale werkvoorziening is één van de organisaties die mensen met een arbeidsbeperking aan de slag helpt.

De leden van de fractie van de SP vragen vervolgens of het kabinet voorbeelden kan noemen van werkzaamheden zoals genoemd in Artikel 3, onderdeel 1, lid a en b.

Het type werkzaamheden dat wordt aangeboden is afhankelijk van de mogelijkheden van de persoon die voor beschut werk in aanmerking komt. Gedacht kan worden aan werkzaamheden als inpakwerk en assemblage.

De leden van de SP-fractie vragen of er sprake is van een terugkeergarantie voor mensen die uitstromen uit beschut werk.

Er is geen sprake van een terugkeergarantie. Als mensen uit beschut werk uitstromen en op een later moment weer beschut willen werken dan melden zij zich bij de gemeente. De gemeente bepaalt vervolgens of een persoon ondersteuning nodig heeft naar (arbeids)participatie en welke instrumenten daarbij worden ingezet.

De leden van de fractie van de SP vragen wat volgens het kabinet een alternatief voor beschut werk kan zijn.

De gemeenten hebben met de Participatiewet en de Wmo een breed palet aan voorzieningen beschikbaar om mensen naar werk toe te leiden of anderszins te laten participeren. De gemeente bepaalt op basis van maatwerk en de afstand tot de arbeidsmarkt welk instrument het meest passend is. Daarbij kan gedacht worden aan de inzet van loonkostensubsidie, jobcoaching, scholing, werkplekaanpassing of dagbesteding.

De leden van de fractie van de SP vragen welke zaken het kabinet in overweging heeft genomen bij het al dan niet in een dienstbetrekking laten werken van mensen.

Bij de voorziening beschut werk is altijd sprake van loonvormende arbeid. De regering is van mening dat er daarom bij beschut werk sprake moet zijn van een dienstbetrekking, met een beloning conform de voor hen geldende cao dan wel conform minimaal de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag.

De leden van de SP-fractie vragen vervolgens wat het kabinet verstaat onder «aard en omvang» van beschut werk en welke kaders hiervoor gelden voor gemeenten en de doelgroep.

Onder aard en omvang verstaat de regering alle mogelijke aspecten waarvoor gemeenten, binnen de wettelijke kaders, de vrijheid hebben te bepalen hoe het instrument beschut werk wordt ingezet. Hieronder vallen de bepaling wanneer mensen voor beschut werk in aanmerking komen, het aantal beschutte werkplekken en waar beschut werk zich bevindt: bij een reguliere werkgever (met begeleiding of aanpassingen aan de werkplek), via detachering of intern georganiseerd. De kaders voor de gemeenten bestaan uit de kaders zoals zij zelf stellen in de eigen verordening en de kaders die gesteld worden door de Participatiewet. Zo definieert de Participatiewet welke groepen in aanmerking komen voor loonkostensubsidie en beschut werk. Een inwoner kan op basis van de Participatiewet aanspraak maken op ondersteuning. De gemeente bepaalt, op basis van maatwerk, welke instrumenten zij in gaat zetten; één van die instrumenten is beschut werk. Het besluit of iemand in aanmerking komt voor beschut werk is een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing. UWV beoordeelt aan de hand van de criteria zoals opgenomen in het besluit of iemand tot de doelgroep van beschut werk behoort.

De leden van de SP-fractie vragen wanneer men in staat is om wel loonvormende arbeid te verrichten en wanneer niet. Wanneer kan dit in een beschutte werkomgeving en wanneer niet?

Loonvormende arbeid is arbeid waarbij op grond van een arbeidsprestatie een persoon loon ontvangt conform een geldende Cao of rechtspositieregeling. Het gaat bij de doelgroep beschut werk om mensen die wel loonvormende arbeid kunnen verrichten, maar die door hun lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding en aanpassingen van de werkplek nodig hebben, dat niet van een reguliere werkgever mag worden verwacht dat hij deze mensen in dienst neemt. Beschut werk kenmerkt zich door een hoge mate van (structurele) ondersteuning en aanpassing van het werk. Of iemand in aanmerking komt voor beschut werk hoeft niets te zeggen over de mate van productiviteit van deze persoon.

De leden van de SP-fractie vragen waarom de regering er voor heeft gekozen om gemeenten te laten beoordelen of mensen in aanmerking komen voor een beoordeling van UWV. Welke extra uitvoeringskosten brengt dit met zich mee, zo vragen deze leden.

Een voorselectie door de gemeente past bij de gemeentelijke beleidsvrijheid voor de keuze van voorzieningen die de gemeente inzet om iemand te ondersteunen in arbeidsparticipatie. De gemeente bepaalt, op basis van maatwerk, welke instrumenten zij in gaat zetten. De voorziening beschut werk is één van deze instrumenten. Dit biedt de mogelijkheid om te komen tot een integrale beoordeling van wat iemand nodig heeft. Nadat de gemeente gekozen heeft voor inzet van de voorziening beschut werk draagt de gemeente deze persoon voor een beoordeling beschut werk voor aan UWV. Gemeenten betalen UWV voor de gemaakte kosten voor het uitvoeren van deze beoordeling. De uitvoeringskosten hebben betrekking op de (personeels)kosten voor een deugdelijk advies, en daarnaast de incassofunctie van UWV en het voldoen van de factuur van UWV door de gemeente.

De leden van de fractie van de SP vragen wat gemeenten moeten doen met een advies van UWV dat de voorgedragen persoon geen arbeidsvermogen heeft en wat er vervolgens met deze personen gebeurt.

Wanneer een door de gemeente voor een advies beschut werk voorgedragen persoon niet behoort tot de doelgroep beschut werk als bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet, zal UWV aan de gemeente het advies geven betrokkene niet te beschouwen als behorend tot de doelgroep beschut werk. De persoon in kwestie kan een beoordeling voor de Wajong 2015 aanvragen. Voorwaarden voor de Wajong 2015 zijn dat iemand duurzaam geen arbeidsvermogen heeft en voldoet aan de overige voorwaarden van de Wajong 2015. Wanneer er sprake is van tijdelijk geen arbeidsvermogen, kan geen recht op Wajong 2015 ontstaan en valt de persoon onder de Participatiewet. De gemeente kan dan een ander passend aanbod doen afhankelijk van de specifieke situatie.

De leden van de SP-fractie vragen of gemeenten verplicht zijn om het advies van UWV uit te voeren of dat zij een advies ook naast zich neer kunnen leggen. Ook de leden van de D66-fractie vragen of de gemeente bij het aanbieden van de voorziening beschut werk mag afwijken van het advies van UWV. Zij vragen of de gemeente er voor kan kiezen om geen beschutte werkplek aan te bieden als UWV adviseert dat een persoon in aanmerking komt voor beschut werk.

UWV is ten aanzien van zijn werkzaamheden voor de voorziening beschut werk een adviseur in de zin van artikel 3:5 van de Awb. Dat betekent dat het college moet bezien of een advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Als het advies van UWV zorgvuldig tot stand is gekomen, zal het college conform dit advies besluiten. Het college kan wel een advies terugleggen bij UWV voor nadere motivering of uitleg. Indien in bezwaar of beroep wordt aangevoerd dat het advies van UWV niet is opgevolgd, is het aan het college om aan te tonen dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen en daarom niet gevolgd hoefde te worden.

De leden van de fractie van de SP vragen op welke basis wordt bepaald of een advies zorgvuldig is en welke criteria gemeenten hiervoor hanteren, en of gemeenten dit naar eigen inzicht mogen bepalen. Zij vragen wanneer er sprake is van een onzorgvuldig tot stand gekomen advies van UWV.

Op de verhouding tussen het bestuursorgaan dat het besluit neemt (het college) en het orgaan dat bij wet is aangewezen om advies te geven (het UWV), is het algemeen bestuursrecht van toepassing. Op grond van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en van jurisprudentie van onder meer de Centrale Raad van Beroep geldt dat een bestuursorgaan – in casu het college van burgemeester en wethouders dat een besluit neemt – zich ervan moet vergewissen dat een advies zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk concludent is. De criteria die hierbij gehanteerd worden, kan het college daarbij niet zelf bepalen omdat deze worden beheerst door wetgeving en jurisprudentie. Er mag niet worden afgegaan op een onvolledig advies. Soms kan het in dat kader nodig zijn het advies terug te leggen voor een aanvulling of verduidelijking. Bij twijfel kan daarbij een contra-expertise door het college worden aangevraagd.

De leden van de SP-fractie vragen of de Staatssecretaris het met hen eens is dat gemeenten op deze manier kunnen sturen op geen tot beperkte instroom in beschut werk. Zij vragen wat de Staatssecretaris hiervan vindt.

Gemeenten hebben beleidsvrijheid in de keuze voor het inzetten van het instrument beschut werk. Het staat gemeenten vrij om meer of minder dan macro 30.000 plekken voor beschut werk te organiseren. Gemeenten zijn wel verplicht om beleid te maken voor het realiseren van beschut werk. Deze lokale invulling dient in een verordening te worden vastgelegd. Daarmee is er een belangrijke rol weggelegd voor de lokale democratie, waarin de gemeenteraad de kaders stelt en controleert.

De leden van de fractie van de SP vragen of een persoon in bezwaar en beroep kan indien in de gemeente waarin deze persoon woont, geen selectie wordt gemaakt van personen die voor een indicatie naar UWV worden doorgestuurd.

In de gemeentelijke verordening bepaalt de gemeenteraad de wijze waarop een voorselectie plaatsvindt. Indien het college besluit om iemand deze voorziening niet aan te bieden en dus niet voor beoordeling naar UWV te sturen, kan die persoon tegen deze beslissing bezwaar en eventueel beroep instellen. De beslissing van het college zal dan worden getoetst aan de regels die de gemeenteraad in de verordening heeft vastgesteld.

De leden van de fractie van de SP vragen vervolgens welke maatregelen de regering kan nemen wanneer gemeenten geen personen doorsturen naar UWV.

Het kabinet heeft er vertrouwen in dat gemeenten de voorziening beschut werk weloverwogen en gericht in zullen zetten voor personen waarvoor deze voorziening geschikt is. Indien het college geen personen doorstuurt, is het in de eerste plaats aan de gemeenteraad om het college hier op aan te spreken. Bovendien kan een bestuursrechter, indien zich een zaak voordoet, ook beoordelen of het college de wet goed uitvoert. Nu de uitvoering van deze en andere voorzieningen met een grote mate van beleidsvrijheid aan gemeenten zijn overgedragen, is het kabinet niet voornemens de beleidsvrijheid van gemeenten vooraf of achteraf in te perken door toepassing van het generiek of het specifiek toezichtsinstrumentarium.

De leden van de fractie van de SP vragen op welke wijze medische gegevens via de gemeente aan het UWV worden verstrekt.

Op grond van artikel 3:7 van de Algemene wet bestuursrecht, draagt het college alle relevante gegevens over aan het adviesorgaan, het UWV. Ook de Wet SUWI schrijft voor dat het college en UWV elkaar kosteloos van alle benodigde gegevens voorzien. Wanneer het medische gegevens betreft die bij de gemeente worden aangeleverd en die gegevens moeten vervolgens aan UWV worden doorgestuurd, dan moeten die gegevens via een beveiligde weg worden verzonden. Het moet in dat proces onmogelijk zijn gemaakt dat onbevoegde medewerkers bij de overdracht toegang tot die gegevens kunnen krijgen. De medische gegevens kunnen alleen via artsen of beroepsbeoefenaars voor wie het medisch beroepsgeheim geldt, worden uitgewisseld.

De leden van de fractie van de SP vragen of de regering kan garanderen dat er geen oneigenlijke druk op de betrokken personen wordt uitgeoefend om medische gegevens te verstrekken en op welke wijze is geregeld dat het verstrekken van medische gegevens altijd in overleg met de betrokken huisarts gebeurt.

Om tot een goede beoordeling te komen, is het noodzakelijk dat in inzage in het medisch dossier wordt voorzien. Die gegevens zijn immers van doorslaggevende betekenis bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor de voorziening beschut werk. Zoals eerder aangegeven biedt het wettelijk kader in de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet SUWI hiervoor de benodigde waarborgen.

De leden van de fractie van de SP vragen waarom een gemeente alle relevante informatie aan UWV moet overdragen en of de betrokkenen dit niet zelf kunnen doen.

Op grond van artikel 3:7 van de Awb en artikel 54 van de Wet SUWI is het college bevoegd en gehouden alle relevante informatie over te dragen aan UWV. Op deze wijze wordt voorkomen dat personen meerdere keren aan verschillende instanties hetzelfde verhaal moeten vertellen.

De leden van de SP-fractie vragen het kabinet om aan te geven waar het bedrag van 2 miljoen euro aan beoordelingskosten voor UWV op is gebaseerd. Zij vragen waarom dit bedrag aan het gemeentefonds wordt toegevoegd en of dit betekent dat dit bedrag ook aan andere zaken kan worden besteed. Zij vragen zich af waarom er niet voor is gekozen om de kosten van de beoordeling van UWV rechtstreeks vanuit het ministerie over te maken aan UWV. De leden van de SP-fractie vragen of de regering het met hen eens is dat dit de regeldruk bij gemeenten voor een deel wegneemt. Zij vragen welke extra uitvoeringskosten er zijn wanneer de betaling aan UWV via de 403 gemeenten loopt. Hoe groot acht de regering de kans dat gemeenten om financiële overwegingen besluiten om mensen niet te laten beoordelen door UWV en vindt de regering dit wenselijk, zo vragen deze leden. Leden van de fractie van D66 vragen hoeveel een gemeente moet betalen voor een beoordeling door UWV en of het bedrag van 2 miljoen euro structureel kostendekkend is.

De regering heeft op basis van de verwachte instroom in beschut werk en de verwachte kosten per beoordeling een inschatting gemaakt van het aantal beoordelingen beschut werk. Bij de Invoeringwet Participatiewet is uitgegaan van circa 800 plekken beschut werk in 2015 en vervolgens jaarlijks circa 1.700 extra plekken beschut werk. Uitgaande van circa 2.000 beoordelingen per jaar tegen een gemiddelde prijs van 1.000 euro krijgen gemeenten een jaarlijks bedrag van 2 miljoen euro toegevoegd aan de algemene middelen. Deze gemiddelde prijs is ongeveer gelijk aan de huidige prijs van een indicatie Wsw. De regering verwacht dat 2 miljoen euro structureel kostendekkend zal zijn. UWV heeft in haar uitvoeringstoets aangegeven de kosten voor de beoordeling beschut werk binnen het budget van 1.000 euro per beoordeling te kunnen uitvoeren. De middelen worden toegevoegd aan het Participatiebudget, welke via een integratie-uitkering aan de gemeenten wordt verstrekt. De integratie-uitkering kent geen bestedingsvoorwaarden. Gemeenten bepalen zelf wanneer en voor wie zij beschut werk willen inzetten en vragen daarbij een advies aan UWV. De gemeenten die dit advies vragen, dragen daarvoor de kosten. Additionele uitvoeringskosten hebben betrekking op de incassofunctie van UWV en het voldoen van de factuur van UWV door de gemeente. De regering acht de kans gering dat gemeenten zich bij de inzet van beschut werk laten leiden door de betalingsverplichting voor de kosten van een beoordeling beschut werk.

De leden van de SP-fractie vragen wat de reactie van het kabinet is op de kritiek van de VNG dat het voor gemeenten moeilijk is om een goede businesscase voor beschut werk te ontwikkelen. Zij vragen of de regering kan aangeven of ze het eens is met het standpunt van de VNG dat er te weinig geld is voor de ondersteuning? Zo ja, betekent dit dat er meer geld beschikbaar komt? Zo nee, hoe kunnen gemeenten, volgens het kabinet hun budget op een effectieve manier inzetten? Ook de leden van de fractie van D66 verwijzen naar de reactie van de VNG dat het moeilijk is een businesscase te ontwikkelen voor beschut werk. Zij vragen in hoeverre de Staatssecretaris verwacht dat de 30.000 plekken waarvan de regering in de Participatiewet uitging daadwerkelijk worden gerealiseerd.

Naar de mening van de regering is het beschikbare financiële kader voor de uitvoering van de Participatiewet toereikend. In de plenaire behandeling van de Participatiewet is dat uitgebreid toegelicht. De regering is zich ervan bewust dat de efficiencykorting effect zal hebben op beschikbare middelen voor de Wsw. Daarom wordt in overleg met de VNG een «thermometer» ontwikkeld om zo jaarlijks de ontwikkelingen te volgen met de vraag of de onderliggende aannames voor de berekening van de financiële middelen voor het zittend bestand houdbaar blijven. De regering is van oordeel dat er nog voldoende mogelijkheden zijn voor de sw-sector om middelen efficiënter en effectiever in te zetten. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondersteunt de sw-sector via een ondersteuningsprogramma om de bedrijfsvoering te verbeteren. Cedris voert dit programma uit. De gemeenten kunnen naast het ontvangen Participatiebudget ook een beroep doen op verschillende ondersteuningsmaatregelen (sectorplannen, ESF) die de regio’s ter beschikking staan.

Bovendien wijst de regering erop dat bij de vaststelling van de middelen voor het zittend bestand Wsw is uitgegaan van een behoedzame raming van de volume-ontwikkeling. Naar verwachting zal de feitelijke daling van het volume hoger liggen. Dit voordeel komt ten goede aan gemeenten en mitigeert het effect van de efficiencykorting.

In het kader van de stelselverantwoordelijkheid van het rijk start er na de inwerkingtreding een uitgebreid monitoringtraject. Als uit de monitor blijkt dat de resultaten achterblijven bij wat de Participatiewet beoogt, gaat het kabinet in gesprek met gemeenten en andere organisaties. Het kabinet loopt hierop niet vooruit.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit advisering beschut werk. Zij hebben hierover enkele vragen.

Zo vragen zij of de gemeente verplicht is om zich bij een aanvraag voor beschut werk te laten adviseren door UWV.

UWV is het wettelijk voorgeschreven adviesorgaan. Dat houdt in dat het college verplicht is om advies aan UWV te vragen voordat zij haar besluit neemt om iemand beschut te laten werken.

De leden van de fractie van D66 vragen vervolgens in hoeverre de gemeentelijke verordening die wordt vastgesteld op grond van artikel 8a van de Participatiewet kan conflicteren met de criteria, zoals opgenomen in het Besluit advisering beschut werk en welke regelgeving leidend is bij een eventueel conflict.

De verordening van de gemeente en de algemene maatregel van bestuur zijn complementair aan elkaar en zijn niet strijdig.

  • In een verordening stelt de gemeenteraad vast hoe en onder welke voorwaarden zij een voorselectie uitvoert voor de mensen die voor het instrument beschut werk in aanmerking kunnen komen.

  • In de algemene maatregel van bestuur is bepaald aan de hand van welke criteria het UWV beoordeelt of mensen uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden hebben tot arbeidsparticipatie.

De leden van de D66-fractie vragen of de Staatsecretaris de criteria in artikel 3, eerste lid nader kan toelichten. Zij vragen op welke manier het begrip «binnen redelijke grenzen» door UWV wordt geoperationaliseerd.

In zijn uitvoeringstoets heeft UWV aangegeven dat hij een positief advies beschut werk afgeeft, als de persoon is aangewezen op permanent toezicht of intensieve begeleiding die de reguliere beschikbare begeleiding (zoals jobcoach begeleiding) overstijgt. De nadere uitwerking van de begeleidingsbehoefte vindt de komende maanden door UWV plaats. Bij het tweede criterium ligt de focus op de kenmerken van beschut werk. UWV brengt kenmerken van beschut werk in beeld door deze te ontlenen aan in de praktijk voorkomende Wsw-functies (zowel binnen het Wsw-bedrijf als daarbuiten in detacheringsfuncties). Bij kenmerken van beschut werk denkt UWV aan een prikkelarme werkomgeving, vergaand gestructureerd werk en geen productiedruk. Met deze kenmerken van functies beschut werk stelt UWV vervolgens vast of de voor betrokkene noodzakelijk geachte aanpassingen van de werkplek binnen regulier werk of uitsluitend in beschut werk mogelijk zijn. Bij de nadere operationalisering werkt UWV samen met gemeenten, Cedris, sw-bedrijven en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het akkoord over de cao-gemeenten. Deze leden vragen wat in deze cao is afgesproken ten aanzien van de mensen die met een voorziening beschut werk aan het werk gaan.

In de cao voor gemeenten zijn geen specifieke afspraken opgenomen die de voorziening beschut werk betreffen. Wel zijn afspraken opgenomen over het openstellen van banen voor mensen met een arbeidsbeperking en is afgesproken pilots te houden met functiecreatie.

De leden van de fractie van D66 vragen wat er gebeurt wanneer een persoon in een beschutte werkplek zich zo ontwikkelt dat hij niet meer voldoet aan de criteria voor beschut werk. Zij vragen in hoeverre deze persoon gebruik mag blijven maken van de voorziening beschut werk als hij ook bij een reguliere werkgever aan de slag kan en hoe dit zich dan verhoudt tot de dienstbetrekking waarin beschut werk moet worden vormgegeven.

Met invoering van de Participatiewet krijgen de colleges van gemeenten een breed scala aan instrumenten om mensen te ondersteunen naar (arbeids)participatie. Beschut werk is een van deze instrumenten. Het vergt continu maatwerk om te bepalen welk instrument voor welke persoon moet worden ingezet. Voor beschut werk geldt er geen periodieke herkeuring, zoals in de Wsw het geval is. Het college kan wel besluiten om de voorziening beschut werk voor een bepaalde tijd aan te bieden. Als het college na afloop van een dergelijke periode vermoedt dat iemand niet meer voldoet aan de criteria voor beschut werk, dan vraagt het voor deze persoon opnieuw advies aan UWV. Afhankelijk van het advies van UWV neemt het college een besluit om iemand (opnieuw) beschut te laten werken of niet. In het geval UWV adviseert dat de voorgedragen persoon niet (meer) tot de doelgroep beschut werk als bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet behoort, wordt de voorziening beschut werk voor deze persoon niet langer aangeboden. Indien de voorziening beschut werk niet voor bepaalde tijd is aangeboden maar het college vermoedt dat de omstandigheden zijn gewijzigd, kan het college heroverwegen of voor deze persoon de voorziening beschut werk nog steeds geboden is. Daarbij zal het college goed moeten kunnen beargumenteren waarom de voorziening wordt heroverwogen en waarom een persoon opnieuw voor indicatie naar het UWV moet.


X Noot
1

Handelingen II 2013/14, nr. 56, item 8

X Noot
2

Kamerstuk 33 935, nr. 7.

X Noot
3

Kamerstuk 29 817, nr. 120

X Noot
4

Kamerstuk 33 935, nr. 7.