Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233145 nr. 11

33 145 Wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met het onderbrengen van de basisbeurs voor studenten in de masterfase in het sociaal leenstelsel en het aanbrengen van enkele vereenvoudigingen in het studiefinancieringsstelsel

Nr. 11 NADER VERSLAG

Vastgesteld 27 maart 2012

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft naar aanleiding van de nota naar aanleiding van het verslag2 besloten tot het uitbrengen van een nader verslag over het wetsvoorstel. Aanleiding hiertoe vormt onder meer de constatering van leden dat de regering uitgaat van verwachtingen bij dit wetsvoorstel, terwijl de onderbouwing daarvan soms ontbreekt. Tevens twijfelen leden over de inschatting van mogelijke effecten van diverse maatregelen. Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit nader verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

blz.

     

Inleiding

1

De doelstelling van het wetsvoorstel

4

Beschrijving van de voorgestelde maatregelen

5

 

– Sociaal leenstelsel in de masterfase

5

 

– Verlenging van de terugbetaalperiode

7

 

– Beperking van de studentenreisvoorziening

7

 

– Vereenvoudigingen van de studiefinanciering

7

 

– Eigentijdse dienstverlening aan de student

8

Gevolgen voor de doelgroep

9

Inleiding

De leden van de PvdA-fractie hebben met weinig enthousiasme kennisgenomen van de reactie van de zijde van de regering op de eerdere inbreng betreffende de Wet studiefinanciering 2000 in verband met het onderbrengen van de basisbeurs voor studenten in de masterfase in het sociaal leenstelsel en het aanbrengen van enkele vereenvoudigingen in het studiefinancieringsstelsel. De leden verwonderen zich met name over de politieke fundering van de voorgestelde wijzigingen. Er worden allerlei gedragseffecten «verwacht», maar nergens worden deze veronderstellingen geladen met bewijs. Zo wordt er vermeld dat dit voorstel er niet toe zal leiden dat er te hoge drempels worden opgeworpen om deel te nemen aan het hoger onderwijs. Is daar bewijs voor? Is er een pilot gedaan met de langstudeerdersboete (of «maatregel», zoals de staatssecretaris het graag mag framen) waaruit blijkt dat de (gedrags)effecten die eraan worden toegeschreven ook daadwerkelijk optreden? Ditzelfde geldt voor de «verwachting» dat studenten meer prioriteit geven aan hun studie. Is het niet even waarschijnlijk dat studenten meer gaan werken om de kosten van de langstudeerdersboete op te vangen? Daarop aansluitend wordt er gesteld dat de effecten van het leenstelsel «goed gemonitord» zullen worden. De leden vragen aan de regering of er niet actiever kan worden ingespeeld op het feit dat veel studenten een leenaversie hebben.

Een andere verwachting die iets meer bewijs nodig heeft om gerechtvaardigd te zijn, is die van het uitreiken van «topsectorenbeurzen» voor bètastudenten door het bedrijfsleven. Zijn deze programma’s al van start gegaan en hoeveel studenten doen er aan mee? Gaat het bedrijfsleven zoveel studenten ondersteunen bij hun bètastudie dat we geen afname zullen zien in de toestroom voor bètaopleidingen, ondanks de hoge kosten die onterecht voortvloeien uit de tweejarige masters?

Voorts vragen de leden wat nu de status is van de afspraken met de onderwijsinstellingen. De HBO-raad lijkt bedenkingen te hebben en de leden willen weten wat dat betekent voor de investeringen die te maken hebben met de kwaliteitsimpuls in het hoger onderwijs.

De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag. De leden onderschrijven de noodzaak tot aanpassingen om het studiefinancieringsstelsel betaalbaar en toegankelijk te houden. De leden zien de ontwikkeling naar de «investerende student» als positief. De leden kunnen zich vinden in de voorgestelde aanpassingen, mits de toegankelijkheid van het onderwijs voor studenten met ouders uit de lagere inkomensgroepen en de voorzieningen voor studenten met functiebeperkingen blijven bestaan. De leden zien geen aanleiding tot het stellen van vragen.

De leden van de SP-fractie stellen een aantal aanvullende vragen naar aanleiding van de nota naar aanleiding van het verslag en wijzen hierbij ook op eerder gestelde, maar niet of onvolledig beantwoorde vragen.

Het grootste deel van de vrijgekomen middelen komt pas beschikbaar in de volgende kabinetsperiode. Hoe kan de huidige regering garanderen dat deze middelen ook daadwerkelijk terugvloeien naar het hoger onderwijs, zo vragen zij.

Voorts merken de leden op dat er in de nota naar aanleiding van het verslag meerdere malen wordt verwezen naar monitoring van de in- en uitstroom van studenten en gemaakte studiekeuzes, welke wordt afgerond in 2015. Is er ook sprake van een langer lopend onderzoek? Wordt bijvoorbeeld elke vijf jaar een update gegeven? Wordt ook onderzocht welke effecten deze vergaande eigen bijdragen hebben voor volgende generaties studenten, zo vragen zij.

Tevens wijzen de leden er op dat er wordt gesteld dat de basisbeurs niet doelmatig is, omdat veel studenten ook zonder beurs aan de studie zouden zijn begonnen (dead weight loss). Om hoeveel studenten gaat het hier en wat zijn de kosten, zo vragen de voornoemde leden.

De leden merken tevens op dat uit de beantwoording het beeld naar voren komt dat de regering het aangaan van hoge leningen niet ziet als een hoge drempel voor studenten. Studenten moeten niet zo moeilijk doen, lijkt de gedachte. Dit ongeacht de hoogte van de uiteindelijke studieschuld, die aanzienlijk is wanneer de student het maximale bedrag moet lenen, inclusief aanvullende beurs (bijvoorbeeld in het geval van weigerachtige ouders). De leden willen graag een reactie hierop.

De leden stellen voorts vast dat enerzijds wordt gesteld dat de student zijn masterkeuze zal baseren op inhoudelijke gronden en dat anderzijds wordt gesteld dat er sprake is van een financiële prikkel om een bewustere keuze te maken. De leden vragen de regering deze tegenstrijdigheid toe te lichten. Als blijkt dat er vanwege deze maatregel wel degelijk een verschuiving optreedt in studiekeuze, wordt het beleid dan aangepast? Hoe kijkt de regering naar de komst van de zogenaamde calculerende student, die zich als gevolg van alle maatregelen steeds meer laat leiden door financiële prikkels en snelheid, in plaats van door academische nieuwsgierigheid, zo vragen zij.

De verwijzing naar het profijtbeginsel wordt aangevoerd als argument dat een student meer zelf in zijn studie moet investeren, omdat hij hiervan in de toekomst zelf profiteert. De leden zijn van mening dat te eenzijdig vanuit de opbrengsten voor de student wordt geredeneerd en het maatschappelijk belang onderbelicht blijft. Zij vragen hoe het profijt dat de overheid en de maatschappij hebben van een hoogopgeleide beroepsbevolking, wordt meegerekend. Hoe verhoudt de individuele investering van de student zich tot de investering van de overheid en de maatschappij? De leden missen een duidelijk uitgewerkte visie op de verdeling van private en publieke bijdragen en de private en publieke opbrengsten van het hoger onderwijs. Ook vragen zij wat de gevolgen voor voorliggend wetsvoorstel zijn, als uit het aangekondigde onderzoek van het CPB3 blijkt dat de verdeling tussen publieke en private bijdragen herzien moet worden. Wat zijn de opbrengsten van hoger opgeleiden voor de maatschappij en voor de overheid? De leden vragen om een concreet antwoord van de regering.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag. Zij hebben naar aanleiding hiervan nog een aantal aanvullende vragen en opmerkingen.

De leden hebben aangegeven geen principiële bezwaren te hebben tegen een sociaal leenstelsel, mits de toegankelijkheid van het hoger onderwijs gegarandeerd blijft en de opbrengsten worden geïnvesteerd in de kwaliteit van het onderwijs. De zorgen die voorgenoemde leden hebben geuit, namelijk dat de voorgestelde invoering van het sociaal leenstelsel niet zal leiden tot een kwaliteitsimpuls in het onderwijs, zijn door de beantwoording van de regering niet weggenomen.

De leden constateren dat de regering de resultaten verwerpt van een onderzoek waarbij wordt gesteld dat studenten massaal zouden afzien van een zwaardere studie of meerjarige master. Dit doet zij op basis van haar eigen verwachtingen. Kan de regering aangeven of zij deze verwachtingen ook met eigen onderzoek kan staven? De regering stelt dat de keuze voor een bepaalde master primair inhoudelijk gedreven is, maar dat neemt niet weg dat ook wanneer de kosten van een master een minder belangrijke rol spelen, dit nog wel degelijk invloed kan hebben. Kan de regering voorts aangeven of zij het een zorgelijke ontwikkeling zou vinden als studenten zouden afzien van zwaardere studies of meerjarige masters en of zij zal ingrijpen wanneer de instroom bij dergelijke studies zal dalen, zo vragen de leden.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de regering. Zij hebben naar aanleiding van deze reactie nog enkele aanvullende vragen.

De regering zegt het bedrag dat vrijkomt met de invoering van een sociaal leenstelsel voor de masterfase te herinvesteren in het hoger onderwijs. Kan de regering toezeggen dat studenten ook daadwerkelijk iets terug zien van deze herinvesteringen?

Het valt de leden op dat de onderbouwing van het invoeren van het sociaal leenstelsel bol staat van de verwachtingen. De regering verwacht dat: studenten een master blijven doen, studenten niet teveel zullen gaan werken en het geen negatief effect zal hebben op het aantal studenten dat een educatieve master doet. Is dat niet een beetje een wankel bouwwerk, zo vragen deze leden. En wat gaat de regering doen als de verwachtingen niet uitkomen? Wordt de maatregel dan teruggedraaid, zo vragen de leden.

De regering verwacht niet dat studenten zullen afzien van een meerjarige of zwaarder geachte master, omdat berichten hierover gebaseerd zouden zijn op «wat zou je doen, als» onderzoek. Een masteropleiding zou primair een inhoudelijk gedreven keuze zijn, en daarom zullen studenten blijven kiezen voor meerjarige masteropleidingen. Waarop baseert de regering deze verwachting? Waarom acht de regering deze redenering plausibeler dan de onderzoeken over de verwachte gevolgen van het sociaal leenstelsel in de masterfase? Juist omdat de universitaire bachelor in de praktijk geen diploma voor de arbeidsmarkt is, is een masteropleiding bijna een automatische vervolgstap voor een student. Hoe denkt de regering hierover?

De leden vragen tevens of de regering scherp voor ogen heeft wanneer meer gewerkte uren door studenten wel en wanneer niet ten koste gaat van de studie. Gaat de regering dit monitoren? Wat gaat de regering doen wanneer blijkt dat meer werken als gevolg van het sociaal leenstelsel wel ten koste gaat van de studie? Daarnaast stelt de regering dat lenen verstandiger is dan werken, als werken ten koste gaat van de studie. Hoe verhoudt zich dit tot de toenemende schuldenproblematiek onder studenten? Is lenen wel verstandig, zo vragen deze leden.

De regering verwacht niet dat het wel of niet krijgen van een basisbeurs doorslaggevend zal zijn voor de keuze om een masteropleiding te volgen. Welke maatregelen gaat de regering nemen als blijkt dat het wel of niet krijgen van een basisbeurs wel van invloed is, zo vragen de leden.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag. Zij stellen nog enkele vragen.

De leden vragen of de regering een overzicht kan geven van nog bestaande opleidingen duplex ordo. Is het grootste deel van de opleidingen niet inmiddels simplex ordo, zo vragen zij. De leden vragen of het overgangsrecht eerlijk is voor studenten simplex ordo, gericht op levensbeschouwelijk ambt of beroep, aangezien zij doorgaans een driejarige opleiding volgen. Waarom is in het overgangsrecht geen rekening gehouden met het onderscheid tussen tweejarige en driejarige masters, zo vragen zij.

De leden vragen in hoeverre het «profijtbeginsel» en het argument dat studenten investeren in hun studie en dit snel zullen terugverdienen, opgaat voor studenten die een opleiding doen gericht op levensbeschouwelijk ambt of beroep. Van deze studenten wordt verwacht om drie jaar een fors bedrag te lenen, terwijl zij niet het salarisperspectief hebben dat in gezondheidssector of in het bedrijfsleven geldt.

De doelstelling van het wetsvoorstel

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat de regering stelt dat studenten eventuele gevolgen van een studieschuld kunnen beïnvloeden door deze niet te ver op te laten lopen. Hoe is dit mogelijk als masterstudenten voor hun levensonderhoud genoodzaakt zijn te lenen? Is de regering voornemens de studieschuld nauwlettend in de gaten te houden en indien nodig met gerichte voorstellen te komen, ook met het oog op de motie van de leden Slob en Sap4?

Voor studenten aan een educatieve masteropleiding wordt ook de basisbeurs omgezet in een leenstelsel. De regering verwacht niet dat dit een negatief effect op de instroom in lerarenopleidingen zal hebben. Waar is deze verwachting op gebaseerd, zo vragen de leden. Deze leden erkennen dat de motivatie om leraar te worden niet primair om geld te verdienen zal zijn, maar het niet langer ontvangen van de basisbeurs kan aankomende docenten wel ontmoedigen, zeker gezien het relatief lage startsalaris. Hoe gaat de regering er op toezien dat niet minder academici zullen kiezen voor de educatieve master, ook met het oog op het voornemen van meer academici voor de klas? Is de regering van plan maatregelen te treffen als blijkt dat het sociaal leenstelsel een ontmoedigend effect heeft op de instroom in educatieve masters, zo vragen de leden.

De regering stelt dat de aanvullende beurs van studenten uit lagere inkomensgroepen gehandhaafd blijft. De manier waarop die wordt vastgesteld, verandert echter wel. Dit zou in het belang zijn van studenten, van wie de ouders weigerachtig zijn. De leden willen graag dat de regering dit toelicht. Hoe is het mogelijk dat deze bezuiniging van belang is voor studenten? Wanneer de ouders samen genoeg verdienen, krijgen studenten geen aanvullende beurs. Met dit wetsvoorstel krijgen echter ook die studenten van wie één van de ouders weigerachtig is, en wiens inkomen wel bekend is bij de belastingdienst, ook geen aanvullende beurs meer. Hoe kan deze zogenaamde vereenvoudiging dan in het belang van de student zijn, zo vragen zij.

Beschrijving van de voorgestelde maatregelen

Sociaal leenstelsel in de masterfase

De leden van de PvdA-fractie merken op dat het de regering niet lijkt te storen dat op dit moment slechts een zeer beperkt deel van de afgestudeerden zich met een wo5-bachelordiploma op de arbeidsmarkt waagt, bij het uitspreken van de verwachting dat minder mensen voor een masteropleiding zullen kiezen. Maar wat zegt het over de bachelor als arbeidsmarktkwalificatie dat slechts zo weinig starters die graad als zodanig beschouwen?

De regeling voor weigerachtige of onvindbare ouders blijft de leden dwars in de keel steken. Acht de regering het werkelijk realistisch, eerlijk en redelijk dat studenten hun eigen ouders voor de rechter slepen? Kan een student in zo’n situatie dat überhaupt betalen, gezien het feit dat zijn beurs kleiner wordt, de griffiekosten stijgen en advocaten vaak duur zijn? Is er geen andere manier om weigerachtige ouders met voldoende inkomen ertoe te bewegen om bij te dragen aan de opleiding van hun kinderen? En vindt de regering het moreel verdedigbaar dat de bezuinigingsvoorstellen uit deze wet ook op de schouders van vluchtelingen terecht kunnen komen, wiens ouders vaak in tragische omstandigheden onvindbaar zijn geraakt?

De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering aankijkt tegen afgestudeerden die geen goedbetaalde baan kunnen vinden, maar wel een studieschuld hebben opgebouwd. Deze groep zal door de economische crisis eerder toe- dan afnemen. Is er dan nog sprake van een lonende investering, zo vragen de leden. Dit ook in het licht van de stelling in de nota naar aanleiding van het verslag dat er geen sprake zou zijn van «leenangst» maar van «risicoaversie». Dit komt de leden vooral over als gegoochel met woorden. Erkent de regering dat leenangst de keuzevrijheid van een student inperkt? Er wordt een vergelijking gemaakt met «rood staan». Deelt de regering de mening dat er een groot verschil is tussen «rood staan», waar het vaak om lagere bedragen gaat, en het aangaan van een studieschuld van niet zelden tienduizenden euro’s, zo vragen de aan het woordzijnde leden.

In de rekenvoorbeelden ten aanzien van de verschillende terugbetalingsregelingen in de nota naar aanleiding van het verslag wordt uitgegaan van een rente van 3%. Deelt de regering de mening dat dit een onjuist beeld schetst, aangezien de rente varieert en daarmee de terugbetalingsbedragen aanzienlijk hoger kunnen liggen? Ook wordt gesteld dat het geen probleem is dat de student niet kan weten wat het rentepercentage over zijn schuld over de gehele terugbetaalperiode zal zijn. Is dit niet tegenstrijdig met de eerdere stelling dat een student goed voorgelicht wordt over de schuld die hij aangaat? De leden zien hier graag een toelichting op.

De leden vragen voorts of de regering er niet te veel van uit gaat dat de keuze om wel of niet te werken naast de studie, een vrije keuze is. Een student zonder rijke ouders die geen studieschuld wil opbouwen zal immers moeten werken. De leden vragen of de regering van mening is dat het mogelijk moet zijn om «schuldenvrij» een masterstudie te voltooien.

Er wordt door de regering een onderscheid gemaakt tussen consumptief lenen en lenen voor de studie. De leden vragen de regering of dit onderscheid niet al te kunstmatig is aangezien het gevolg hetzelfde is: een hoge schuld. Ook de verwijzing dat iedere student kan studeren omdat er een «vangnet» van een leenmogelijkheid bestaat, roept bij de leden de vraag op hoe de regering tegen schulden aankijkt. Een lening is immers geen vangnet, maar een schuld.

Voorts vragen de leden of de regering de mening deelt dat een hoge studieschuld nadelige gevolgen heeft voor het besteedbaar inkomen en dus op de economische groei. En erkent zij dat hoge schulden het verkrijgen van een hypotheek kunnen bemoeilijken? Wat gaat zij hieraan doen, zo vragen de leden.

Ook vragen de leden hoe de regering een toekomstige tweedeling tussen studenten met en zonder hoge schulden voorkomt. Hoe armer de student, hoe hoger de schuld en hoe kleiner het besteedbaar inkomen op latere leeftijd. Kinderen van deze studenten zullen ook minder te besteden hebben. Hoe doorbreekt de regering deze spiraal, zo vragen zij.

Kan de regering voorts toelichten waarom zij, ondanks het feit dat 85% van de wo-studenten doorstroomt naar een master en maar 5% kiest voor de arbeidsmarkt, volhoudt dat de wo-bachelor een eindkwalificatie is en de master een vervolgopleiding? Geven deze cijfers niet eerder aan dat de master de voltooiing is van een universitaire studie? En als een leven lang leren een must is, zoals de regering stelt, waarom dan deze maatregel invoeren en niet daadwerkelijk beleid voeren dat is gericht op een leven lang leren, zo vragen de leden.

De regering gaat ervan uit dat masterstudenten die zijn begonnen op of na 1 september 2011, van de maatregel op de hoogte hadden moeten zijn en verwijst daarbij naar het concept-regeerakkoord. Wordt met deze uitspraak niet vooruitgelopen op een wet die nog aangenomen moet worden, zo vragen de leden.

De leden van de D66-fractie constateren dat de regering nog geen antwoord heeft gegeven op de vraag in hoeverre dit sociaal leenstelsel rekening houdt met de inkomenspositie van studenten en hun ouders. Kan de regering hier alsnog op ingaan? Kan zij ook aangeven of deze inkomenspositie invloed heeft op de mogelijke leenangst bij deze studenten? De voorgenoemde leden vragen voorts welke invloed de voorgestelde maatregelen hebben op de koopkracht van studenten.

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat de regering geen informatie beschikbaar heeft over het rendement van bacheloropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs. De leden achten het van belang dat deze informatie wel beschikbaar is. In de praktijk volgen vrijwel alle studenten met een universitair bachelordiploma daarna een masteropleiding. Dit zou een primair inhoudelijke keuze kunnen zijn, zoals de regering stelt, maar kan ook goed een automatische stap zijn omdat de arbeidsmarktrelevante waarde van een universitaire bachelor beperkt is. Is de regering bereid dit nog voor de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel in kaart te brengen, zo vragen zij.

Door het aantal variabelen bij het berekenen van de aanvullende beurs terug te brengen, worden de ouders verondersteld een hogere ouderlijke bijdrage te voldoen. Zijn deze ouders vermogend genoeg een hogere eigen bijdrage te berekenen? Wanneer één van de ouders weigerachtig is, maar diens inkomen is wel bekend bij de belastingdienst, vervalt de aanvullende beurs als dit inkomen te hoog is. De ouder blijft echter weigerachtig, dus de andere ouder is genoodzaakt deze hogere ouderbijdrage te betalen. Acht de regering dit wenselijk, zo vragen de leden.

De regering laat de effecten van de maatregelen onderzoeken. Is de regering ook van plan deze effecten voor studenten met minder draagkrachtige ouders specifiek in kaart te brengen?

Op basis van de huidige stand van kennis verwacht de regering niet dat de voorgestelde maatregelen ongewenste effecten zullen sorteren. En wat zal de regering doen als uit het effectenonderzoek blijkt dat de financiële toegankelijkheid van het hoger onderwijs is aangetast door de maatregelen, zo vragen de leden.

Verlenging van de terugbetaalperiode

De leden van de PvdA-fractie merken op dat in de nota naar aanleiding van het verslag slechts summier wordt ingegaan op de langere terugbetaalperiode voor de studieschuld. Welke inkomenseffecten zal dit hebben, zo vragen de leden.

Beperking van de studentenreisvoorziening

De leden van de SP-fractie merken op dat op de vraag van hun fractie hoe het onterecht niet verstrekken van het reisrecht gecompenseerd kan worden, verwezen wordt naar het niet kunnen toestaan van keuzevrijheid voor wel of niet reizen. Dit beantwoordt echter niet de vraag hoe ten onrechte gemaakte kosten kunnen worden vergoed. De leden vragen de regering met een voorstel te komen om onterecht gemaakte kosten alsnog te vergoeden. De regering verwacht dat werkgevers de reiskosten voor een stage zullen vergoeden. Waar is deze verwachting op gebaseerd? Is bekend welk percentage van de studenten de reiskosten voor een stage wel of niet vergoed krijgen, zo vragen zij.

Het feit dat DUO6 geen onderscheid maakt tussen de bachelor en de master, wordt gebruikt om voor het reisrecht niet te kiezen voor B+1+M+17. De leden vragen waarom er dan niet wordt gekozen voor B+M+2? Dit is toch meer in lijn met de langstudeerboete, zo vragen zij.

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat de regering stelt dat het beperken van de studentenreisvoorziening van nominale studieduur plus drie jaar naar nominale studieduur plus een jaar geen gevolgen heeft voor de financiële toegankelijkheid van het hoger onderwijs, omdat studenten kunnen lenen voor de kosten die zij maken. Studenten kunnen echter hun studentenreisrecht niet lenen. Is de regering van mening dat de leenmogelijkheden toereikend zijn om ook in reiskosten te voorzien, zo vragen de leden.

Vereenvoudigingen van de studiefinanciering

De leden van de SP-fractie zijn verontrust over de gevolgen van de «vereenvoudiging van regelgeving». In de praktijk komt dit neer op het ontzeggen van een aanvullende beurs aan een groep studenten. Worden hier studenten die meer financiële armslag nodig hebben niet onnodig weggezet? Is er nog ruimte voor de menselijke maat?

De leden vragen tevens of er geen sprake is van willekeur, nu de regeling weigerachtige ouders wordt stopgezet. Er wordt immers voor de aanvullende beurs gekeken naar het belastbaar inkomen van de ouders. Dit heeft tot gevolg dat de ene student met weigerachtige ouders wel een aanvullende beurs krijgt, en een andere student met weigerachtige ouders niet, terwijl de gevolgen van «de weigerachtigheid» voor beiden hetzelfde zijn: geen financiële steun van de ouders. Graag ontvangen de leden een toelichting. Tevens vragen de leden of de regering de mening deelt dat een onevenredig deel van de kosten terechtkomt bij de student zelf, wanneer de overheid niet meer bijdraagt aan de studie van studenten van weigerachtige ouders. Dit in het licht van de stelling dat zowel de overheid, de student en de ouders als drie partijen verantwoordelijk zijn voor de financiering. Graag ontvangen deze leden een toelichting.

Het «buiten beschouwing laten» van de studieschuld van ouders en daarmee verwachten dat er als gevolg meer bijgedragen wordt aan de studiekosten van de kinderen, klinkt de leden vreemd in de oren. Het «buiten beschouwing laten» wil toch niet zeggen dat de schuld er niet meer is? Het daadwerkelijk besteedbare inkomen verandert niet, dus waar is de aanname op gebaseerd dat deze ouders nu wel een grotere bijdrage zullen leveren aan de studiekosten, zo vragen zij.

De prestatiebeurs wordt alleen toegekend voor de afgeronde studie. Wat zijn de gevolgen van deze maatregel voor studieswitchers? Wordt de studiefinanciering die vóór de afgeronde studie is uitgekeerd aan de student die op dat moment een andere studie volgde, maar deze niet heeft afgerond, ook omgezet in een gift?

Ten aanzien van chronisch zieken en gehandicapten wordt gesteld dat er een jaar extra uitloop is voor de masterfase, indien het uitloopjaar niet al is gebruikt voor de bachelorfase. Deelt de regering de mening dat een chronisch zieke of gehandicapte student die uitloop logischerwijs voor beide fasen nodig zal hebben? Het uitloopjaar is toch net zo hard nodig wanneer op de bachelor de masterfase volgt, zo vragen de leden van voornoemde fractie.

De leden van de D66-fractie vinden dat de regering nog onvoldoende duidelijk heeft gemaakt hoe om wordt gegaan met studenten wiens ouders onvindbaar zijn. Hoe wil de regering hieraan het hoofd bieden, zo vragen zij.

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat de regering er voor kiest te korten op studenten met weigerachtige en onvindbare ouders omdat er vaak een beroep zou worden gedaan op de aanvullende beurs, terwijl die eigenlijk bedoeld is voor ouders die niet kunnen bijdragen in verband met hun inkomen. De aanvullende beurs is echter helemaal niet bedoeld voor ouders, maar voor studenten. Is de regering van mening dat het de schuld van de betreffende studenten is dat zij een ouder hebben die zich aan de ouderplicht onttrekt? Zo nee, waarom kiest de regering er dan voor deze studenten te straffen voor het gedrag van hun ouder(s), zo vragen de leden.

Eigentijdse dienstverlening aan de student

De leden van de PvdA-fractie merken op dat het bewuster kiezen door studenten een gewenst effect van deze voorstellen is. Zij vragen hoe studenten, die in het studiejaar 2012/2013 gaan studeren en te maken krijgen met deze nieuwe wet, worden geïnformeerd, als het doel is om de studiebijsluiter pas in het najaar gereed te hebben.

De leden van de SP-fractie merken op dat onlangs gepubliceerde gegevens over de bekendheid van de nieuwe maatregelen lieten zien dat veel jongeren niet goed op de hoogte zijn van de aankomende maatregelen en de gevolgen daarvan (de zogenaamde nul-meting)8. De leden vragen nogmaals hoe erop wordt toegezien dat de communicatie naar de (aankomende) studenten volledig en afdoende geschiedt.

Gevolgen voor de doelgroep

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat de regering stelt dat er niet zozeer sprake is van leenangst maar eerder van risicoaversie. Waar is deze stelling op gebaseerd? Acht de regering een studieschuld wenselijk? Waarom kiest de regering er voor het aantal minderjarige kinderen geen rol meer te laten spelen bij de vaststelling van de aanvullende beurs? Deze wijziging heeft grote financiële gevolgen voor ouders en studenten met/uit grotere gezinnen. Acht de regering dit wenselijk, zo vragen de leden.

De voorzitter van de commissie, Van Bochove

De adjunct-griffier van de commissie, Bošnjaković


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Ham, B. van der (D66), Bochove, B.J. van (CDA), voorzitter, Miltenburg, A. van (VVD), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Bosma, M. (PVV), Dijk, J.J. van (SP), Dibi, T. (GL), Wolbert, A.G. (PvdA), ondervoorzitter, Biskop, J.J.G.M. (CDA), Smits, M. (SP), Elias, T.M.Ch. (VVD), Beertema, H.J. (PVV), Dijkstra, P.A. (D66), Jadnanansing, T.M. (PvdA), Dekken, T.R. van (PvdA), Dijkgraaf, E. (SGP), Çelik, M. (PvdA), Lucas, A.W. (VVD), Klaveren, J.J. van (PVV), Klaver, J.F. (GL), Liefde, B.C. de (VVD), Werf, M.C.I. van der (CDA) en Hazekamp, A.A.H. (PvdD).

Plv. leden: Koşer Kaya, F. (D66), Ferrier, K.G. (CDA), Burg, B.I. van der (VVD), Schouten, C.J. (CU), Dille, W.R. (PVV), Kooiman, C.J.E. (SP), Peters, M. (GL), Dam, M.H.P. van (PvdA), Haverkamp, M.C. (CDA), Wit, J.M.A.M. de (SP), Hennis-Plasschaert, J.A. (VVD), Mos, R. de (PVV), Pechtold, A. (D66), Dijsselbloem, J.R.V.A. (PvdA), Klijnsma, J. (PvdA), Staaij, C.G. van der (SGP), Hamer, M.I. (PvdA), Harbers, M.G.J. (VVD), Gerbrands, K. (PVV), Sap, J.C.M. (GL), Berckmoes-Duindam, Y. (VVD), Rouwe, S. de (CDA) en Ouwehand, E. (PvdD).

X Noot
2

Kamerstuk 33 145, nr. 8.

X Noot
3

CPB: Centraal Planbureau.

X Noot
4

Kamerstuk 33 000, nr. 35.

X Noot
5

Wo: wetenschappelijk onderwijs.

X Noot
6

DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs.

X Noot
7

B+1+M+1 betekent een jaar uitloop op de bachelor en een jaar uitloop op de master (bachelor +1 jaar + master + 1 jaar).

X Noot
8

Ons kenmerk, Parlisnummer: 2012D08843, een rapport naar de bekendheid onder studenten en scholieren over de (voor)genomen maatregelen in het hoger onderwijs.