Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201833141 nr. 8

33 141 Wijziging van de Wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, 296) in verband met wijziging van de regeling van de ouderbijdrage aan de peuterspeelzaal bij deelname van een kind aan voorschoolse educatie en van de Wet op het primair onderwijs in verband met wijziging van de schriftelijke instemming van ouders van leerlingen met een grote achterstand in de Nederlandse taal

Nr. 8 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 juli 2018

Bij koninklijke boodschap van 17 januari 2012 is het voorstel van wet tot wijziging van de Wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, nr. 296) in verband met wijziging van de regeling van de ouderbijdrage aan de peuterspeelzaal bij deelname van een kind aan voorschoolse educatie en van de Wet op het primair onderwijs in verband met wijziging van de schriftelijke instemming van ouders van leerlingen met een grote achterstand in de Nederlandse taal aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden (Kamerstuk 33 141).

Het wetsvoorstel regelt dat de ouderbijdrage voorschoolse educatie voor ouders van doelgroepkinderen wordt gemaximeerd en wordt gelijkgesteld aan de ouderbijdrage die ouders betalen wanneer zij gebruik maken van kinderopvang toeslag en vallen in de laagste inkomenscategorie. Daarnaast regelt het wetsvoorstel dat ouders van leerlingen met een grote achterstand in de Nederlandse taal in minder gevallen schriftelijk hoeven in te stemmen met deelname aan onderwijstijdverlenging (bijv. zomerscholen en schakelklassen). Dit is alleen nog nodig wanneer de activiteiten ter bevordering van de Nederlandse taal volledig buiten de reguliere onderwijstijd plaatsvinden. De behandeling van het wetsvoorstel is in 2012 stil komen te liggen in afwachting van het wetsvoorstel Harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzalen (Kamerstuk 34 596). Deze wet is inmiddels met ingang van 1 januari 2018 in werking getreden. De afgelopen zes jaar heeft echter geen ontwikkeling plaatsgevonden waarbij gemeenten ouderbijdragen vragen die significant hoger zijn dan de onderste trede van de kinderopvangtabel. Er zijn ook geen signalen dat het vragen van schriftelijke instemming aan ouders van leerlingen met een grote achterstand in de Nederlandse taal voor deelname aan onderwijstijdverlenging een belemmering vormt. Integendeel, volgens het onderwijsadviesbureau Sardes, dat onderzoek heeft gedaan naar schakelklassen en zomerscholen, vinden veel scholen een dergelijke schriftelijke instemming juist goed voor de betrokkenheid van ouders. Dit onderzoek is als bijlage gevoegd bij de brief van 5 februari 2018 aan de Tweede Kamer over de stand van zaken moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs (Kamerstukken 31 497, 31 293 en 31 289, nr. 258). Inhoudelijk is er dan ook geen noodzaak om op basis van de afgelopen jaren het wetsvoorstel doorgang te laten vinden.

Daartoe gemachtigd door de Koning trek ik het voorstel van wet daarom hierbij in.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,Namens deze, I.K. van Engelshoven