Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2018-201933118 nr. AU

33 118 Omgevingsrecht

33 962 Regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet)

34 986 Aanvulling en wijziging van de Omgevingswet, intrekking van enkele wetten over de fysieke leefomgeving, wijziging van andere wetten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringswet Omgevingswet)

AU1 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 april 2019

Uw commissie voor Infrastructuur, Waterstaat en Omgeving (IWO) heeft verzocht om in kaart te brengen welke activiteiten nog moeten plaatsvinden tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2021. Met deze brief geef ik een overzicht van de stappen die hiervoor nodig zijn. Uw commissie heeft aangegeven dat het aspect «uitvoerbaarheid» van groot belang is. Ook voor mij is dat essentieel. Uitvoerbaarheid kent meerdere invalshoeken. De eerste invalshoek is de uitvoerbaarheid van de regelgeving, de tweede heeft betrekking op de vraag of de uitvoeringspraktijk voldoende is voorbereid voor de inwerkingtreding. Hieronder licht ik toe hoe deze invalshoeken in het proces tot 2021 aan bod komen. Binnenkort is de wisseling in uw Kamer voorzien. Ik ben graag bereid om tijdens een kennismaking met de nieuw samengestelde commissie IWO, net zoals ik dat met de huidige commissie heb gedaan, te bespreken wat er nodig is om een zorgvuldige behandeling te borgen en daarbij zou ik graag onderscheid willen maken tussen de twee genoemde invalshoeken.

1. Uitvoerbaarheid van de regelgeving

Ten eerste gaat het om de vraag of de regelgeving uitvoerbaar is en in de praktijk kan gaan werken. Deze vraag is aan de orde bij de behandeling van de verschillende wetgevingsproducten. Ook de adviezen van de Integrale adviescommissie Omgevingswet over de wetgevingsproducten gaan op deze vraag in.

De Omgevingswet en de vier AMvB’s zijn in uw Kamer behandeld en zijn inmiddels gepubliceerd in het Staatsblad. Het jaar 2019 staat in het teken van de parlementaire behandeling van de invoerings- en aanvullingsregelgeving. De voorstellen voor de Invoeringswet en de Aanvullingswet bodem liggen al bij uw Kamer. De voorstellen voor het Invoeringsbesluit en het Aanvullingsbesluit bodem volgen nog voor de zomer. Afhankelijk van de behandeling in de Tweede Kamer hoop ik dat voor het zomerreces de voorstellen voor de Aanvullingswetten natuur, geluid en grondeigendom uw Kamer kunnen bereiken. Het streven is het voorstel voor het Aanvullingsbesluit natuur voor de zomer voor te hangen. Na de zomer volgen de voorstellen voor de Aanvullingsbesluiten geluid en grondeigendom. In onderstaand schema heb ik dit samengevat.

Wetgevingsproduct

Parlementaire behandeling Eerste Kamer

Invoeringswet

Gestart

Invoeringsbesluit

Start voorhang voorzien voor het zomerreces 2019

Aanvullingswet bodem

Aangeboden

Aanvullingsbesluit bodem

Start voorhang voorzien voor het zomerreces 2019

Aanvullingswet natuur

Aanbieding voorzien voor of vlak na het zomerreces 2019

Aanvullingsbesluit natuur

Start voorhang voorzien voor of vlak na het zomerreces 2019

Aanvullingswet geluid

Aanbieding voorzien voor of vlak na het zomerreces 2019

Aanvullingsbesluit geluid

Start voorhang voorzien in tweede helft 2019

Aanvullingswet grondeigendom

Aanbieding voorzien voor of vlak na het zomerreces 2019

Aanvullingsbesluit grondeigendom

Start voorhang voorzien in tweede helft 2019

In het schema komt naar voren dat de voorstellen voor de Aanvullingswetten en -besluiten per thema in dezelfde periode bij uw Kamer aangeboden worden. Ik begrijp dat het behandelen van deze wetten en besluiten een forse inspanning aan uw zijde kan vragen, met name in de tweede helft van 2019. Naar verwachting zullen de ontwerpbesluiten van de aanvullingssporen voorhangen in de periode dat ook de betreffende wetsvoorstellen bij uw Kamer aanhangig zijn. Daarmee heeft uw Kamer bij de behandeling van het wetsvoorstel direct inzicht in de uitwerking op besluitniveau. Uiteraard worden de aanvullingsbesluiten na de voorhang bij het parlement voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd. In de Omgevingswet is geborgd dat uw Kamer van de publicatie van deze adviezen en het nader rapport in kennis wordt gesteld.

De partijen in de uitvoeringspraktijk zijn gebaat bij helderheid over de regels die gaan gelden. Hoe eerder de regels worden gepubliceerd, hoe liever het hen is. Dit mag een zorgvuldige parlementaire behandeling echter niet in de weg staan. Ik ga graag met uw Kamer in gesprek hoe we beide elementen kunnen verenigen en ik ben graag bereid om uw Kamer daarbij zo veel als mogelijk te faciliteren. Daarbij denk ik ieder geval aan de volgende zaken:

  • Bij elk wetgevingsproduct ontvangt uw Kamer – zoals ik eerder heb toegezegd – het advies daarover van de onafhankelijke Integrale Adviescommissie Omgevingswet. De uitvoerbaarheid van de regelgeving is een belangrijk aandachtspunt voor de commissie en zij is mede daarom samengesteld uit professionals uit de uitvoeringspraktijk. Daarnaast kijkt de commissie naar de bijdrage van de regelgeving aan de vier verbeterdoelen van de stelselherziening en de inpassing van de regelgeving in het stelsel. Aanvullend op de adviezen per wetgevingsproduct ontvangt uw Kamer eind dit jaar een samenhangend advies van de Integrale Adviescommissie Omgevingswet over het samenstel van de wetgevingsproducten die bij uw Kamer aanhangig zijn (geweest).

  • In de toelichting op de regelgeving wordt aangegeven hoe met de consultatiereacties wordt omgegaan, waaronder reacties die betrekking hebben op de uitvoerbaarheid van de regelgeving.

  • Als daar bij uw Kamer behoefte aan is, werk ik graag mee aan technische briefings.

  • De geconsolideerde versie van de Omgevingswet is beschikbaar op www.omgevingswetportaal.nl en deze stel ik bij elk nieuw wetsvoorstel bij. Deze versie maakt inzichtelijk hoe de voorgestelde wijzigingen van wetsvoorstellen in de tekst van de Omgevingswet doorwerken. Ook voor de AMvB’s zal ik voorzien in een geconsolideerde versie.

2. Is de uitvoeringspraktijk voldoende voorbereid voor inwerkingtreding?

Het tweede onderdeel van het aspect «uitvoerbaarheid» is of de uitvoeringspraktijk voldoende is voorbereid voor de inwerkingtreding. De Omgevingswet is weliswaar een nieuwe wet, maar bundelt en stroomlijnt de inhoud van 26 bestaande wetten op het terrein van de fysieke leefomgeving. De uitvoering van de huidige regelgeving ligt ook nu bij gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk. In de bevoegdheidsverdeling tussen de overheidslagen verandert met de Omgevingswet niet zoveel. Dit is een groot verschil met bijvoorbeeld de decentralisatiebeweging in het sociaal domein in 2015, toen gemeenten een nieuwe taak toebedeeld kregen die ze tot die tijd niet uitvoerden. In het geval van de Omgevingswet is er grotendeels sprake van continuïteit van taken en bevoegdheden. Verschuivingen in bevoegdheden zijn beperkt tot gevallen waar de stelselherziening dat nodig maakte. Er is bijvoorbeeld één bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning, ook voor activiteiten die onder huidig recht nog aparte vergunningstelsels kennen, zoals op grond van de Ontgrondingenwet of de Spoorwegwet.

Wel vraagt de Omgevingswet om een aantal processen op een andere manier te gaan doen. Een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Meer interbestuurlijke samenwerking. Een omgevingsvisie vaststellen, een vergunningverleningsproces moet in bepaalde gevallen sneller, en een omgevingsplan bevat meer dan een huidig bestemmingsplan. Het veranderen van de manier waarop gewerkt wordt kost tijd en inspanning. Dit is niet van het ene op het andere moment veranderd, er is sprake van een meerjarige transitieperiode. Voor veel van deze nieuwe processen bestaat overgangsrecht: de bevoegd gezagen hoeven daarom niet direct op alle fronten klaar te zijn bij inwerkingtreding van de wet. Het overgangsrecht heeft ook betrekking op het bedrijfsleven: bestaande vergunningen blijven in stand.

Samen met de andere overheden heb ik in kaart gebracht wat er minimaal klaar moet zijn om de nieuwe wet in werking te laten treden. Dat beslaat drie terreinen: digitale aspecten (waaronder technische aansluitingen op de landelijke voorziening van het digitale stelsel, het DSO-LV), werkprocessen (bijvoorbeeld werkafspraken in de regio om tot een adequate vergunningverleningsprocedure te komen), en inhoudelijke vereisten (bijvoorbeeld een vastgestelde NOVI en een vastgestelde en gepubliceerde provinciale omgevingsverordening). Naast deze minimale vereisten vanuit de wet, gaat de bestuurlijke ambitie verder, met name op het gebied van de dienstverlening richting burger. Ik ben dan ook in gesprek met de bestuurlijke partners over het groeipad dat daarbij hoort: waar willen we bij inwerkingtreding staan? Welk groeipad staat ons voor ogen voor de komende jaren?

De voortgang van de implementatie op deze terreinen monitor ik op dit moment twee keer per jaar; over de uitkomsten informeer ik beide Kamers. Voor de bestuurlijke partners en mij is de monitor een middel om stuurinformatie te vergaren: waar gaat het goed en liggen we op koers, waar is meer aandacht van mij en de bestuurlijke partners nodig? Aan de uitkomsten van de monitor worden acties verbonden. De volgende monitoringsbrief zal voor de zomer aan de Kamers worden aangeboden. In deze brief zal ik ook een inhoudelijk beeld schetsen van waar de bestuurlijke koepels en het Rijk bij inwerkingtreding met de implementatie moeten staan, en waar wij zouden willen staan.

Ik betrek de resultaten van de monitor ook in de integrale voortgangsbrieven van de stelselherziening. Deze brieven gaan over het geheel van de wetgeving, de implementatie en het DSO en zal ik vanaf eind 2019 tot eind 2020 elk half jaar sturen. Ik voorzie op de volgende momenten dus de volgende brieven:

  • medio 2019. Brief over de monitoringsresultaten met een inhoudelijk beeld van waar wij bij inwerkingtreding met de implementatie moeten staan, en waar wij zouden willen staan.

  • eind 2019. In deze brief zal ik ook aangeven of inwerkingtreding per 2021 haalbaar is en/of welke extra maatregelen nodig zijn.

  • medio 2020.

  • eind 2020.

Daarnaast ben ik met de partners in gesprek in hoeverre de halfjaarlijkse landelijke monitor nog voldoet, of dat er aanvullende en frequentere metingen wenselijk zijn. Ook daarover zal ik uw Kamer in de brief voor de zomer informeren.

Samengevat zijn er mijns inziens twee invalshoeken bij de uitvoerbaarheid: de uitvoerbaarheid van de regelgeving en de vraag of de uitvoeringspraktijk voldoende is voorbereid. De uitvoerbaarheid van de regelgeving komt aan de orde bij de verschillende wetgevingsproducten. De vraag of de uitvoeringspraktijk voldoende is voorbereid, bespreek ik graag aan de hand van de resultaten van de monitor implementatie en de integrale voortgangsbrieven die mede op deze monitor worden gebaseerd.

3. Tot slot

De voorhang van het inwerkingtredings-KB is het aangrijpingsmoment waarop uw Kamer – op basis van de monitoringsresultaten en de voortgangsbrieven – kan oordelen of per 1 januari 2021 tot inwerkingtreding kan worden overgegaan. Het besluit hangt voor in uw Kamer en er zal geen voordracht voor bekrachtiging komen als het parlement daarmee niet akkoord is. Naar verwachting wordt het KB medio 2020 bij uw Kamer voorgehangen.

Ik realiseer me dat het proces tot 2021 van ons allen nog een forse inspanning vergt. De grote betrokkenheid van uw Kamer en de wens om het debat over de stelselherziening van de Omgevingswet op een zorgvuldige manier te voeren waardeer ik zeer. Ik hoop dat ik met deze brief een goed overzicht heb gegeven van de stappen die in uw Kamer nodig zijn tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2021. Ik ga ook graag het gesprek hierover aan met uw Kamer.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

De letters AU hebben alleen betrekking op 33 118.