33 118 Omgevingsrecht

Nr. 172 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Ontvangen ter Griffie op 17 december 2020.

De voordracht voor het vast te stellen koninklijk besluit is aan de Kamer overgelegd tot en met 1 februari 2021.

De voordracht voor het vast te stellen koninklijk besluit kan niet eerder worden gedaan dan op 2 februari 2021.

Bij deze termijn is rekening gehouden met de recesperiode van de Tweede Kamer.

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 december 2020

Hierbij bied ik u aan het ontwerpbesluit tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet1.

In vervolg op het notaoverleg in uw Kamer van 25 november jongstleden (Kamerstuk 33 118, nr. 170) is de motie van de leden Regterschot en Terpstra aangenomen. Daarin wordt de regering verzocht de inwerkingtredingsdatum van de Omgevingswet te bepalen op 1 januari 2022 en het koninklijk besluit met de daarin opgenomen vermelding van die datum zo snel mogelijk voor te hangen bij de beide Kamers der Staten-Generaal (Kamerstuk 33 118, nr. 160).

Met de voorhang van dit ontwerp koninklijk besluit wordt een volgende stap gezet richting de besluitvorming over de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2022. Met deze besluitvorming wordt de bestuurlijke partners en de uitvoeringspraktijk duidelijkheid geboden dat de Omgevingswet op 1 januari 2022 ingevoerd zal worden.

Zoals besproken met uw Kamer in het notaoverleg van 25 november is het perspectief op de invoeringsdatum nodig voor de verdere voorbereiding op de invoering. Dat betekent niet dat het werk al helemaal af is. Ook komend jaar wordt er van alle partijen nog een flinke inspanning gevraagd. Maar ik heb samen met de bestuurlijke partners het vertrouwen dat een zorgvuldige invoering per 1 januari 2022 realistisch is. Inmiddels is de wetgeving nagenoeg afgerond. De ontwikkeling van de landelijke voorziening van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) nadert zijn afronding en is eind van dit jaar voldoende gereed voor inwerkingtreding zodat alle overheden ermee kunnen oefenen. Ik heb goede financiële afspraken gemaakt met de medeoverheden. In vervolg op het notaoverleg heeft uw Kamer twee moties (Kamerstuk 33 118, nrs. 162 en 165) met algemene stemmen aangenomen die passen binnen die afspraken en die mijn betrokkenheid erbij ondersteunen. Hiermee wordt geborgd dat de Omgevingswet decentrale overheden niet meer hoeft te kosten dan dat het hen oplevert.

Dit alles overziend acht ik de tijd rijp om het ontwerp van het inwerkingtredingsbesluit aan uw Kamer aan te bieden. Met deze voorhang wordt uitvoering gegeven aan de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure uit artikel 23.10, tweede lid, van de Omgevingswet. Dit artikel bepaalt dat de voordracht voor het koninklijk besluit niet eerder wordt gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Dit artikel geeft daarbij een minimumtermijn aan het kabinet voordat het koninklijk besluit wordt voorgedragen aan de Koning. Zodra de Eerste of Tweede Kamer het ontwerp koninklijk besluit in behandeling neemt, zal het kabinet wachten met de voordracht van het koninklijk besluit aan de Koning tot deze behandeling is afgerond. Dit past bij het uitgebreide proces dat regering en parlement hebben doorlopen bij de totstandkoming van het stelsel van de Omgevingswet.

Een brief van gelijke strekking heb ik gezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

Naar boven