Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202033118 nr. 147

33 118 Omgevingsrecht

Nr. 147 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juni 2020

Inleiding

Een goed en sterk functionerend VTH-stelsel (VTH = vergunningverlening, toezicht en handhaving) is essentieel. Even belangrijk is de stevige aanpak van milieucriminaliteit binnen het stelsel; ingrijpen door de overheid als bedrijven hun verantwoordelijkheid onvoldoende nemen om de veiligheid ten gevolge van hun bedrijfsactiviteiten te borgen. Op 29 november 2019 heb ik u de onderzoeken naar de kwaliteit van de uitvoering van VTH-taken en de bevindingen uit de verkenning naar ervaren knelpunten in de aanpak van milieucriminaliteit (de markt de baas) gestuurd12. Met betrokken partijen ben ik aan de slag om een uitvoeringsagenda VTH en een actieplan Milieucriminaliteit op te stellen.

Als toegezegd in het Algemene Overleg Externe Veiligheid van 5 december 2019 (Kamerstuk 26 956, nr. 213), informeer ik u hierbij over de voortgang van de uitvoeringsagenda VTH en mede namens Minister van Justitie en Veiligheid, F.J.B. Grapperhaus, over het actieplan milieucriminaliteit. Daarnaast ga ik in op openstaande moties en toezeggingen die liggen op het terrein van de uitvoering van VTH-taken.

Een aantal onderwerpen uit de uitvoeringsagenda VTH en het actieplan milieucriminaliteit kennen samenhang en zijn complementair aan elkaar, hier ga ik in deze brief verder op in.

Voortgang uitvoeringsagenda VTH

Uit de conclusies en aanbevelingen uit het Berenschot rapport3 volgt dat het VTH-stelsel staat en zich de afgelopen jaren verder heeft doorontwikkeld. Wel is er ruimte voor verbetering van het stelsel. Deze conclusies en aanbevelingen heb ik besproken met mijn partners4 en gezamenlijk zijn we hiermee aan de slag. De aanbevelingen uit het rapport hebben geleid tot zes thema’s die we samen hebben geformuleerd. Breed draagvlak is essentieel voor het slagen in de uitvoering en draagt bij aan het versterken van het VTH-stelsel op alle fronten.

Het gaat om de volgende thema’s:

  • 1. Afhechten bestaande afspraken

  • 2. Versterken interbestuurlijk toezicht

  • 3. Nieuwe taken beleggen

  • 4. Opdrachtgeverschap en kwaliteitscriteria

  • 5. Professionalisering uitvoeringstaken

  • 6. Kennisinfrastructuur

De thema’s hebben elk een trekker vanuit de deelnemende organisaties en worden inhoudelijk afgestemd met de andere partners om te zorgen dat er zoveel mogelijk samenhang wordt gezocht met de praktijk en reeds lopende acties. Hieronder ga ik per thema kort in op de aanpak en noem ik enkele voorbeelden van concrete acties die al in gang zijn gezet.

Afhechten bestaande afspraken

Geconstateerd is dat nog niet alle bestaande afspraken en wettelijke verplichtingen ten aanzien van VTH zijn doorgevoerd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het volledig inbrengen van het basistakenpakket bij omgevingsdiensten. Naast de wettelijke grondslag is inbrengen van het volledige basistakenpakket gewenst in het kader van uniformiteit, dit verbetert de robuustheid van het stelsel. Als eerste stap onderzoek ik hoe groot het probleem is en waar dit speelt. Daarna zullen gesprekken moeten worden gevoerd tussen het bevoegd gezag (in haar rol als opdrachtgever), het Rijk en de omgevingsdiensten.

Versterken interbestuurlijk toezicht

Interbestuurlijk toezicht is essentieel voor het goed functioneren van het VTH-stelsel. Het zorgt ervoor dat de verschillende partners binnen het stelsel kunnen worden aangesproken op hun functioneren. De conclusie van het onderzoek naar de kwaliteit van de uitvoering van VTH-taken was dat dit is verbeterd ten opzichte van eerdere evaluatiemomenten, maar dat er nog wel ruimte is voor verdere verbetering. Onder meer door lessen en best practices die nu zijn ontwikkeld in kaart te brengen, te analyseren en te delen met de andere provincies. Verder zal er binnen dit thema worden gekeken hoe provincies vanuit hun IBT-coördinatierol gemeenten kunnen ondersteunen in hun uitvoering. Hierbij wordt aangesloten bij de uitwerking van de «agenda toekomst van het interbestuurlijk toezicht» (ATT)5 en de daarin opgenomen actielijnen.

Nieuwe taken beleggen

Het beleggen van nieuwe taken in het VTH-stelsel blijkt niet eenvoudig, onder andere door discussie over taken, maar ook door een verscheidenheid aan opdrachtgevers. Tegelijkertijd zien wij rond grote maatschappelijke thema’s zoals de ontwikkeling naar een circulaire economie en de energietransitie, nieuwe vraagstukken ontstaan in relatie tot het VTH stelsel. Om deze nieuwe taken en ontwikkelingen beter te kunnen beleggen in de toekomst, wil ik een case-study uitvoeren naar de mogelijk nieuwe taken vanuit het thema circulaire economie. Aan de hand van de resultaten van deze case-study wil ik samen met mijn partners een aanpak ontwikkelen aan de hand waarvan nieuwe taken relatief eenvoudig en uniform in het VTH-stelsel belegd kunnen worden. De case-study zal eind van de zomer 2020 voltooid zijn en de aanpak hoop ik eind 2020 te kunnen vaststellen.

Opdrachtgeverschap en kwaliteitscriteria

Omgevingsdiensten zijn door provincies en gemeenten (in een tweetal gevallen ook door een waterschap) opgericht als openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Het bevoegd gezag is daarmee zowel eigenaar als opdrachtgever van een omgevingsdienst. Meerdere bevoegde gezagen zijn verantwoordelijk voor een omgevingsdienst en hebben verschillende taken belegd bij de omgevingsdienst. Naast de verplichte basistaken zijn er ook vrijwillig in te brengen plustaken die belegd kunnen worden bij omgevingsdiensten. Hierdoor is een diversiteit ontstaan in de invulling van het opdrachtgeverschap. Vanuit opdrachtgevers en omgevingsdiensten klinkt de behoefte aan handvatten voor een goed opdrachtgeverschap, binnen dit thema zal hier een handreiking voor worden gedaan.

In het onderzoek «Kwaliteitsborging bij de uitvoering van VTH-taken» komt naar voren dat er behoefte is om competenties zoals bestuurlijke sensitiviteit en procesvaardigheid toe te voegen aan de kwaliteitscriteria van omgevingsdiensten. Daarnaast vraagt de Omgevingswet om nieuwe vaardigheden vanwege de veranderende wet- en regelgeving. Daarom zullen er binnen dit thema ook nieuwe kwaliteitscriteria voor de omgevingsdiensten worden opgesteld. Er vindt een wijziging plaats van de kwaliteitscriteria onder de Omgevingswet. Hierin worden de kwaliteitscriteria voor competenties meegenomen, we starten dit traject na het BOb van oktober 2020 en dit is gereed met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Bevoegde gezagen zullen een volgende versie van de kwaliteitscriteria moeten vastleggen in hun verordening.

Professionalisering van de uitvoeringstaken

Vanuit de aanbevelingen uit het onderzoek naar de kwaliteit van de uitvoeringstaken volgt dat beleid en uitvoering meer op elkaar moeten aansluiten. De uitvoering van de VTH-taken verloopt volgens twee cycli: een beleidsvormende en een uitvoerende. Dit is geborgd in het Bor (Besluit omgevingsrecht).

De beleidsvormende cyclus is het domein van de bevoegde gezagen, de uitvoerende cyclus ligt deels bij omgevingsdiensten en deels bij bevoegde gezagen. De verbinding tussen de twee cycli verdient een optimalisatieslag. Eén van de oorzaken dat de cycli niet goed op elkaar aansluiten komt bijvoorbeeld doordat het bevoegd gezag zowel de rol van opdrachtgever als eigenaar heeft. Binnen deze twee rollen wordt gezocht naar een balans tussen de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken en kostenefficiëntie.

Het verbeteren van het opdrachtgeverschap vanuit de verschillende bevoegde gezagen richting omgevingsdiensten vervult een prominente rol in deze optimalisatieslag. We hebben het dan over onder meer het uniformeren van mandaten, professionaliseren van opdrachtgeverschap en afspraken maken over het verbinden van de beleids- en uitvoeringscyclus. Het gaat dan om bijvoorbeeld beter toepasbare rapportages (rapportages m.b.t. toezicht en handhaving) zodat daar passend beleid op kan worden gemaakt. Zodat in de beleidsvorming meer rekening kan worden gehouden met de uitvoeringspraktijk. De eerste resultaten hiervan worden medio 2021 verwacht.

Kennisinfrastructuur

Uit de aanbevelingen uit het rapport «Kwaliteitsborging bij de uitvoering VTH-taken», maar ook uit het rapport «Grondstof of Afval»6 kwam duidelijk naar voren dat er noodzaak is voor het borgen van kennisdeling op bovenregionaal en landelijk niveau. Er lopen op dit gebied al veel verschillende initiatieven. Bijvoorbeeld bij het Veluweberaad7, maar bijvoorbeeld ook met toezichttools als de Inspectieview Milieu waarmee toezichtgegevens worden gedeeld tussen de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke kolom. Het ontbreekt echter aan regie op deze verschillende initiatieven. Om deze reden pak ik dit op.

De eerste stap is in kaart brengen welke landelijke initiatieven er al zijn, of deze op elkaar aansluiten of er leemtes zijn en/overlappen (inventarisatie eind 2020 gereed). Vervolgens is de vraag waar verbeteringen mogelijk en nodig zijn en hoe we deze willen realiseren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het (nog meer) centraliseren van specifieke kennis van een inhoudelijk onderwerp bij een specifieke Omgevingsdienst in plaats van bij alle Omgevingsdiensten. Deze tweede stap willen we voor de zomer 2021 afronden.

Adviescommissie VTH

In mijn brief van 29 november 2019 heb ik het voornemen uitgesproken om een onafhankelijke commissie in het leven te roepen en deze commissie te vragen hoe we zorgen voor een VTH-stelsel dat toekomstbestendig is in relatie tot onze uitdagingen. Over deze adviescommissie informeer ik u in een separate brief.

Actieplan milieucriminaliteit

In de gezamenlijke werkgroep aanpak milieucriminaliteit van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is in de afgelopen maanden gewerkt aan een verbeterslag in de aanpak van milieucriminaliteit op basis van de knelpunten uit de CCV verkenning. Het gaat om de volgende thema’s:

  • Bestuurlijke aandacht

  • Integriteit en markttoegang

  • Landelijke handhaving strategie (LHS)

  • Onafhankelijkheid

  • Strafrechtelijk proces en capaciteit

  • Informatie-uitwisseling

Onderstaand schets ik kort de aanpak per thema. De aard van de problematiek en de gesignaleerde knelpunten laten zien dat er weinig eenvoudige en snelle oplossingen zijn.

Niet alles zal tegelijk en in hetzelfde tempo kunnen worden aangepakt. In het najaar moet helder zijn wat nodig is aan kwaliteit en capaciteit om tot concrete verbeteringen te komen en wat mogelijk belemmeringen zijn.

Ook zullen Minister Grapperhaus en ik het recente advies van de landelijk milieuofficier van justitie om meer te gaan doen aan milieucriminaliteit bespreken.

Bestuurlijke aandacht

Milieucriminaliteit heeft effect op mens en milieu, maar is meestal weinig zichtbaar voor de samenleving. Tegelijkertijd zijn de schadelijke effecten groot, zoals bij het illegaal dumpen van asbest. De aanpak van milieucriminaliteit is een opgave die inzet vraagt van diverse partijen en hoog op de bestuurlijke agenda’s moet staan, zowel nationaal als regionaal/lokaal. Mijn inzet is om meer en structureel aandacht te geven aan dit onderwerp. Een eerste stap hiertoe is het onderwerp Milieucriminaliteit als vast agendapunt op te nemen in het Bestuurlijke Omgevingsberaad (BOb). Daarnaast streef ik ernaar dat de aanpak milieucriminaliteit ook regionaal en lokaal vast onderdeel wordt van de bestuurlijke agenda, zoals in de Bestuurlijke Advies Commissie Milieu, Vergunning, Toezicht en Handhaving (IPO). Tevens heb ik contact opgenomen met de omgevingsdiensten over een verbetering van de uitwisseling van best practices.

Een voorbeeld van een best practice is de wijze van verslaglegging voor de samenleving toegankelijker te maken, zoals de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILenT) afgelopen jaar heeft gedaan met storytelling in het jaarverslag. Hierdoor wordt het voor de samenleving beter te begrijpen wat onderwerpen inhouden en kan er vanuit de samenleving meer aandacht voorkomen. De volgende stap is om dit het komende anderhalf jaar uit te rollen bij de verschillende omgevingsdiensten.

Onafhankelijkheid

Er kan soms spanning ontstaan tussen een onafhankelijke uitvoering van taken door omgevingsdiensten en de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Dit kan resulteren in bestuurlijke inmenging bij de taakuitvoering door omgevingsdiensten. Om dit te voorkomen is het essentieel dat de relatie tussen het bevoegd gezag en de omgevingsdiensten verder wordt geprofessionaliseerd, waarbij de uitvoerings- en beleidscyclus goed op elkaar aansluiten.

Daarbij dient een goede balans gevonden te worden tussen de betrokkenheid van de bestuurders en de rol van de omgevingsdiensten om besluiten te nemen. De omgevingsdiensten dienen zoveel mogelijk vanuit een eenduidig mandaat te functioneren. Als onderdeel van de uitvoeringsagenda VTH zal dit laatste verder worden uitgewerkt.

Binnen de aanpak van milieucriminaliteit zal de aandacht zich verder richten op het aspect van bestuurlijke verwevenheid en integriteit. Onder meer zal inzicht moeten worden gekregen in de voorbeelden van situaties waar dit speelt of heeft gespeeld en welke instrumenten geschikt zijn om dit tegen te gaan. In het najaar ligt er een projectvoorstel van hoe in het licht van een professionele taakuitvoering, in een goede balans de onafhankelijke rol van de uitvoering gewaarborgd blijft.

Integriteit en markttoegang

Het knelpunt integriteit en markttoegang bestaat uit twee componenten. Zoals eerder8 aan Uw kamer gemeld, wordt er ingezet op het onder de aandacht brengen van de Wet Bibob bij zowel het Openbaar Ministerie (OM) als de provincies, gemeenten, ILT en omgevingsdiensten. Het voornemen is om met Justis en ODNL om na de zomer te starten met het geven van voorlichting aan het OM, provincies gemeenten, ILT en de omgevingsdiensten. Doel van deze voorlichting is de medewerkers van deze organisaties te informeren over de mogelijkheden van onder andere de Wet Bibob, maar ook om te inventariseren of en welke belemmeringen worden ervaren bij het gebruik van de beschikbare instrumenten. Mocht deze inventarisatie hiertoe aanleiding geven, dan kan daar in een tweede fase mee aan de slag worden gegaan. Daarnaast zijn wij gestart met het nader identificeren van de knelpunten met betrekking tot het verlenen van markttoegang door certificerende instellingen en bij het tot stand komen van normeringen. In het vierde kwartaal is hiervoor een plan van aanpak gereed.

Strafrechtelijk proces en capaciteit

De omvang van strafrechtelijke onderzoeken en de vaak lange doorlooptijd van zaken is een belangrijk maar ook niet eenvoudig onderwerp binnen de uitwerking van de aanpak van milieucriminaliteit, evenals het beter benutten van de beschikbare milieucapaciteit bij politie en OM. Met betrokken partijen werken we aan de nadere identificatie van de knelpunten. Die is, als vervolgstap op het CCV-rapport, nog nodig omdat we anders niet aan oplossingen kunnen werken. Hierbij wordt gekeken naar cultuur van een organisatie, de inrichting daarvan of van werkprocessen. Ook kijken betrokken partijen naar de samenwerking, op verschillende niveaus van besluitvorming. Elke oplossing zal haar eigen actoren en tijdpad vergen. Een projectplan met mogelijke oplossingsrichtingen zal worden voorgelegd aan het BOb in oktober van dit jaar.

Landelijke handhavingstrategie

Het doel van de landelijke handhavingstrategie (LHS) is dat de handhavende instanties zo uniform mogelijk de handhaving aanpakken, waarbij de LHS zorgt voor een gelijk speelveld en het bestuursrecht en het strafrecht met elkaar verbindt. In de LHS 2.0 gaan wij werken naar verbetering van het gebruik van de LHS en verbreding van partijen die de LHS gebruiken.

De LHS 2.0 wordt daarnaast ook geactualiseerd en daarbij wordt benadrukt dat de LHS ook op de juiste wijze wordt toegepast. Uitgezocht wordt waarom de LHS nog niet door iedereen wordt gevolgd en/of juist wordt toegepast. Verder wordt een proces van beheren, evalueren en actualiseren uitgedacht en zal de LHS worden aangepast aan de komende Omgevingswet. Het streven is om de LHS 2.0 in het Bestuurlijk Omgevingsberaad najaar 2021 vast te stellen.

Samenhang uitvoeringsagenda VTH en actieplan milieucriminaliteit.

Een sterk VTH-stelsel en de aanpak van milieucriminaliteit zijn met elkaar verbonden. Het is dan ook logisch dat de aanbevelingen uit de rapporten, waaruit het actieplan en de uitvoeringsagenda voortvloeien, op meerdere vlakken overlappen. Dit is ook terug te vinden in de benoemde thema’s van beide onderwerpen.

Concreet zie ik dat beide trajecten elkaar op een aantal vlakken raken:

  • Het thema «Landelijke Handhavingsstrategie» van het actieplan milieucriminaliteit kijkt bijvoorbeeld naar het raakvlak tussen het bestuursrecht en het strafrecht;

  • Het thema «Professionalisering uitvoeringstaken» is belegd in de uitvoeringsagenda VTH, maar dit heeft ook betrekking op mandaten door bevoegd gezagen, iets dat ook belangrijk is in de aanpak van milieucriminaliteit;

  • In beide programma’s wordt specifiek aandacht besteed aan de verhouding tussen het bevoegd gezag en de uitvoerder;

  • Beide trajecten kennen een thema dat zich richt op informatie- en kennisdeling.

Om de overlap te voorkomen te houden vindt er bij de uitwerking van de thema’s afstemming plaats tussen de trekkers. Bovendien is een matrix gemaakt waarin alle verbanden, raakvlakken en mogelijke overlappen tussen thema’s inzichtelijk is gemaakt. Op dit moment zijn het actieplan milieucriminaliteit en de uitvoeringsagenda VTH nog twee sporen, maar mijn inzet is om te bezien of deze twee sporen onder zijn te brengen in één programma VTH.

Vervolg

Deze versterkingsopgave VTH en de aanpak Milieucriminaliteit vraagt een efficiënte en effectieve inzet van mensen en middelen. Het is de verantwoordelijkheid van alle partijen betrokken bij de uitvoering van VTH-taken dat er voldoende capaciteit is om deze versterkingsacties uit te voeren.

In het najaar 2020 wil ik met mijn bestuurlijke partners inzichtelijk hebben wat nodig is aan mensen en middelen in relatie tot de beschikbaarheid van budget en capaciteit bij de diverse organisaties. Waar nodig zullen we moeten prioriteren en faseren. Daar waar acties op korte termijn effect hebben, worden deze direct uitgevoerd. De aanpak van de meeste thema’s is een zaak van lange adem. Op basis van de keuzes die we in het najaar maken, kunnen we aan de slag met de uitvoering van de projecten.

Moties en toezeggingen:

Gewijzigde motie Kröger / Laçin9

De gewijzigde motie verzoekt mij om in gesprek met het bevoegd gezag aan te dringen op tijdige herziening van vergunningen en handhaving op de inzet van de Best Beschikbare Techniek (hierna: BBT). Ik wil eerst even kort stilstaan bij de systematiek van BBT. Daarna zal ik aangeven hoe ik uitvoering geef aan de motie. In de bijlage bij deze brief vindt u een aanvullende toelichting op de systematiek van BBT10.

Systematiek

Bedrijven zijn wettelijk verplicht de BBT toe te passen met tot doel het milieu, onze leefomgeving en de burgers te beschermen.

Deze verplichting geldt zowel voor bedrijven die net starten als voor bedrijven die al in werking zijn. BBT maakt onderdeel uit van (revisie)vergunningen en algemene regels11.

Het ontwikkelen van een nieuwe BBT of het optimaliseren van een bestaande kost tijd. Het kost eveneens tijd het benodigde BBT-referentiedocument (hierna: BREF), wat de BBT omschrijft en nodig is bij de vergunningverlening, vast te stellen (zie bijlage bij deze brief). Tot slot gaat er tijd overheen voordat een vergunning met de nieuwe BBT is geactualiseerd.

Bedrijven hebben in de regel te maken met meerdere BBT’s en daarmee met verschillende actualisatiesporen van o.a. BREFs. Dit geldt met name voor de meest risicovolle en complexe bedrijven, de zogenaamde Brzo- en RIE4-bedrijven12.

Uitvoering motie

Conform de oproep in de motie heb ik in mijn overleggen met decentrale overheden onder de aandacht gebracht van bevoegde gezagen.

Aanvullend op de motie wil ik in lijn met de uitvoeringsagenda-VTH in overleg met decentrale overheden en uitvoeringsdiensten (omgevingsdiensten) en BZK13 om inzichtelijk te maken of/hoe de implementatie van BBT (bijv. bij herziening van vergunningverlening) efficiënter/sneller kan en hoe eventueel lopende pilots/projecten14 en onderzoeken15 daarbij kunnen helpen.

Hierbij wil ik niet alleen kijken naar BBT, maar het kader verbreden. Ik wil ook verkennen hoe vergunningverlening voor milieubelastende activiteiten als geheel verder kan worden versterkt. Denk daarbij bijvoorbeeld aan verminderen van complexiteit en meer uitwisseling tussen vergunningverleners. Ook zal ik aandacht besteden aan de complexiteit en stapeling van vergunningen bij grote bedrijven en het toezicht hierop16. Hierbij zal ik specifiek kijken naar het zo goed mogelijk inzetten van BBT en het terugdringen van zeer zorgwekkende stoffen. Hiervoor wil ik de goede voorbeelden rondom dit thema uitvragen om te kijken of bevoegde gezagen van elkaar kunnen leren. Hiermee geeft ik uitvoering aan mijn toezegging, die ik op 5 december jl. heb gedaan tijdens het AO externe veiligheid17.

Het eerste overleg, waar naast het IPO, de VNG en de UvW ook BZK aan deelneemt, staat gepland op 8 juni 2020. Door de motie in breder verband op te pakken doe ik recht aan de geest van de motie om zorg te dragen voor goede actuele vergunningen. Ik zal de Kamer, gelijktijdig met de voortgang van de uitvoeringsagenda VTH, informeren over de voortgang van deze actie ter versterking van de vergunningverlening.

Motie Kröger/ Postma over reductie van stikstofuitstoot door beste beschikbare technieken – Handhaving milieuwetgeving18

De Kamer heeft mij verzocht om met ILT en bevoegde gezagen te onderzoeken hoe met de inzet van best beschikbare technieken (BBT) bij het verlenen en reviseren van vergunningen de stikstofuitstoot van de industrie verder valt te reduceren.

In het Schone Luchtakkoord (SLA) heb ik inmiddels met medeoverheden afspraken gemaakt over het toepassen van Europese BBT-conclusies. Daarnaast is in het kader van het SLA afgesproken dat gemeenten en provincies maatregelen nemen om, waar nodig, toezicht en handhaving te versterken om emissies verder terug te brengen. De rijksoverheid ondersteunt hierbij.

Vergunningen voor de industrie moeten volgens Europese regelgeving voldoen aan BBT-niveau. De BBT-conclusies zijn daarbij een belangrijke richtwijzer, maar bevatten een bandbreedte waarop emissie-eisen kunnen worden gebaseerd. Het is aan de vergunningverlener om de emissie-eisen af te stemmen op de specifieke situatie. Afgesproken is, dat de provincies en hun omgevingsdiensten standaard scherp vergunnen en effectief handhaven op de emissie-eisen.

Voor de ILT geldt dat zij een adviesbevoegdheid heeft voor de vergunningverlening door de provincies aan een deel van het industriële bedrijfsleven (circa 700 à 800 bedrijven). In deze adviesrol richt de ILT zich onder andere op de emissies van stikstof. Daarbij toetst de ILT de aanvragen en (ontwerp)vergunningen aan wet- en regelgeving, dus ook aan BBT. Wanneer het bevoegd gezag het advies van de ILT niet overneemt, kan de ILT in beroep gaan. Een voorbeeld hiervan zijn de twee beroepen die de ILT heeft ingesteld tegen besluiten van de provincie Noord-Holland inzake stikstofuitstoot door Tata Steel.

De ILT toetst vergunningaanvragen van de bedrijven waarvoor haar adviesbevoegdheid geldt aan de BBT en blijft dat doen. Na inbreng van de ILT (advies/zienswijze/beroepszaken) blijkt dat het overgrote deel van de vergunningen BBT-conform is voor stikstof. De praktijk leert dat voor zover er tekortkomingen zijn geconstateerd door de ILT, deze worden opgepakt door de vergunningverlener zodat emissiereductie wordt gerealiseerd voor zover deze redelijkerwijs mogelijk was. In een gering aantal vergunningaanvragen worden kleine afwijkingen aangetroffen, die geen aanleiding geven om in beroep te gaan.

Toezegging «Implementatie en uitrol inspectieview»19

Ik heb toegezegd met betrokken partijen in overleg te gaan om meer partijen aan te sluiten op de Inspectieview. Uitgangspunt is dat het onderling uitwisselen van inspectiegegevens – wat voor milieugegevens wettelijk verplicht is, de toezicht en handhaving effectiever en efficiënter maakt. Dit kan verder worden versterkt door deze gegevensuitwisseling via één systeem te laten verlopen.

Omdat 21 van de 29 omgevingsdiensten al aangesloten zijn op de Inspectieview, is de inzet erop gericht ook de andere 8 omgevingsdiensten aan te sluiten op de Inspectieview en daarmee een landelijke dekking te realiseren. Ik verwacht hier eind van dit jaar concrete afspraken over te kunnen maken.

Daarnaast zal zomer 2020 SAWA – een samenwerkingsverband van 11 waterschappen en Rijkswaterstaat – worden aangesloten op de Inspectieview en zo haar gegevens via de Inspectieview delen.

Sinds mei jl. is het Meldpunt Bodemkwaliteit (MKB) aangesloten op de Inspectieview en daarmee toegankelijk voor toezichthouders die aangesloten zijn op de Inspectieview.

Toezegging «lachgasemissie Chemelot»20

Op 22 mei 2019 heb ik toegezegd om de Tweede Kamer nader te informeren over rol van de omgevingsvergunning voor milieu inzake lachgas van de acrylonitrilfabriek van DSM en de verwerking daarvan door USG.

Specifiek in het geval van de lachgasemissie bij USG op het Chemelot complex is er abusievelijk geen invulling gegeven aan de E-PRTR Verordening van de EU. Deze rechtstreeks werkende verordening verplicht tot het rapporteren over deze lachgasemissie. Dit staat los van de vergunningverlening. Wel regelt de E-PRTR dat het Bevoegd Gezag de door het bedrijf geleverde emissiegegevens controleert. Het lachgas uit de acrylonitrilfabriek van DSM wordt ter verwerking aan USG geleverd. USG verbrandt het lachgas voor warmteopwekking.

De na verbranding resterende lachgasemissie valt onder de E PRTR rapportageverplichting. Aangezien niet bekend was dat er lachgas na de verbranding overbleef, heeft het bedrijf geen lachgasemissie gerapporteerd. Het Bevoegd Gezag heeft deze omissie bij controle van de emissiegegevens van USG niet geconstateerd. Toen USG als verwerker van het lachgas bij specifieke metingen aan de verbrandingsemissie in 2017 vastgesteld heeft dat er na verbranding toch een lachgasemissie overbleef, heeft USG deze emissie vanaf 2017 in het kader ven de E PRTR gerapporteerd en is de omissie hersteld.

Afsluitend

Nederlanders hebben recht op een schone, gezonde en veilige leefomgeving. Ik maak mij dan ook sterk voor een robuust VTH-stelsel en een effectieve aanpak van milieucriminaliteit om schade aan gezondheid en milieu door risicovolle stoffen te voorkomen. Een effectieve aanpak van milieucriminaliteit versterkt immers de robuustheid van het VTH-stelsel en een robuust stelsel zorgt ervoor dat milieucriminaliteit weinig kans krijgt. Dit vraagt inzet nu en in de toekomst van alle betrokken partijen. Mijn streven is om u voor het einde van het jaar de uitvoeringsagenda VTH inclusief het actieplan milieucriminaliteit, te kunnen aanbieden. Deze agenda bevat de concrete inzet op alle genoemde thema’s, met daarbij de benodigde inzet van mensen en middelen en een meerjarenplanning.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer


X Noot
1

Kamerstuk 33 118, nr. 122.

X Noot
2

Kamerstuk 22 343, nr. 287.

X Noot
3

Ook de aanbevelingen van het signaalrapport van de ILT en van het rapport «Grondstof of Afval» (Kamerstuk 32 852, nr. 97) zijn hierin meegenomen.

X Noot
4

Aangesloten partners bij de uitvoeringsagenda zijn: IenW, VNG, IPO, ODNL, BZK en VenJ.

X Noot
5

Kamerstuk 29 362, nr. 275.

X Noot
6

Kamerstuk 32 852, nr. 97.

X Noot
7

Veluweberaad: hierbij werken overheden en kennisinstellingen samen aan kennisdeling. Landelijk beschikbare kennis wordt vertaald naar lokale en regionale behoeften.

X Noot
8

Kamerstuk 22 343, nr. 287.

X Noot
9

Kamerstuk 28 089, nr. 170.

X Noot
10

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
11

Dit wordt nader toegelicht in de bijlage bij deze brief onder het kopje BBT.

X Noot
12

Bedrijven in het kader van Besluit risico's zware ongevallen 2015 en de Richtlijn industriële emissies categorie 4.

X Noot
13

De uitkomsten dienen in lijn te zijn met het gedachtegoed van de Omgevingswet.

X Noot
14

Bijv. de pilots «Scherper vergunnen» in het kader van het Schone Lucht Akkoord en het project systematiek programmatisch actualiseren van vergunningen door de zes Brzo-omgevingsdiensten.

X Noot
15

Bijv. het et onderzoek «Greep op gevaarlijke stoffen»; gaat in op het groot aantal stoffen dat risico’s voor de leefomgeving met zich meebrengt en doet een aantal aanbevelingen, ook voor vergunningverlening.

X Noot
16

Toezegging aan lid Kröger gedaan tijdens AO Externe Veiligheid 5 december 2019.

X Noot
17

Toezegging aan lid Kröger gedaan tijdens AO Externe Veiligheid 5 december 2019.

X Noot
18

Kamerstuk 22 343, nr. 289.

X Noot
19

Toezegging gedaan tijdens AO Externe Veiligheid 5 december 2019.

X Noot
20

Toezegging aan lid Laçin gedaan tijdens het ordedebat 22 mei 2019 (Handelingen II 2018/19, nr. 85, item 7).