Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201833043 nr. 96

33 043 Groene economische groei in Nederland (Green Deal)

Nr. 96 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 augustus 2018

Hierbij treft u aan de Zienswijze aan van de Raad voor dierenaangelegenheden (RDA) betreffende insecten, getiteld: De ontpopping van de insectensector1.

Uit de Zienswijze valt op te maken dat we waarschijnlijk aan de vooravond staan van een sterke groei van het gebruik van insecten als productiedier. Of dat ook gaat gebeuren, zal afhangen van meerdere factoren waaronder de kostprijs, risicobeheersing en maatschappelijke acceptatie. De RDA geeft aan dat het om een integraal vraagstuk gaat met veel verschillende aspecten.

Er is de laatste jaren meer belangstelling gekomen voor de productie van insecten voor verschillende commerciële toepassingen. Zo kan de productie van een aantal soorten insecten een veelbelovende alternatieve bron zijn voor hoogwaardige eiwitten. Die eiwitten kunnen worden gebruikt in diervoeders, maar ook voor menselijke consumptie. Op dit ogenblik liggen er al producten van insecten in de supermarkt en worden ze verwerkt in visvoer en in voer voor gezelschapsdieren. Op dit ogenblik wordt in Europees verband onderzocht of diermeel afkomstig van insecten ook verwerkt mag gaan worden in voer voor kippen en varkens. De discussie daarover op Europees niveau wordt gevoerd in het Standing Committee for Plants, Animal Health, Food and Feed (SCOPAHFF). Nederland heeft aangegeven binnen bepaalde randvoorwaarden voorstander te zijn van die uitbreiding. Deze randvoorwaarden hebben onder meer te maken met strikte eisen aan het substraat waarop de insecten groeien en eisen aan de bioveiligheid van het uiteindelijke product.

De insectenkweek is in het algemeen milieuvriendelijker dan de traditionele veehouderij. Er is minder water en grondoppervlak nodig en de uitstoot van broeikasgassen is ook significant minder. Daarnaast zouden afvalstromen uit de landbouw kunnen dienen als voedselbron voor insecten, waardoor ketens worden gesloten en een circulaire economie kan ontstaan. Dat laatste is een belangrijk beleidsdoel voor de economie in Nederland in zijn algemeen. Als wat nu afval wordt genoemd een grondstof kan vormen voor de productie van voedsel- en voereiwitten, dan kunnen afvalproblemen worden opgelost.

Ondanks al deze positieve effecten bestaat er ook onduidelijkheid en zijn er vragen, onder meer over de risico’s voor de volksgezondheid. Wat is de invloed van het substraat waarop de insecten worden gekweekt, van het productieproces en van de opslagmethoden? Onduidelijk is ook wat de mogelijkheden zijn om de kweek van de insecten in voldoende mate op te kunnen schalen, zodat een concurrerende kostprijs ontstaat ten opzichte van andere eiwitbronnen als soja- en vismeel. Dat is nodig voor het bestaansrecht van de sector. Ook zijn er vragen rond het welzijn en het omgaan met de intrinsieke waarde van insecten als de productie sterk wordt opgeschaald.

Veel van deze aspecten worden behandeld in de Zienswijze van de RDA en zo wordt een goede aanzet gegeven om de discussie over allerlei vraagstukken rond de productie van insecten te gaan voeren. Zo wordt ook nu al op meerdere terreinen hier door verschillende instellingen wetenschappelijk onderzoek naar gedaan.

Het is echter wel van belang deze aspecten en vragen te prioriteren. Uit de Zienswijze blijkt dat het doel moet zijn om de verschillende onderdelen in de keten beter te laten samenwerken, de uitwisseling van kennis te verbeteren en wet- en regelgeving waar nodig aan te passen. Er is dus behoefte aan een integrale samenwerking op meerdere terreinen. Zoals de RDA ook in haar aanbevelingen aangeeft, is de insectensector de eerstverantwoordelijke bij het benaderen van de verschillende vraagstukken. Zij is als eerste aan zet om ontwikkelingen te stimuleren, maar ook om het publiek transparant, objectief en tijdig te informeren over de voor- en nadelen van productie en gebruik van ongewervelde dieren. Het gaat dan met name om de gezondheidsrisico’s voor mens en dier, de milieueffecten in vergelijking tot andere (alternatieve) agrarische sectoren en vraagstukken rond het welzijn van insecten.

Ik onderschrijf het advies van de RDA en de aanbevelingen die daarin worden gedaan, en die hoofdzakelijk gericht zijn aan de sector. Dit betekent dat de sector zelf een leidende rol in het proces zal moeten vervullen. Mijn rol zal een ondersteunende en faciliterende zijn door bijvoorbeeld te kijken waar wettelijke belemmeringen liggen en waar nog meer gericht onderzoek nodig is. Die wettelijke belemmeringen vloeien voor een belangrijk deel voort uit Europese regelgeving waarin nog geen rekening is gehouden met deze relatief nieuwe sector. Het is met name daar waar mijn ministerie een belangrijke taak kan vervullen. Daarbij worden ook de aanbevelingen van de RDA betrokken. Het doel is te komen tot een agenda voor de komende jaren. In de zomer van 2019 zal ik uw Kamer over de voortgang informeren.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl