33 037 Mestbeleid

Nr. 401 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 september 2021

In mijn brief van 1 september jl. (Kamerstuk 33 037, nr. 400) heb ik u laten weten dat de Limburgse Land- en Tuinbouwbond (LLTB) op 26 augustus jl. een verzoek heeft gestuurd voor het verlengen van de uitrijdperiode van vaste mest op bouwland in Zuid-Limburg gelegen op lössgronden met een periode van 14 dagen, dus tot en met 15 september 2021. Dit vanwege het feit dat het in de gemeenten Sittard-Geleen, Beek, Stein, Heerlen, Landgraaf, Kerkrade, Brunssum, Voerendaal, Simpelveld, Vaals, Meerssen, Gulpen-Wittem, Valkenburg aan de Geul, Eijsden-Margraten, Beekdaelen en Maastricht deze zomer uitzonderlijk veel heeft geregend.

Daarnaast verzoekt de LLTB om de uitrijdperiode voor vaste mest op bouwland gelegen op lössgronden structureel te verlengen. De LLTB wil de uitrijdperioden voor drijfmest (nu tot en met 15 september) en voor vaste mest (nu tot en met 31 augustus) in de toekomst gelijk getrokken zien.

Verlenging van de uitrijdperiode is mogelijk op basis van een vrijstelling op grond van de Wet bodembescherming (artikel 64). Zo’n vrijstelling kan alleen worden verleend voor zover het belang van de bodem zich hiertegen niet verzet en er advies is gevraagd bij de Technische Commissie Bodem (TCB). Zoals aangegeven in mijn brief van 1 september jl. heb ik de TCB gevraagd over het verzoek van de LLTB advies uit te brengen en dat advies heb ik op 2 september jl. ontvangen.

De TCB adviseert de uitrijdperiode voor vaste (stro)mest op bouwland gelegen op lössgronden in Zuid-Limburg in 2021 niet te verlengen. In haar onderbouwing bij het advies geeft de TCB aan dat een latere toediening van vaste mest als startgift van een vanggewas of groenbemester geen goede keuze is omdat dit nauwelijks aan het gewas ten goede komt, waardoor het risico op nitraatuitspoeling toeneemt.

De TCB licht verder toe dat het voor de ontwikkeling van een vanggewas of groenbemester een kleine hoeveelheid snel beschikbare minerale stikstof zinvol is. De huidige bemestingsregels bieden hiervoor mogelijkheden in de vorm van bemesting met drijfmest of dunne fractie van gescheiden mest.

Vaste (stro)mest heeft een beperkte beschikbaarheid van minerale stikstof en levert op korte termijn nauwelijks stikstof. Pas op langere termijn na mineralisatie van de organische stof in deze mest komt stikstof vrij terwijl het gewas het dan niet nodig heeft of opneemt, waardoor er een groot risico op uitspoeling van stikstof ontstaat.

Ik volg het advies van de TCB op en zal de uitrijdperiode voor vaste mest in Zuid-Limburg in 2021 niet verlengen. Het verzoek van LLTB richt zich ook op het structureel aanpassen van de uitrijdperiode voor vaste mest op lössgrond. Op korte termijn zal ik u mijn voornemens voor het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn toesturen waarin ik het mestbeleid voor de komende jaren uiteen zet. Dat verzoek wil ik dan ook in dit bredere kader bezien.

In aanvulling op voornoemde brief van 1 september jl. en de beantwoording op Kamervragen van het lid Van der Plas (Aanhangsel Handelingen II 2020/21, nr. 3864) wil ik nog verduidelijken dat de toegestane verlenging van de uitrijdperiode voor dunne fractie van drijfmest op grasland in de desbetreffende gemeenten in Noord-Nederland (Stcrt. 2021, nr. 40162) alle grondsoorten betreft.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

Naar boven