Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 februari 2017
Op verzoek van de vaste commissie van Economische Zaken geef ik u hierbij mijn reactie
op het rapport «Ammoniak in Nederland». In dit rapport stellen de onderzoekers Hanekamp,
Crok en Briggs dat het ammoniakbeleid wetenschappelijk niet goed onderbouwd is. Zij
baseren deze stelling op hun conclusies dat:
-
• de ammoniakemissie na het aanwenden van dierlijke mest met verschillende technieken
zonder betrouwbaarheidsinterval is gerapporteerd;
-
• De gemeten atmosferische ammoniakconcentraties statistisch verkeerd zijn bewerkt,
waardoor er ten onrechte een neerwaartse lijn in de concentratie tot 2005 is gerapporteerd.
Volgens de onderzoekers is er geen sprake van een dalende trend en is het niveau van
ammoniakconcentratie lager dan door RIVM wordt gerapporteerd.
De stelling van de onderzoekers dat de wetenschappelijke onderbouwing van het ammoniakbeleid
niet goed zou zijn verrast mij en onderschrijf ik ook niet. Dit is namelijk niet het
eerste onderzoek naar de onderbouwing van het ammoniakbeleid. In 2013 en 2015 zijn
er in opdracht van mijn voorganger al twee uitgebreide internationale reviews naar
de wetenschappelijke onderbouwing van het ammoniakbeleid uitgevoerd. Over beide reviews
heb ik de Kamer geïnformeerd (Kamerstuk 33 037, nr. 65 en nr. 161).
In de eerste review concludeerden de reviewers dat het wetenschappelijk aangetoond
is dat emissiearme mestaanwending een effectieve maatregel is om ammoniakemissie uit
de landbouw te verminderen. Zij gaven aan dat het daarbij wetenschappelijk verantwoord
is om onderscheid te maken tussen aanwendingstechnieken. Zo is de zodebemester bijvoorbeeld
effectiever dan de sleepvoetmachine. In de tweede review is geconcludeerd dat het
kennisinstrumentarium dat Nederland inzet in de hele kennisketen wetenschappelijk
goed is onderbouwd. In deze laatste review zijn wel enkele kanttekeningen geplaatst
over de trends in berekende ammoniakemissie en gemeten ammoniakconcentratie in de
lucht. Deze kanttekeningen zijn voor mij reden geweest voor het starten van een onderzoeksprogramma.
Hierover heb ik u in oktober 2016 geïnformeerd (Kamerstuk 33 037, nr. 182).
Ik constateer dat de kritiek van de onderzoekers Hanekamp, Crok en Briggs zich met
name richt op de statistische verwerking van de onderzoeksresultaten. Ik constateer
ook dat de onderzoekers van Wageningen Universiteit en RIVM zich niet in de kritiek
van het rapport van Hanekamp, Crok en Briggs kunnen vinden. Dit vraagt in eerste instantie
om een nadere wetenschappelijke discussie, waarbij ook andere deskundigen betrokken
zouden moeten worden.
Voor het ammoniakbeleid heeft dit rapport vooralsnog geen consequenties.
De effectiviteit van de maatregelen op zich staat voor mij niet ter discussie. Weliswaar
neemt de ammoniakconcentratie in de lucht de laatste jaren niet meer af, maar dat
was wel het geval direct na de introductie van de verplichting tot emissiearme mestaanwending.
Dat de gemeten ammoniakconcentratie de laatste jaren niet daalt, ondanks een lichte
daling van de berekende ammoniakemissie is niet nieuw. Het Planbureau voor de leefomgeving
(PBL) heeft u hierover al in het Milieucompendium van juni 2014 gerapporteerd.
De discussie gaat over hoe Nederland in de emissierapportages met onzekerheidsmarges
om moet gaan en over de relatie tussen ammoniakmaatregelen en de gemeten ammoniakconcentratie
in de lucht.
Wat betreft de rapportage van de emissies is Nederland vanwege de NEC-richtlijn en
het Gothenburg-protocol verplicht jaarlijks de emissie te rapporteren. Nederland kan
hierbij niet volstaan met het aanleveren van een onzekerheidsmarge, maar dient de
beste schatting van de emissie in Nederland aan te leveren. Het rapport «Ammoniak
in Nederland» stelt de beste schatting van de emissie niet ter discussie. Overigens
wordt aan de emissierapportages wel een onzekerheidsanalyse toegevoegd.
De tweede internationale review is uitgebreid ingegaan op het uiteen lopen van de
trend in berekende ammoniakemissie en gemeten ammoniakconcentratie in de lucht en
heeft hiervoor een aantal mogelijke verklaringen gegeven. Als mogelijke verklaringen
zijn genoemd: de vermindering van zwaveloxide in de lucht, waardoor ammoniak in de
lucht minder snel wordt omgezet en een mogelijke onderschatting van bepaalde bronnen
van ammoniakemissie zoals pluimvee- en varkensstallen. Een groot deel van het onderzoek
dat ik in mijn brief over de voortgang van het ammoniakbeleid (Kamerstuk 33 037, nr. 182) heb aangekondigd, heeft juist betrekking op het verklaren van de uiteenlopende trend.
Resultaten van dit onderzoek verwacht ik in de loop van 2018.
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
M.H.P. van Dam