33 037 Mestbeleid

Nr. 119 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 april 2014

Tijdens het Algemeen Overleg Mestbeleid op 26 maart 2014 heb ik uw Kamer enkele toezeggingen gedaan. Met deze brief vul ik een aantal daarvan in.

Gebruikte monitoringgegevens

Ik heb toegezegd, uw Kamer te informeren over de cijfers over de grondwaterkwaliteit in het zand- en lössgebied die zijn gebruikt in de gesprekken met de Europese Commissie over het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn en de derogatie. In deze gesprekken is gebruik gemaakt van de cijfers uit de volgende twee rapportages van het RIVM:

  • Het rapport «Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland 1992–2010» uit oktober 2012 (Kamerstuk 33 037, nr. 31)

Dit is het meest recente rapport waarmee Nederland invulling gegeven heeft aan de verplichting uit de Nitraatrichtlijn om vierjaarlijks aan de Europese Commissie te rapporteren over de resultaten van het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid (LMM). Het bevat monitoringgegevens over grondwaterkwaliteit op verschillende dieptes tot en met 2010, en indien beschikbaar ook 2011. Dat is het laatste jaar waarover definitieve cijfers beschikbaar waren. In gesprekken met de Europese Commissie en in presentaties aan het Nitraatcomité zijn deze cijfers gebruikt.

Het RIVM gebruikt in haar rapportages zowel trendgegevens als concentratiegegevens. De trends worden gepresenteerd in grafieken met resultaten per jaar, maar voor concentraties wordt gewerkt met gemiddelden over meerdere jaren. Daarmee wordt een analyse van de ontwikkeling mogelijk zonder dat uitschieters door toevalligheden (zoals veel neerslag of juist droogte) dominant in het beeld meewegen.

  • Het rapport «Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie, resultaten meetjaar 2011» uit september 2013 (Kamerstuk 33 037, nr. 76)

Dit is het rapport waarmee Nederland het meest recent invulling gegeven heeft aan de verplichting uit de vorige derogatiebeschikking om jaarlijks aan de Europese Commissie te rapporteren over de bedrijfsvoering en waterkwaliteit op derogatiebedrijven. Het bevat definitieve cijfers tot en met 2011 en voorlopige cijfers voor 2012.

Het maatregelenpakket in het vijfde actieprogramma is deels gebaseerd op bovenstaande monitoringgegevens en deels op modelberekeningen van de effecten van de maatregelen uit het mestbeleid. De resultaten in de monitoringgegevens blijven namelijk achter bij wat op basis van de modellen werd verwacht: de gemeten hoge concentraties in het (zuidelijke) zand- en lössgebied kunnen niet geheel verklaard worden vanuit de theorie. Dat wijst erop dat fraude hier een rol zou kunnen spelen. Fraude bestrijd ik door middel van handhaving en niet door middel van strengere gebruiksnormen; daarom heb ik de gebruiksnormen van het vijfde actieprogramma gebaseerd op wat nodig is volgens modelberekeningen. Op basis van alleen de monitoringresultaten zou het vijfde actieprogramma een strenger maatregelenpakket moeten bevatten.

Eerdere toezending monitoringgegevens

Op verzoek van uw Kamer ben ik bij het RIVM en LEI nagegaan of het mogelijk zou zijn het komende rapport met de definitieve resultaten uit het derogatiemonitoringnetwerk over het meetjaar 2012, alsmede de voorlopige resultaten van 2013, nu al op te leveren. Dat blijkt helaas niet mogelijk. Deze cijfers zijn, zoals gezegd, onderdeel van de jaarlijkse verplichting aan de Europese Commissie om over de resultaten van bedrijfsvoering en waterkwaliteit te rapporteren. Hierbij is een juiste interpretatie van de gegevens essentieel. Gezien de potentieel grote consequenties van deze rapportage wordt de conceptrapportage ook onderworpen aan een peer review door de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet alvorens definitieve goedkeuring plaatsvindt. Het komende rapport zal daarna – in juni – aan uw Kamer aangeboden worden.

Gevolgen derogatie voor mestmarkt

Uw Kamer heeft mij gevraagd naar een overzicht van de productiecijfers, afzetruimte en verwerkingscapaciteit. PBL en WUR geven in hun ex ante evaluatie, die ik in december 2013 aan uw Kamer toegestuurd heb (bijlage bij Kamerstuk 33 037, nr. 80; zie tabel 7.2) voor 2011 aan dat de Nederlandse mestproductie 170 miljoen kilogram fosfaat was, bij een plaatsingsruimte van 134 miljoen kilogram fosfaat en een verwerkingscapaciteit van 36 miljoen kilogram fosfaat (gelijk aan het overschot). Voor 2020 berekenen PBL en WUR een productie van 156 tot 162 miljoen kilogram fosfaat, een plaatsingsruimte binnen Nederland van 110 tot 120 miljoen kilogram fosfaat en daarmee een overschot van 36 tot 52 miljoen kilogram fosfaat. Ze begroten de verwerkingscapaciteit in 2020 op 43 miljoen kilogram fosfaat (waarvan 26 miljoen kilogram fosfaat pluimveemestverwerking). Voor een nadere toelichting verwijs ik naar de evaluatie.

Verschillende fracties hebben daarnaast gevraagd om helderheid te geven over de gevolgen van de nieuwe derogatienorm en -voorwaarden op de mestmarkt in Nederland. De Europese Commissie stelt het Nitraatcomité voor, in te stemmen met een derogatie voor toepassing van 250 kilogram stikstof uit graasdiermest per hectare per jaar. Deze derogatie geldt voor heel Nederland met uitzondering van het centrale en zuidelijke zandgebied en het lössgebied. Voor deze uitzonderingsgebieden wordt derogatie voor het gebruik van 230 kilogram voorgesteld.

Aan de nieuwe derogatie is daarnaast onder meer de voorwaarde verbonden dat ondernemers tenminste 80% grasland in het bouwplan moeten hebben.

Landelijk gezien had ruim de helft (56%) van het bedrijfsareaal waar in 2013 een derogatie op rustte toen al een grasaandeel van minimaal 80%.

Op het moment dat alle bedrijven die toen niet voldeden aan de graslandvoorwaarde van 80% hun bouwplan niet aanpassen en daarmee afzien van de derogatie, en dus terugvallen op de algemene norm van 170 kilogram stikstof uit graasdiermest per hectare, is het effect het grootst. De landelijke verwerkingsopgave (zijnde het verschil tussen de landelijke fosfaatplaatsingsruimte en fosfaatgebruiksruimte) zal dan met 5,8 tot 7,1 miljoen kilogram fosfaat toenemen. Op het moment dat alle bedrijven die in 2013 gebruik maakten van derogatie, besluiten het bouwplan aan te passen van 70 naar 80% grasland om gebruik te kunnen maken van derogatie, wordt de mestplaatsingsruimte juist met 0,3 tot 0,5 miljoen kilogram fosfaat vergroot. Daarbij moet wel bedacht worden dat het bijgevolg grotere grasaandeel in het rantsoen tot een hogere fosfaatexcretie van de rundveestapel kan leiden, zodat de omzetting van bouwland in grasland geen tot weinig effect heeft op de totale verwerkingsopgave.

Het feitelijke gevolg van de nieuwe derogatienorm en -voorwaarden voor de Nederlandse mestmarkt zal tussen bovenstaande getallen in liggen. Dit leidt tot de conclusie dat de gevolgen voor de mestplaatsingsruimte in Nederland beperkt zullen zijn.

POR-regeling

Ik ben voornemens de zogenaamde POR-regeling (Regeling ontheffing productierechten Meststoffenwet) opnieuw open te stellen. De regeling biedt ondernemers die de varkens- of pluimveestapel op hun bedrijf uitbreiden de mogelijkheid om gedeeltelijk ontheffing te krijgen van het verbod om meer dierlijke meststoffen te produceren dan het op het bedrijf rustende dierproductierecht. Dit gebeurt op voorwaarde dat alle dierlijke mest wordt verwerkt die met de betreffende diersoort op het bedrijf wordt geproduceerd. De groei van de varkens- en pluimveestapel mag het nationale fosfaatproductieplafond niet in gevaar brengen. Daarom zal ik ruimte in de POR-regeling maximeren.

Ik zal uw Kamer op korte termijn nader berichten over de uitwerking van de regeling.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

Naar boven