Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2011-201233003 nr. F

33 003 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2012)

33 004 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2012)

33 006 Wijziging van enkele belastingwetten (Geefwet)

33 007 Wijziging van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en enige andere wetten (Wet uitwerking autobrief)

F1 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 9 december 2011

Algemeen

Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen van de leden van de fracties van de VVD, het CDA en de SP naar aanleiding van de memorie van antwoord. Bij de beantwoording van deze vragen wordt de volgorde in het verslag aangehouden. Conform mijn toezegging wordt aan het slot van deze nota ingegaan op de stand van zaken met betrekking tot maatschappelijk beleggen.

Objectvrijstelling

De leden van de fractie van de VVD vragen om een cijfermatige onderbouwing van de structurele opbrengst van € 250 mln. van de introductie van de objectvrijstelling voor vaste inrichtingen in de vennootschapsbelasting. Als gevolg van deze maatregel zal € 3 mld. aan jaarlijkse verliezen van vaste inrichtingen gemiddeld 11 jaar later verrekend worden. Het rentevoordeel van deze latere verrekening bedraagt structureel € 250 mln.

De leden van de fractie van het CDA vragen een reactie op een aantal in de fiscale praktijk levende vragen met betrekking tot de voorgestelde objectvrijstelling voor vaste inrichtingen.

De eerste vraag komt er op neer hoe moet worden omgegaan met valutakoersresultaten op leningen of andere verplichtingen die de Nederlandse vennootschapsbelastingplichtige heeft aangetrokken ter financiering van de activiteiten van de vaste inrichting of de activa die in de vaste inrichting worden gebruikt. De leden van de fractie van het CDA merken op dat uit de voorgestelde tekst van artikel 15e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) lijkt voort te vloeien dat valutakoersresultaten onderdeel uitmaken van «winst uit een andere staat». Zij menen dat dit zou kunnen leiden tot de frappante situatie dat het hoofdhuis vennootschapsbelasting verschuldigd wordt in situaties waarin er geen generieke winst bestaat. Zij lichten dit toe aan de hand van een voorbeeld waarbij er door het hoofdhuis liquiditeiten worden aangetrokken die aan de vaste inrichting worden toegerekend. De aangetrokken geldlening luidt in euro’s terwijl het land waarin de vaste inrichting is gevestigd een andere muntsoort dan de euro hanteert. Vervolgens wordt door de vaste inrichting een valutaverlies geleden bij aflossing van de geldlening omdat de munteenheid die van toepassing is in het land waarin de vaste inrichting is gevestigd in waarde is gedaald ten opzichte van de euro.

Allereerst merk ik op dat de belastingplichtige niet vrij is in de toerekening van geldleningen en rente aan een vaste inrichting. Rente en leningen worden aan de vaste inrichting toegerekend aan de hand van de zelfstandigheidsfictie. Hierbij wordt eerst een passend eigen vermogen aan de vaste inrichting toebedeeld. Vervolgens vindt een toerekening van het vreemd vermogen plaats. Met betrekking tot de valutarisico’s die in het geschetste voorbeeld aan de vaste inrichting worden toegerekend merk ik op dat voor de toerekening van dergelijke risico’s van belang kan zijn waar de relevante «significant peoples functions» worden verricht. In het algemeen zullen deze functies niet in de vaste inrichting worden uitgeoefend.

Voorts merk ik op dat, net als onder de huidige wetgeving, er inderdaad situaties kunnen zijn dat aan de vaste inrichting toegerekende winst niet in de generale winst tot uitdrukking kan komen. Dit is het gevolg van de genoemde zelfstandigheidsfictie.

Indien in het door de leden genoemde voorbeeld de valutakoersrisico’s met inachtneming van de zelfstandigheidsfictie aan de vaste inrichting zouden kunnen worden toegerekend, komt bij de berekening van de generale winst het valutakoersverschil niet tot uitdrukking aangezien het hoofdhuis in euro’s aangifte doet. Bij de vaste inrichting komt dit verlies wel tot uitdrukking en dit verlies zal ook in aanmerking worden genomen bij de berekening van de verschuldigde belasting in het land waarin de vaste inrichting is gevestigd. Ingeval het resultaat van de vaste inrichting in dat jaar per saldo positief is, zal een en ander geen andere consequenties hebben dan onder het huidige regime. Onder de huidige regeling wordt bij de berekening van de voorkoming van dubbele belasting de winst van de vaste inrichting, waarvan het valutakoersverlies deel uitmaakt, vrijgesteld. Onder de objectvrijstelling komt hetzelfde bedrag aan winst in mindering op de (wereld)winst van de vennootschap.

Ingeval de vaste inrichting per saldo in het jaar verlieslatend is, heeft een en ander tot gevolg dat bij de berekening van de objectvrijstelling dit verlies wordt bijgeteld. Dit is een gevolg van de omstandigheid dat bij het verlenen van de objectvrijstelling wel rekening wordt gehouden met dergelijke verliezen aangezien dit verlies in het andere land thuishoort en er daar al rekening mee wordt gehouden. In de spiegelbeeldige situatie dat er sprake is van een valutakoerswinst die niet in de generale winst tot uitdrukking komt, is er (ook) sprake van een winst die ingevolge de objectvrijstelling niet in aanmerking wordt genomen. De generale winst wordt alsdan gecorrigeerd voor het resultaat van de vaste inrichting waarbij tevens rekening wordt gehouden met de aan de vaste inrichting toe te rekenen valutakoerswinst. In de woorden van de leden van de fractie van het CDA kan dan verdedigd worden dat in Nederland rekening wordt gehouden met een fantoomverlies.

Voor de volledigheid merk ik nog op dat ingeval in een volgend jaar in de vaste inrichting winst wordt gemaakt, voor het gehele bedrag dat aan de vaste inrichting kan worden toegerekend vrijstelling zal worden verleend, ook al zal in het andere land het verlies van het vorige jaar verrekend worden. Ingeval de vaste inrichting verlieslatend blijft en de vaste inrichting wordt gestaakt, zal dit verlies in het stakingsverlies worden meegenomen.

Onder de huidige regeling valt een verlies van de vaste inrichting dat niet in de generale winst tot uitdrukking komt ingevolge het besluit ter voorkoming van dubbele belasting in de inhaalregeling. Ingeval in een later jaar winst wordt behaald door de vaste inrichting zal bij de berekening voor de voorkoming van dubbele belasting een lager bedrag worden vrijgesteld omdat eerst het verlies moet worden ingehaald. Per saldo geeft dit, bezien over de hele periode, hetzelfde resultaat als onder de voorgestelde regeling van de objectvrijstelling, zij het dat er een temporiseringsverschil in zit.

Zoals ook uit voorgaande moge blijken, zou, ingeval er al sprake is van een situatie waarin over dergelijke «fantoomwinsten» zoals door de leden van de fractie van het CDA wordt aangegeven, wordt geheven, slechts sprake zijn van een temporele kwestie. Toepassing van de leer van het gedeelte, zoals door deze leden wordt aangegeven, is ook onder de huidige regeling in deze situatie niet van toepassing.

Het tweede voorbeeld van de leden van de fractie van het CDA betreft een in Nederland gevestigde vennootschap met in Nederland winstgenererende activiteiten. Tot haar vermogen behoort tevens een vaste inrichting in de VK waarin zij € 1 000 investeert. Deze investering wordt omgezet in Britse ponden en is na een jaar als gevolg van valutakoersmutaties nog maar € 900 waard. De Nederlandse schatkist derft in deze situatie belastingbaten over dit valutaverlies van € 100. Ingeval dezelfde activiteit was uitgevoerd in de vorm van een Britse dochtervennootschap dan was er geen verlies geweest voor de Nederlandse schatkist. Zou de wetgever overstappen op een puur territoriaal systeem, zo merken deze leden op, dan dient de Nederlandse heffing uitsluitend te zien op het Nederlandse ondernemingsresultaat en zou een dergelijk verlies niet ten koste gaan van de Nederlandse schatkist.

De vraag van de leden van de fractie van het CDA heeft naar ik begrijp betrekking op de valutarisico’s die de vennootschap loopt als gevolg van haar investering in de VK vaste inrichting. Aangezien de Britse vaste inrichting aangifte doet in ponden, zal het verlies niet bij de VK vaste inrichting tot uitdrukking kunnen komen. Het is derhalve geen verlies dat bij de VK vaste inrichting thuishoort. Het is een verlies dat aan het hoofdhuis toegerekend moet worden. Dat een dergelijk verlies in Nederland ten laste van de Nederlandse winst moet kunnen komen, is reeds uitgemaakt in het arrest van het Europese hof inzake Deutsche Shell.2 Het invoeren van een puur territoriaal systeem is met het oog op het Europese recht niet mogelijk. Dit volgt niet alleen uit het arrest inzake Deutsche Shell maar ook uit de arresten inzake de definitieve verliezen.3

Vervolgens maken de leden een vergelijking tussen de deelnemingsvrijstelling en de behandeling van vaste inrichtingen op dit punt. Het compleet wegnemen van alle verschillen tussen een vaste inrichting en een dochtermaatschappij is mede in het licht van het Europese recht niet mogelijk. Ik wijs er hierbij wel op dat ook in de situatie van een dochtermaatschappij een valutakoersverlies onder omstandigheden in het liquidatieverlies tot uitdrukking kan komen.

De leden van de fractie van het CDA merken verder op dat het misbruik dat in het verleden zou zijn gemaakt van het vrijstellingsstelsel door omvorming van winstgenererende dochters in vaste inrichtingen inmiddels is verholpen door aanpassing van de afschrijvingstermijn op goodwill. Deze leden betwijfelen of het dan nog wel nodig is om nu rigoureus het roer om te gooien naar een puur territoriaal systeem waarbij er in het geheel geen ruimte meer is voor de verrekening van buitenlandse verliezen. Zij vragen om een reactie op de stelling dat de introductie van de objectvrijstelling een verkeerde keuze is om het hiervoor geschetste misbruik nogmaals te verhelpen.

Het invoeren van de objectvrijstelling is niet ingegeven door het repareren van vermeend misbruik van de huidige vrijstellingsmethode. Achtergrond voor de objectvrijstelling is een meer gelijke behandeling tussen het drijven van een buitenlandse onderneming in de vorm van een deelneming en een vaste inrichting. Dit heeft tot gevolg dat de verliezen van vaste inrichtingen, net als bij deelnemingen, niet van jaar tot jaar ten laste van de Nederlandse winst kunnen worden gebracht. De stelling van de leden van de fractie van het CDA dat er met de introductie van de objectvrijstelling een verkeerde keuze wordt gemaakt om het door deze leden beschreven misbruik nogmaals te repareren, deel ik dan ook niet.

De leden van de fractie van het CDA vragen zich voorts af of aanpassing van de zinsnede in artikel 15ac van de Wet Vpb 1969, tot problemen kan leiden. In artikel 15ac is in samenhang met de objectvrijstelling de huidige tekst van «vermindering ingevolge voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting» vervangen door: toepassing van de objectvrijstelling voor de buitenlandse ondernemingswinsten. Artikel 15ac, zo merken deze leden op, is een antimisbruikbepaling die ook wel bekend is als de zogeheten «Sara-Kreek» bepaling. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat rentelasten die aan de vaste inrichting worden toegerekend in het buitenland aftrekbaar zijn doch in Nederland bij de voorkoming niet tot uitdrukking komen omdat als gevolg van de fiscale eenheid de aan de vaste inrichting toegerekende lening niet zichtbaar is. Dit is kortweg gerepareerd door bij de voorkoming van dubbele belasting uit te gaan van de voorkoming die zou zijn verkregen als er geen fiscale eenheid zou zijn geweest. De leden merken voorts op dat ook in deze situatie het zo kan zijn dat ingeval de vaste inrichting verlieslatend is, als gevolg van de bepalingen van de objectvrijstelling, dit verlies als het ware moet worden bijgeteld.

Ook hier vloeit dit resultaat voort uit het verschil tussen de winst van de fiscale eenheid, en de winst die aan de vaste inrichting kan worden toegerekend. De door deze leden beschreven situatie heeft betrekking op het zodanig vormgeven door de belastingplichtige dat rentelasten worden toegerekend aan de vaste inrichting die in het v.i.-land aftrekbaar zijn, terwijl de rentebaten als gevolg van de fiscale eenheid niet in Nederland belast worden. Dit ongewenst gebruik is, zoals de leden opmerken gekeerd door artikel 15ac. Door de voorgestelde objectvrijstelling verandert er aan het doel van artikel 15ac niets.

Net als onder de huidige wetgeving zal er in het land van de vaste inrichting rekening worden gehouden met de rentelasten. Deze verminderen de aldaar belastbare winst. Een dergelijke financieringsstructuur zal zich over het algemeen slechts voordoen ingeval de vaste inrichting in het buitenland winstgenerend is. In de situatie dat de vaste inrichting per saldo winstgenererend is, heeft artikel 15ac onder de objectvrijstelling hetzelfde gevolg als onder de huidige regeling.

Heeft de vaste inrichting over een jaar per saldo een verlies dan zal dat verlies, net als een «normaal» verlies van een vaste inrichting bij de belastbare winst van de fiscale eenheid geteld dienen te worden. Ook hier geldt dat deze rentelasten in het v.i.-land thuishoren en aldaar leiden tot een aftrekbaar verlies.

De leden van de fractie van het CDA vragen voorts nog om een reactie op een bij het verslag gevoegd conceptartikel van de heer Pijl. De heer Pijl gaat in zijn artikel in op de passieve beleggingsvaste-inrichting. Hij betoogt dat er sprake is van een cirkelredenering daar waar in het verdrag voor de omschrijving van de passieve vaste inrichting waarvoor geen vrijstelling wordt gegeven, wordt verwezen naar situaties waarin volgens nationale wet (slechts) verrekening zou worden gegeven, terwijl in de nationale regeling voor de laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming een uitzondering wordt gemaakt voor situaties waarin onder een verdrag de vrijstellingsmethode geldt.

Aan de heer Pijl kan worden toegegeven dat in de verschillende verwijzingen een zekere cirkel zou kunnen worden onderkend. De bedoeling van de verschillende regelingen is naar mijn mening evenwel volstrekt duidelijk. In de meeste recente verdragen wordt voor de omschrijving van de gevallen waarin voor passieve vaste inrichtingen slechts verrekening wordt gegeven in plaats van vrijstelling, verwezen naar de Nederlandse regeling ter voorkoming van dubbele belasting. Onder het huidige regime is dat het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Dit kent in de artikelen 32, vijfde lid, en 39 tot en met 41 een regeling voor de passieve winst uit buitenlandse onderneming. Na inwerkingtreding van de objectvrijstelling dient de verwijzing in de verdragen gelezen te worden als een verwijzing naar de in de regeling van de objectvrijstelling opgenomen regeling voor de laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming. In het voorgestelde artikel 15g van de Wet Vpb 1969 wordt uitgewerkt wanneer hiervan sprake is. Wordt aan deze omschrijving voldaan, dan zal ook in verdragssituaties bij verdragen die een regeling voor passieve vaste inrichtingen kennen, slechts verrekening worden gegeven.

De in artikel 15e, zevende lid, van de Wet Vpb 1969 opgenomen beperking met betrekking tot de regeling voor de laagbelaste buitenlandse beleggingsonderneming («tenzij zodanige winst op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting in Nederland voor een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting in aanmerking komt») ziet op de situatie waarin in een verdrag geen specifieke bepaling voor passieve vaste inrichtingen is opgenomen en Nederland op basis van dat verdrag voor de met een dergelijke vaste inrichting behaalde winst op grond van het verdrag toch vrijstelling zou moeten geven (in afwijking van de nationale regeling). Alsdan valt deze op grond van het verdrag vrij te stellen winst toch onder de objectvrijstelling.

Aansluiting Belastingplan en Miljoenennota

Ik ben blij dat de leden van de fractie van de SP ingenomen zijn met de antwoorden in de memorie van antwoord en in het bijzonder de tabel in de bijlage erg informatief vinden. Deze leden vragen voorts naar de onderbouwing van de posten liquiditeitsverruiming en Vpb-grondslagverbreding uit tabel 2.3.2 van bijlage 2 van de Miljoenennota 2012.

In de bijlage van de Miljoenennota wordt ingegaan op de oorzaken van verschillen tussen de belastingen en premies op kas-, transactie- en lastenbasis. Het verschil wordt enerzijds veroorzaakt doordat sommige maatregelen wel meetellen voor de lastenboekhouding, maar niet behoren tot de belasting- en premieontvangsten Rijk. Voorbeelden hiervan zijn de zorgtoeslag en de lasten van lokale overheden en de bruteringscorrectie. Daarnaast geldt voor een aantal maatregelen daarvan dat bij de lasten de netto contante waarde wordt genomen als zijnde het relevante effect voor de lastenontwikkeling terwijl de belasting- en inkomstenraming uitgaat van de kas- en transeffecten in enig jaar. Dit betreft maatregelen waarbij sprake is van intertemporele effecten. Hierbij is sprake van uitgestelde belastingbetaling of van maatregelen die als effect hebben dat belastingheffing naar voren wordt gehaald.

De post liquiditeitsverruiming betreft alle maatregelen rondom willekeurige afschrijving en carry back uit het jaar 2008, 2009, 2010 en 2011. Aangezien hier sprake was van tijdelijke maatregelen die in 2012 niet meer worden voortgezet, leidt dit tot een lastenverzwaring (in mutatietermen ten opzichte van het vorige jaar) van € 270 miljoen. Dit is de netto contante waarde. Het aflopen van de liquiditeitsmaatregelen leidt eveneens tot hogere belasting- en premieontvangsten in 2012. Het effect op de belasting- en premiontvangsten valt hoger uit omdat de maatregelen in eerdere jaren ook tot een grotere derving in de belasting- en premieontvangsten hebben gezorgd.

De post Vpb-grondslagverbreding bestaat met name uit de maatregelen «Objectvrijstelling vaste inrichting»4 en de «Renteaftrekbeperking overnameholding»5. Het verschil van € 500 miljoen tussen het effect op het lastenkader en de belasting- en premieontvangsten op transactiebasis wordt volledig verklaard door het verschil in boeking met betrekking tot de objectvrijstelling. In de lastenboekhouding wordt deze maatregel geboekt als netto contante waarde.

Innen van belastingen en premies

De leden van de fractie van de SP vragen naar aanleiding van de memorie van antwoord naar een grove indicatie van de marginale kosten van het innen van de nominale ZVW-premies, analoog aan de huidige AWBZ-premies. Zo eenvoudig als de vraag naar het innen van de nominale ZVW-premie op zichzelf lijkt, zo lastig is deze te beantwoorden. Daarvoor is nader inzicht nodig in hoeverre de systematiek van de huidige AWBZ-premies bruikbaar is voor het innen van de nominale ZVW-premies. Bij globale beschouwing verschillen beide premies op enkele essentiële onderdelen. De doelgroep voor de AWBZ-premie is globaal gesproken de groep verzekerden met een inkomen dat zodanig hoog is dat na verrekening van de heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting e.d.) nog belasting en premie volksverzekeringen is verschuldigd. De verschuldigde AWBZ-premie is een percentage van het belastbare inkomen tot een maximumbedrag. De nominale ZVW-premie is een nominaal bedrag per verzekerde, onafhankelijk van de aanwezigheid of van de hoogte van het inkomen. Deze nominale ZVW-premie verschilt bovendien per verzekeringsmaatschappij. Voorts verschillen de nominale ZVW-premies binnen een verzekeringsmaatschappij nog eens per verzekerde, afhankelijk van zijn zorgpakket, eigen risico, etc. Het heffen van de juiste nominale ZVW-premie vergt daarom omvangrijke gegevensuitwisselingen met de verzekeringsinstellingen. Door deze en andere verschillen gaat een vergelijking met het innen van de AWBZ-premie niet op. Dit geldt eveneens voor andere heffingen die de Belastingdienst thans uitvoert. Daarom noodzaakt een goede en bruikbare inschatting van de uitvoeringskosten een gedegen onderzoek, dat niet binnen een paar weken valt af te ronden. Met betrekking tot de vraag van de leden van de fractie van de SP naar splitsing van de AWBZ-premie geldt mutatis mutandis hetzelfde.

Vermogensrendementsheffing

De leden van de fractie van de SP vragen wat de opbrengst is van de vermogensrendementsheffing in 2011 en 2012 en waar dit gevonden kan worden. De belastingopbrengsten worden verantwoord naar belastingsoort. De box 3 heffing maakt deel uit van de inkomstenbelasting (IB). De verwachte IB-opbrengsten voor 2011 en 2012 staan vermeld in tabel 2.5.1 van bijlage 2 van de Miljoenennota 2012. Vanuit de aangifte inkomstenbelasting 2009 (het meest recente belastingjaar waarvan betrouwbare gegevens beschikbaar zijn) blijkt een bruto belastingbedrag met betrekking tot de heffing in box 3 van € 3,7 miljard. Dit is het bedrag vóór verrekening van heffingskortingen.

Aansprakelijkheid executeurs

De leden van de fractie van de VVD vragen toe te zeggen om, eventueel in overleg met de brancheorganisatie van executeurs, in de uitvoerende sfeer een richtlijn op te stellen waardoor het voor de executeur duidelijk wordt wanneer het niet aan hem te wijten is dat de aanslag erfbelasting tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig erfbelasting is geheven en de executeur dus van aansprakelijkstelling gevrijwaard is.

Jaarlijks overlijden circa 140 000 mensen. In minder dan de helft van de gevallen wordt aangifte erfbelasting gedaan (circa 60 000). In 75% van de gevallen is er geen executeur. Van de resterende 25%, ofwel 15 000 aangiften, is in iets meer dan 10 000 gevallen een professionele executeur betrokken. De door de leden van de fractie van de VVD gevraagde regeling ziet dus op een relatief en absoluut kleine groep. De vraag komt erop neer van tevoren aan te geven wanneer de executeur geen verwijt treft. Als de executeur daaraan voldoet, is aansprakelijkstelling niet meer mogelijk. Dit komt neer op een absolute vrijwaring. Een absolute vrijwaring past slecht in het bestaande systeem van aansprakelijkheden. Bij de voorbeelden die bestaan, zijn compenserende zekerheden opgenomen zoals certificering en stortingen op g-rekeningen (zie bijvoorbeeld de recente maatregelen die de Minister van SZW en ik hebben genomen met betrekking tot de uitzendbranche). Dit soort zekerheden zijn in dit kader niet bruikbaar. Wanneer een executeur voldoende inspanning heeft geleverd en dus gevrijwaard is, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Deze laten zich moeilijk in een richtlijn vatten. Overigens ben ik van mening dat een dergelijke richtlijn naar zijn aard niet in de uitvoerende sfeer, maar op hoger niveau vastgelegd zou moeten worden. Dit vergt eerst een wetswijziging.

Er zijn bij de Belastingdienst zes zaken bekend waarin een executeur ooit aansprakelijk is gesteld. Er is geen aanleiding om te vermoeden dat dit aantal sterk zal toenemen. Als gevolg van het amendement van mevrouw Schouten6 kan de executeur zich disculperen. Dit is al een belangrijke tegemoetkoming aan de executeur. De uitwerking daarvan in de praktijk moet nog blijken. Op dit moment kan ik in ieder geval toezeggen de ontwikkelingen nauwlettend te monitoren. Tegelijkertijd ben ik bereid om het gesprek met de professionele executeurs aan te gaan om te kijken welke bezwaren zij in de praktijk voorzien. Indien zou blijken dat executeurs veel vaker met aansprakelijkstelling te maken krijgen, zal ik aanvullende maatregelen treffen. Deze kunnen dan ingevuld worden aan de hand van concrete praktijkvoorbeelden.

Maatschappelijk beleggen

Tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2012 in de Tweede Kamer heb ik toegezegd voor de behandeling van dat wetsvoorstel in uw Kamer inzicht te geven in de stand van zaken rondom het maatschappelijk beleggen. Het is voor de banken, spaarders, beleggers en projecteigenaren van belang dat op korte termijn duidelijkheid komt in dit dossier. Op dat moment was er nog geen zicht op een goed alternatief. Ik heb herhaald dat ik, onder een aantal voorwaarden, bereid was om naar alternatieven te kijken voor de verdere afbouw van de heffingskortingen voor maatschappelijk beleggen. Zo moest de budgettaire besparing gegarandeerd zijn, er mocht geen closed shop ontstaan, de mededinging mocht niet in gevaar komen en voorts moest de vereenvoudiging die in het Regeerakkoord was voorzien door de afschaffing van de heffingskortingen voor maatschappelijk beleggen, alternatief worden ingevuld. Vereenvoudiging van het belastingstelsel heeft immers voor zowel het parlement als voor mij een hoge prioriteit. Ten slotte moeten de partners die het Regeer- en Gedoogakkoord hebben gesloten, instemmen met het alternatief.

De afgelopen weken heeft een aantal keren overleg plaatsgevonden met de sector en binnen het kabinet. Aangezien aan de andere technische randvoorwaarden leek te kunnen worden voldaan, is in dit overleg met name gezocht naar een alternatieve vereenvoudiging binnen het fiscale instrumentarium en in dezelfde hoek van begunstigden, zonder dat dit tot een nadere budgettaire opbrengst zou moeten leiden. In het bijzonder is hierbij gekeken naar faciliteiten als de EIA, de MIA en de Vamil en mogelijkheden om (enkele van) deze faciliteiten samen te voegen. Van belang was hierbij dat werkelijk sprake zou zijn van een vereenvoudiging, en niet slechts het heretiketteren van twee faciliteiten tot één nieuwe. Hierbij is gebleken dat er, ook gelet op de beperkte hoeveelheid beschikbare tijd, vooralsnog geen alternatieve vereenvoudiging gevonden kan worden die op een breed draagvlak kan rekenen. Uit deze vaststelling moet ik de conclusie trekken dat momenteel niet aan de gestelde randvoorwaarden is voldaan. Hierdoor kan op dit moment niet worden gekomen tot een alternatief voor de geleidelijke afschaffing van de heffingskortingen voor maatschappelijk beleggen.

De staatssecretaris van Financiën,

F. H. H. Weekers


X Noot
1

De letter F heeft alleen betrekking op wetsvoorstel 33 003.

X Noot
2

Arrest van het Hof van Jusititie d.d. 28 februari 2008, C-293/06.

X Noot
3

Arrest van het hof van Justitie d.d.15 mei 2008, C-414/06 (Lidl).

X Noot
4

Zie paragraaf 2.2.2 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Belastingplan 2012.

X Noot
5

Zie paragraaf 2.2.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Belastingplan 2012.

X Noot
6

Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 9.