Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233000-VII nr. 96

33 000 VII Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2012

Nr. 96 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den haag, 22 november 2011

Hierbij voldoe ik aan mijn toezegging om voor het algemeen overleg met uw Kamer op 22 november 2011 een brief aan u te zenden aangaande het amendement 33 000 VII, nr. 52 inhoudende verzoek tot ophoging van het budget voor het programma Veilige Publieke Taak onder artikel 7 van de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Op 12 juli 2011 heb ik u samen met de minister van Veiligheid en Justitie, geïnformeerd over de voortzetting van het programma Veilige Publieke Taak. Gelet op het nog altijd onacceptabel hoge aantallen werknemers die met agressie en geweld worden geconfronteerd en het daarmee een taai maatschappelijk probleem betreft, hebben wij ervoor gekozen om de huidige aanpak door te zetten. In deze brief over de toekomst van het programma VPT 2011 tot 20151 heb ik u geschreven dat de aanpak tegen agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak een gecombineerde en integrale aanpak van werkgeversmaatregelen, strafrechtelijke maatregelen en ketensamenwerking omvat. De dadergerichte aanpak is de kern van deze aanpak immers de dader mag er nimmer mee wegkomen en dient altijd een reactie te krijgen. Deze aanpak heeft zich ondertussen in de praktijk bewezen, zowel op sector niveau, zoals uit de onlangs aan u toegezonden 2-meting blijkt, als op organisatieniveau. Nadruk voor de komende periode ligt op het invoeren en waar nodig het aanscherpen, vernieuwen, intensiveren en borgen van de in gang gezette maatregelen. Nog meer dan in het verleden gaat het voorkomen van geweld onderdeel uitmaken van dit pakket aan maatregelen. Inzet is om te zorgen dat deze aanpak daadwerkelijke lokaal wordt verankerd. Daar vindt het geweld plaats en dient het te worden voorkomen, bestreden en aangepakt.

Verantwoordelijkheden

Het programma gaat bij haar beleidslijnen en maatregelen uit van de bestaande verantwoordelijkheden van de betrokken partijen. Kortom, de dader is verantwoordelijk voor zijn gedrag en voor de door hem aangerichte schade en politie, openbaar ministerie en de rechters respectievelijk voor de opsporing, vervolging en het sanctioneren. De werkgever is en blijft primair verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn werknemers en de ongestoorde en integere uitvoering van de publieke taak.

Bij de start van het programma in 2007 is besloten de werkgever in zijn rol te ondersteunen. Deze ondersteuning is inhoudelijk, soms fysiek en financieel. Voorbeeld hiervan is de stimuleringsregeling (2008 tot 2010) die, op basis van evenredige investering van de werkgevers, subsidie verleende aan die werkgevers. Verder zijn ad-hoc subsidies verstrekt voor (innovatieve) initiatieven die kunnen bijdragen aan het verminderen van agressie en geweld.

Uit de eerder genoemde 2-meting blijkt dat, zij het wisselend, de werkgevers op verschillende onderdelen hun verantwoordelijkheid nog onvoldoende hebben ingevuld. De grootste terugloop, zo constateren de onderzoekers, ligt bij de bouwkundige, technische of elektronische maatregelen tegen ongewenst gedrag, namelijk van 46% in 2007 naar 31% in 2011. Een mogelijke verklaring van de uitkomsten van dit belevingsonderzoek zou kunnen zijn dat mensen zich niet meer bewust zijn van eerder genomen maatregelen in het kader van de (sociale) veiligheid. Maar ook op andere punten zoals aangifte bevorderen en nemen van andere organisatorische maatregelen is een teruggang geconstateerd.

Eerdere inspanningen camera’s en bouwkundig

Wat betreft bouwkundige aanpassingen van werkplekken zijn gedurende het programma enkele subsidies verstrekt. Eén ervan, gestart onder het CWI met een vervolg bij UWV, heeft een handleiding voor «Keurmerk Veilige werkplek» opgeleverd. De resultaten van toepassing hiervan zijn positief. Daarnaast zijn er positieve ervaringen bekend van maatregelen op werkplekken die het gedrag via de zintuigen beïnvloeden, zoals licht in metrohallen en geuren in cellencomplexen.

Cameratoezicht en andere technologische toepassingen, zoals het vaststellen van DNA uit «spuug», zijn onder meer gesubsidieerd vanuit het programma. In de afgelopen halfjaarlijkse rapportages2 van het programma bent u daarover geïnformeerd. Een overzicht van subsidies van cameratoepassingen:

  • op voertuigen via ad-hoc subsidie van € 1 mln. in september 2008 bij vijf ambulanceregio’s naar aanleiding van een ernstig geweldsincident in Amsterdam tegen en het vervolgens neerleggen van het werk door ambulancemedewerkers;

  • op voertuigen en kleding via een ad-hoc subsidie van ruim € 1 mln. in 2008 bij vijf politiekorpsen;

  • op voertuigen van € 0,125 mln. bij de brandweer Rotterdam-Zuid naar aanleiding van geweld bij jaarwisseling;

  • in voertuigen bij openbaar vervoer – waarbij een extra inhaalslag voor bussen is gemaakt in 2011. Sinds start Taskforce Veiliger Openbaar Vervoer is de camera dichtheid in bussen toegenomen van 50% in 2009 naar bijna 85% nu;

  • met gezichtsherkenningen op bussen en trams bij de RET – pilot loopt nog;

  • op de kleding bij de (gerechts)deurwaarders – project loopt nog.

De belangrijkste conclusies uit bovenstaande pilots tot nu toe zijn dat:

  • cameratoezicht kan rekenen op brede steun van het publiek;

  • cameraregistratie geen agressief gedrag uitlokt;

  • met uitzondering van de ambulancewerknemers een meerderheid van werknemers het gebruik van camera’s accepteert;

  • de beelden geschikt zijn voor sfeerbepaling en identificatie van daders;

  • de beelden door het openbaar ministerie en de rechter worden geaccepteerd in het strafproces;

  • de werknemers zich (iets) veiliger gaan voelen en eerder durven op te treden; en

  • het attenderen op het gebruik van camera’s een de-escalerend effect heeft.

Een evaluatie van cameratoezicht3 geeft weer dat cameratoezicht werkt en een goede aanvulling is op andere veiligheidsmaatregelen. «Cameratoezicht een geaccepteerd instrument blijft en .... levert een aantoonbare bijdrage aan de verbetering van de veiligheid».

Komende inspanningen

Bij de uitvoering van het programma tot 2015 wordt de operationele ondersteuning aan individuele werkgevers vanaf najaar 2011 door het expertisecentrum VPT verzorgd. Zij wordt tot 2015 gefinancierd vanuit het VPT budget.

Conform de toekomstbrief is VPT begonnen met nadrukkelijk aandacht te besteden aan het voorkomen van agressie en geweld op drie punten:

  • pro-actie: bevorderen van vroegtijdig ingrijpen door duidelijke grenzen en procedures, en het delen vooraf van informatie over de dader.

  • preventie: fysieke en technologische aanpassingen (DNA-spray en gezichtherkenning). Ook bij (nieuwbouw door) Rijksgebouwendienst, bijvoorbeeld gebouwen waar burgercontacten plaatsvinden zoals bij Douane, COA en IND, kunnen deze maatregelen worden ingepast.

  • preparatie: voorbereiden werknemers op de gekozen werkwijze, zoals het weerbaar optreden.

Deze maatregelen sluiten aan op eerder gepresenteerde 8 (dadergerichte) maatregelen die een werkgever vanuit zijn goede werkgeverschap en zijn verplichting van de Arbeidsomstandigheden wet geacht wordt te nemen. Daarnaast ben ik van mening dat ook een werkgever een verantwoordelijkheid heeft in de dadergerichte aanpak bijvoorbeeld door het maximaliseren pakkans door middel van cameratoepassing in welke vorm dan ook (kleding – voertuig – gezichtsherkenning).

Voorts ben ik bereid tegen de achtergrond van het amendement (33 000 VII, nr. 52) extra specifieke aandacht te besteden aan:

  • cameratoepassingen bij of andere technische middelen voor beroepsgroepen waarbij in het publieke domein contact is met de burger en vaak in een één op één situatie optreedt, zoals de inspectiediensten en buitengewone opsporingsambtenaren (bijv. boswachters, parkeerwachters), deurwaarders, bevorderen zodat er meer bewijsmiddelen zijn in de rechtzaak;

  • het verspreiden van kennis over bouwkundige, technische of elektronische maatregelen die kunnen bijdragen aan het verminderen van ongewenst gedrag dan wel om de pakkans van daders te vergroten;

  • programma van eisen opstellen om agressie en geweld incidenten zoveel mogelijk te voorkomen gericht op het regime van de Rijksgebouwendienst en;

  • stimuleren van het uitwisselen van informatie tussen de organisaties met een publieke taak. Hiervoor zal binnenkort een pilot van start gaan.

Hopende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. P. H. Donner


X Noot
1

Tweede Kamer – vergaderjaar 2010–2011, 28 684, nr. 325.

X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 28 684, nr. 295 en 321.

X Noot
3

Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 28 684, nr. 312.