33 000 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2012

Nr. 54 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 november 2011

Met deze brief informeer ik u over de uitvoering van de door het lid Van Toorenburg ingediende motie inzake de Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna VOG) voor jeugdigen1. Deze motie is op 4 oktober jl. door uw Kamer aangenomen.

Ik ben net als u van oordeel dat jeugdigen die op minderjarige leeftijd een strafbaar feit hebben begaan, door de weigering van de VOG niet onnodig moeten worden belemmerd in het vinden van een baan of stage. Het hebben van een baan is een goede beschermende factor om niet te vervallen in crimineel gedrag. Dit betekent niet dat elke jongere zomaar een VOG moet krijgen, aangezien ik ook moet kijken naar de mogelijke risico’s voor de samenleving. Ik weeg daarom bij iedere VOG-aanvraag zeer zorgvuldig het risico voor de samenleving af tegen het belang bij afgifte van de VOG. Het huidige beoordelingskader biedt voldoende ruimte om recht te doen aan de belangen van jeugdigen. Bij hen neem ik, naast het aantal strafbare feiten, de afdoening en het tijdsverloop, bijvoorbeeld ook de minderjarige leeftijd ten tijde van het plegen van het delict mee.

Uw Kamer heeft mij verzocht de voorlichting hierover te verbeteren, zodat jongeren gericht verweer kunnen voeren tegen een weigering van de VOG. Ik heb onderzocht op welke wijze ik dit kan doen. Ter uitvoering van de door uw Kamer aangenomen motie zal ik jeugdigen die op minderjarige leeftijd een strafbaar feit hebben gepleegd expliciet voorlichten over het beoordelingskader van de VOG en wat zij zelf kunnen doen om het beoordelingsproces positief te beïnvloeden. Te denken valt aan het inzichtelijk maken van de ontwikkeling die hij of zij heeft doorgemaakt sinds het plegen van het strafbare feit en aan het uitleggen van de omstandigheden waaronder een strafbaar feit is begaan. Deze informatie zal ik vervolgens in mijn beoordeling betrekken.

Het komende half jaar zal ik inventariseren wat de effecten van de voorlichting zijn op de VOG-aanvragen van jeugdigen. Ik zal u hierover medio 2012 informeren.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven


X Noot
1

Tweede kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 VI, nr. 6.

Naar boven