33 000 B Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2012

Nr. 4 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 25 oktober 2011

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1, belast met het voorbereidende onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Dijksma

De adjunct-griffier van de commissie,

Hendrickx

1

Is het waar dat geplande uitgaven naar voren zijn gehaald van 2012 naar 2011? Betekent dit inderdaad dat deze uitgaven daardoor niet onder de normeringssystematiek vallen, en de gemeenten hierdoor € 100 mln. mislopen? Gaan de gemeenten hiervoor gecompenseerd worden? Zo nee, waarom niet?

Het gemeentefonds volgt middels het accres de ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven. Het kabinet heeft besloten om deze zogenaamde normeringssystematiek met ingang van 2012 weer in werking te stellen. De oorzaak voor het lagere accres 2012 is gelegen in het feit dat het kabinet voor zowel 2011 als 2012 de uitgavenkaders sluit. Daarbinnen heeft een verschuiving plaatsgevonden tussen NGRU- en niet NGRU-relevante uitgaven en tussen de uitgaven onder de drie deelkaders rijksbegroting enge zin, sociale zekerheid en arbeidsmarkt en het budgettair kader zorg. Lagere ramingen van loon- en prijsontwikkelingen hebben ook een beperkt neerwaarts effect op de accressen ten opzichte van de Voorjaarsnota. Volgens de huidige inzichten valt het accres over 2012 voor gemeenten € 179 miljoen lager uit dan in de meicirculaire werd verwacht. Het definitieve accres 2012 is pas in mei 2013 bekend. Compensatie is niet aan de orde aangezien het accres de uitkomst is van een berekeningsmethodiek waarmee bestuurlijk is ingestemd door VNG en IPO. Overigens is het geraamde accres over de gehele kabinetsperiode bezien – ondanks de neerwaartse bijstelling – nog steeds hoger dan waarvan in de startnota werd uitgegaan.

2

Waaruit blijkt dat gemeenten voldoende zijn toegerust om hun taken naar behoren uit te voeren? Bestaat hierover verschil van mening tussen de regering en de gemeenten? Welke verschillen betreft dat?

We hanteren voor de financiering van gemeenten een robuuste financieringssytematiek. De normeringssystematiek is dusdanig ingericht dat gemeenten in principe hun taken naar behoren kunnen uitvoeren. Daarnaast hebben gemeenten uiteraard ook nog de mogelijkheid om eigen inkomsten te genereren. Halfjaarlijks heb ik overleg met de gemeenten over eventuele knelpunten die zich daarbij voordoen. Tot op heden hebben mij geen signalen bereikt dat gemeenten niet langer toegerust zouden zijn om hun taken naar behoren te kunnen uitvoeren.

3

In welke maand kan de Tweede Kamer het onderzoek naar de verdeling van het Gemeentefonds verwachten?

Naar verwachting ontvangt de Tweede Kamer in december een brief over de eerste fase van het onderzoek naar de verdeling van het gemeentefonds.

4

Hoe staat het met de ontwikkeling van de hoogte van de OZB-opbrengsten in 2011?

De begrote OZB-opbrengsten stijgen van € 2,96 miljard in 2010 naar € 3,06 miljard in 2011, een toename van 3,5%. Deze toename is lager dan de Macronorm van 3,5%.

5

Welke gevolgen heeft het afwaarderen van het grondbedrijf voor de financiële situatie van de gemeente?

Het effect is dat de vermogenspositie van de gemiddelde gemeente verslechtert. Reserves en voorzieningen nemen bijvoorbeeld af, of de ruimte voor het doen van uitgaven vermindert.

6

Waarom is ten opzichte van 2010 een miljoen meer uitgegeven aan de kosten van de Financiële Verhoudingswet?

Dit betreft geen hogere uitgave van € 1 miljoen, maar een toevoeging van € 1 miljoen aan het budget van 2011 in verband met het niet geheel tot besteding gekomen budget van 2010. De definitieve uitgaven in 2011 worden in de jaarrekening 2011 gepresenteerd.

7

Hoe beoordeelt de regering het gegeven dat het inflatiepercentage hoger is dan de reële trendmatige groei als het de macronorm betreft? Welke gevolgen zou de bijtelling kunnen hebben voor de hoogte van de macronorm?

De macronorm OZB is opgebouwd uit het percentage van de voor deze kabinetsperiode geraamde reële trendmatige groei (1,25%) en daarbij opgeteld het door het CPB in het CEP voor aankomend begrotingsjaar geraamde inflatiepercentage (2,5%). De onderlinge verhouding tussen beide percentages is derhalve niet relevant.

8

Welke ontwikkeling verwacht de regering voor 2012 in het aantal artikel 12-gemeenten?

De verwachting is dat het aantal artikel 12-gemeenten zich zal stabiliseren. Na 1 december aanstaande kan ik u over het juiste aantal informeren.

9

Waarom wordt de vermindering van het aantal volksvertegenwoordigers al meegenomen in de begroting op lange termijn? Moet niet eerst de wet die dit gaat regelen, aangenomen worden door beide Kamers? Wanneer kan de Kamer dit wetsvoorstel verwachten?

Het kabinet is van mening dat de beoogde vermindering van politieke ambtsdragers een noodzakelijke bijdrage is aan de ombuigingstaakstelling op financieel gebied die het kabinet in 2015 gerealiseerd wil zien. De minister van BZK bereidt op dit moment een wetsvoorstel daartoe voor. Het wetsvoorstel voorziet erin dat met ingang van de volgende verkiezingen voor de gemeenteraad en provinciale staten een vermindering van politieke ambtsdragers gerealiseerd zal zijn. De verwachting is dat het wetsvoorstel in het voorjaar van 2012 de Tweede Kamer bereikt.

10

Als normeren van lokaal inkomensbeleid het doel is, waarom is dan niet gekozen voor een beperking van de inkomensgrens van het gemeentelijke inkomensbeleid op maximaal 120% van het sociaal minimum?

Waarschijnlijk wordt bedoeld dat maatregelen om armoede te bestrijden worden genormeerd naar 110% van toepassingzijnde bijstandsnorm. Het Rijk normeert de inkomensgrens van het gemeentelijk inkomensbeleid vanaf 2012 structureel op maximaal 110% van het wettelijk minimumloon. Het Rijk wil hierdoor de armoedeval beperken en daarnaast levert de maatregel een structurele bezuiniging op. Door uit te gaan van een hoger niveau dan het sociaal minimum wordt de stimulans om vanuit een uitkeringssituatie te gaan werken kleiner. Men verliest immers het voordeel van de vrijstelling als men boven die grens komt. Deze armoedeval is een aandachtspunt van dit kabinet. We moeten immers te allen tijde mensen stimuleren om vanuit een uitkering te komen in een situatie waarin men het eigen inkomen verwerft.

11

Wordt bij het terugdringen van het aantal politieke ambtsdragers bij gemeenten opschaling als middel gezien?

Neen, opschaling door gemeentelijke herindelingen wordt niet als middel gezien om het doel, namelijk vermindering van het aantal politieke ambtsdrager, te bereiken.

12

Hoe is de maatstaf voor de Wet maatschappelijke ondersteuning opgebouwd?

De middelen voor de Wet Maatschappelijke Ondersteuning maken onderdeel uit van het cluster Maatschappelijke zorg van het gemeentefonds. De middelen worden deels via de algemene uitkering verstrekt, en deels via de integratie-uitkering «Hulp bij Huishouden». Bij de verdeling van deze middelen wordt rekening gehouden met die factoren die bepalen hoeveel kosten een gemeente maakt voor haar maatschappelijke opgave vanuit medebewind of autonomie – de kostendrijvers. Voor de Wmo wordt in de verdeling bijv. rekening gehouden met de bevolking (o.a. het aantal inwoners, het aantal inwoners 65+, langdurig medicijngebruik), de sociaal-economische positie (o.a. huishoudens met lage inkomens, mensen met een uitkering) en overige factoren (o.a. het aantal woonruimten). Ook ontvangt elke gemeente een vast bedrag. Elk van deze factoren kent een bepaald gewicht in de verdeling: het aantal huishoudens met een laag inkomen telt bijv. sterker mee dan het aantal woonruimten, omdat dit een belangrijker factor is in het bepalen van de kosten die gemeenten maken.

13

Wat is het verschil tussen de verantwoordingslasten voor de gemeenten indien zij geld ontvangen via specifieke uitkeringen dan wel decentralisatie-uitkeringen dan wel integratie-uitkeringen?

Decentralisatie-uitkeringen (DU) en integratie-uitkeringen (IU) maken onderdeel uit van het gemeentefonds en hebben daarmee het karakter van algemene middelen. Gemeenten hoeven geen verantwoording aan het Rijk af te leggen over de besteding van de algemene middelen uit het gemeentefonds, dus ook niet over de besteding van middelen die als DU of IU worden ontvangen. De specifieke uitkeringen (SU) worden verstrekt voor een specifiek bestedingsdoel en over de besteding van die middelen moet wel verantwoording aan het Rijk worden afgelegd. Doordat geen afzonderlijke verantwoording met een afzonderlijke accountantsverklaring per SU nodig is, maar via de SiSa-bijlage (SiSa=single information, single audit) in de jaarstukken over alle SU’en wordt verantwoord zijn de verantwoordingslasten teruggedrongen.

14

Wat wordt verstaan onder de prijs- en areaalontwikkeling?

Onder prijsontwikkeling wordt verstaan de ontwikkeling van de prijsmutaties van het Bruto Binnenlands Product zoals gepubliceerd in de Macro Economische Verkenning. Onder areaalontwikkeling wordt verstaan de ontwikkeling van de eenheden van de maatstaven in het gemeentefonds (zoals inwoners, bijstandsontvangers en nieuwbouwwoningen).

15

Wat is de inhoud van de aannames en de ramingen van de analyse die ten grondslag ligt aan de verwachte achterblijvende ontwikkeling van de algemene uitkering uit het Gemeentefonds bij de areaal- en prijsontwikkeling?

Het Financieel Overzicht Gemeenten (FOG) 2011 gaat bij de vooruitblik uit van ramingen tot en met 2016 op het gebied van begrote uitgaven en inkomsten gemeenten, prijzen, areaal, decentralisatie- en integratie-uitkeringen, specifieke uitkeringen en de algemene uitkeringen. Deze ramingen zijn erg onzeker waardoor de uitkomsten in het FOG ook onzeker zijn.

16

Welke andere factoren veroorzaken de daling van de Overige Eigen Middelen in 2011 ten opzichte van 2010? Hoe groot is het aandeel van elke factor? Hoe kunnen gemeenten het beste met hun grondbedrijf omgaan?

De daling van de begrote Overige Eigen Middelen in 2011 wordt voornamelijk (90%) veroorzaakt door een daling van de begrote opbrengsten uit de bouwgrondexploitatie (functie 830). Voor hoe gemeenten kunnen omgaan met hun grondbedrijven verwijs ik naar de brief van de Minister van Infrastructuur en Milieu aan de Kamer van 3 oktober 2011 met betrekking tot de aanbieding van het onderzoek naar «Financiële effecten crisis bij gemeentelijke grondbedrijven, Update 2011» (Tweede Kamer, 2011–2012, 27 581, nr. 41).

17

Hoe groot is het bedrag van de uitgavenstijging dat te maken heeft met de decentralisatie van taken naar gemeenten?

De toekomstige decentralisaties naar gemeenten zijn niet meegenomen in het Financieel Overzicht Gemeenten 2011, omdat verondersteld is dat tegenover de ontwikkelingen in de uitgaven vergelijkbare ontwikkelingen in de inkomsten staan en deze dus neutraal doorwerken in de analyse.

18

Waarom stijgt de post bestuursorgaan met € 84 mln. als de regering naar een kleinere overheid toe wil?

De begrote post bestuursorganen is over de periode 2007–2011 met € 84 miljoen gestegen. De ontwikkeling naar een kleinere overheid zal naar verwachting in de komende jaren vorm krijgen.

19

Welk effect heeft de omvang van het vreemd vermogen op de financiële positie van gemeenten, mede in het licht van de negatieve ontwikkeling van de financiële ruimte in de komende jaren?

De negatieve ontwikkeling van de financiële ruimte in de komende jaren zal bij gemeenten leiden tot bezuinigingen, verhoging van inkomsten, interen op eigen vermogen of een combinatie daarvan. Het eventueel interen op eigen vermogen kan leiden tot een relatief hogere omvang van het vreemd vermogen.

20

Welke gevolgen heeft het om de uitkeringen uit rijkscultuurfondsen en de uitkeringen in de sfeer van onderwijsbekostiging op dit moment te behandelen als subsidies voor de wijze van verantwoording en de aanspraak van gemeenten op het geld?

Deze uitkeringen blijven buiten de SiSa-verantwoordingsmethodiek en moeten daarom separaat worden verantwoord aan het Rijk.

21

Is het waar dat de toeristenbelasting met 5,3% is gestegen t.o.v. 2010?

Cijfers van het CBS bevestigen deze constatering.

22

Is het waar dat de precariobelasting met 42,4% is gestegen t.o.v. 2010?

Dat is correct. In 2010 werd er voor 66 miljoen euro aan precariobelasting geheven door gemeenten. In 2011 was dit bedrag 94 miljoen euro. Daarbij moet worden aangetekend dat in 2010 diverse gemeenten rekening hielden met een eerder aangekondigd wetsvoorstel om te komen tot afschaffing van precariobelasting op netwerken van nutsbedrijven. Dit voorstel is medio 2010 ingetrokken door het toenmalige kabinet. Daarna hebben diverse gemeenten in 2011 opnieuw precariobelasting op netwerken van nutsbedrijven ingevoerd.

23

Welke oorzaken liggen ten grondslag aan de stijging van de ozb en de toeristenbelasting? Hoeveel gemeenten hebben deze belastingen verhoogd?

Ik heb geen zicht op de afwegingen die individuele gemeentebesturen maken bij de vaststelling van hun tarieven voor lokale belastingen, die afwegingen zijn ook primair aan hen voorbehouden, dat is lokale democratie. Hoeveel gemeenten welke belastingen hebben verhoogd en/of verlaagd is voor mij ook niet relevant. Mijn algemene beeld is wel dat gemeenten zich houden aan de dit jaar met hen gemaakte bestuurlijke afspraak om primair in te zetten op beperking van de kosten(stijging) en het uitgangspunt van een gematigde ontwikkeling van de lokale lasten.

24

Hoe groot is de stijging van het aantal gemeenten dat precariobelasting heft?

In 2010 waren er 191 gemeenten die een vorm van precariobelasting hieven. In 2011 zijn dit 193 gemeenten. Dat is een stijging van 1,05%.

25

Wanneer verwacht de regering het wetsvoorstel inzake de invoering van een vrijstelling van precariobelasting op netwerken van nutsbedrijven bij de Kamer te kunnen indienen?

Het wetsvoorstel is in voorbereiding, ik streef ernaar het wetsvoorstel zo mogelijk nog dit jaar en anders begin volgend jaar bij uw Kamer in te dienen.

26

Om welke redenen verhogen de waterschappen hun belastingen?

De waterschappen zijn een functionele democratie met een gesloten huishouding en een eigen belastingstelsel. Ze voeren de hun opgelegde wettelijke taken uit en kunnen ter bekostiging hiervan heffingen opleggen. De wettelijke taken zijn de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater. Redenen voor belastingverhoging kunnen velerlei zijn. Vaak gaat het om investeringen die worden gepleegd. De keuze om de belastingen te verhogen, is een autonome verantwoordelijkheid van de waterschappen.

27

Is het niet risicovol om de OEM naar 7% te trekken nu de opbrengst van het grondbedrijf van gemeenten zo sterk daalt? Zo nee, waarom niet?

Nee. Het verhogen van de veronderstelde OEM naar 7% gebeurt alleen in de analyse van het periodiek onderhoud. Deze aanpassing heeft echter geen enkele invloed op de feitelijke verdeling van het gemeentefonds over de gemeenten.

28

Welk bedrag hebben gemeenten gekregen voor resp. de WWB en de WSW in 2010 en 2011 en hoeveel hebben ze er in de daadwerkelijk aan uitgeven.

Gemeenten ontvangen voor programmauitgaven van de WWB (uitkeringslasten en werktoeleiding) en de WSW specifieke uitkeringen. Deze staan op de begroting van het ministerie van Sociale Zaken. Via het gemeentefonds ontvangen gemeenten een vergoeding voor de uitvoeringskosten en een gering bedrag voor financiering van de SW-sector. De totale omvang van het cluster Werk en Inkomen bedraagt circa 1,8 miljard euro. Dit is inclusief minimabeleid en een deel schuldhulpverlening. Volgens de begrotingen 2011 ramen gemeenten voor dit cluster 2,3 miljard aan uitgaven.

29

Hoe wordt omgegaan met de zogeheten «nadeelgemeenten»?

De term «nadeelgemeenten» komt niet voor in het periodiek onderhoudsrapport 2012. Als hiermee bedoeld wordt nadeelgemeenten bij een eventueel toekomstige herijking van het gemeentefonds naar aanleiding het onderzoek naar de verdeling van het fonds dan geldt dat het nadeel per gemeente niet meer kan bedragen dan € 15 per inwoner. Is het nadeel hoger dan worden gemeenten daarvoor gecompenseerd.

30

Hoe kan maatschappelijke zorg nog positief zijn in figuur 3.5, terwijl gemeenten zich zorgen maken over de betaalbaarheid van de taak?

Figuur 3.5 geeft het verschil aan tussen de ijkpunten en de feitelijke uitgaven. Voor maatschappelijke zorg zien we nog steeds dat gemeenten (met name grote gemeenten) minder uitgeven dan het ijkpunt veronderstelt. Wel zien we dat het verschil in 2011 afneemt.

31

Om welk totaalbedrag gaat het respectievelijk voor maatschappelijke zorg en educatie?

Op basis van de begrotingen 2011 bedraagt het verschil tussen het ijkpunt en de feitelijke uitgaven (voor 367 gemeenten, exclusief G4 en Wadden) voor het cluster Educatie in totaal 217 miljoen en voor het cluster Maatschappelijke zorg in totaal 167 miljoen.

32

Hoeveel gemeenten zijn er die op het ijkpunt maatschappelijke zorg even veel of meer uitgeven dan het ijkpunt? Welke bevolkingsomvang hebben deze gemeenten?

Van de in de analyse betrokken 367 gemeenten zijn er 226 gemeenten die voor het cluster Maatschappelijke zorg even veel of meer uitgeven dan het ijkpunt. Deze 226 gemeenten hebben gezamenlijk ruim 8,2 miljoen inwoners.

33

Kan in tabel 3.6 op het gebied van maatschappelijke zorg ook de positie van de G4 en de G32 inzichtelijk worden gemaakt en kunnen deze gegevens in het antwoord aan het Kamer worden gezonden?

Gemeenten waarvan de afwijking van de algemene uitkering uit het gemeentefonds volgens de gemeentefondscirculaire enerzijds en de algemene uitkering volgens de begroting (functie 921) anderzijds in tenminste één van de laatste drie jaren niet binnen de marge van maximaal 5% is, zijn in de analyse buiten beschouwing gelaten. Het is daarom niet mogelijk een volledig beeld te geven van de positie van de G4 en G32 in het reguliere onderhoud.

34

Onder welke begrotingsfunctie valt de geestelijke gezondheidszorg?

Functie 714: Openbare gezondheidszorg.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Dijksma, S.A.M. (PvdA), voorzitter, Beek, W.I.I. van (VVD), Staaij, C.G. van der (SGP), Koopmans, G.P.J. (CDA), Bochove, B.J. van (CDA), Aptroot, Ch.B. (VVD), ondervoorzitter, Smilde, M.C.A. (CDA), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Brinkman, H. (PVV), Raak, A.A.G.M. van (SP), Thieme, M.L. (PvdD), Dibi, T. (GL), Heijnen, P.M.M. (PvdA), Karabulut, S. (SP), Elissen, A. (PVV), Monasch, J.S. (PvdA), Schouw, A.G. (D66), Marcouch, A. (PvdA), Boer, B.G. de (VVD), Hennis-Plasschaert, J.A. (VVD), Lucassen, E. (PVV), Verhoeven, K. (D66) en Grashoff, H.J. (GL).

Plv. leden: Dam, M.H.P. van (PvdA), Burg, B.I. van der (VVD), Dijkgraaf, E. (SGP), Sterk, W.R.C. (CDA), Bruins Slot, H.G.J. (CDA), Steur, G.A. van der (VVD), Knops, R.W. (CDA), Slob, A. (CU), Klaveren, J.J. van (PVV), Jansen, P.F.C. (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Gent, W. van (GL), Kuiken, A.H. (PvdA), Dijk, J.J. van (SP), Fritsma, S.R. (PVV), Vermeij, R.A. (PvdA), Pechtold, A. (D66), Wolbert, A.G. (PvdA), Nieuwenhuizen-Wijbenga, C. van (VVD), Taverne, J. (VVD), Bontes, L. (PVV), Hachchi, W. (D66) en Voortman, L.G.J. (GL).

Naar boven