Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 oktober 2011
November vorig jaar heb ik u het onderzoek «financiële
effecten van de vastgoedcrisis bij gemeentelijke grondbedrijven» toegestuurd
(27 581, nr. 40). Daar is
nu een actualisatie van gereed. Het onderzoek is uitgevoerd door Deloitte
Financial Advisory Services B.V. in opdracht van de VNG en de ministeries van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Infrastructuur en Milieu. Ik wil u
deze rapportage, evenals vorig jaar, mede namens de minister van BZK ter
informatie aanbieden.1
De rapportage van vorig jaar en de huidige geven een beeld over
hoe de gemeentelijke grondbedrijven er voor staan en met welke financiële
uitdagingen ze de komende tijd nog geconfronteerd worden. Vorig jaar stond in
het rapport dat de gemeentelijke verliezen op ruimtelijke plannen kunnen
oplopen tot € 2,4 miljard, het huidige rapport komt uit op een bedrag van
€ 2,9 miljard. Reden hiervan is dat de crisis langer lijkt te duren dan waar
Deloitte eerder vanuit ging. De meeste gemeenten kunnen de verliesneming
opvangen uit de opgebouwde algemene- of bestemmingsreserves, sommige gemeenten
zullen extra moeten bezuinigen. Uit het huidige rapport blijkt dat gemeenten
hun verantwoordelijkheid nemen, zo is het totaal aan voorzieningen grondbedrijf
toegenomen met € 760 miljoen. Dit is een stap in de goede richting, maar
volgens de onderzoekers nog onvoldoende.
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het te voeren
grondbeleid. Deze rapportages dragen bij aan de bewustwording dat veel
gemeenten voor wat betreft locatieontwikkeling en hun grondbeleid nog diverse
pijnlijke keuzes moeten maken. Naar aanleiding van het vorige rapport heeft de
VNG, met betrokkenheid van het Rijk, afgelopen jaar workshops in het land
georganiseerd ter stimulering van dit bewustwordingsproces.
De minister van BZK en ik willen benadrukken dat gemeenten en
hun gemeenteraden in de toekomst veel bewuster per ontwikkeling steeds de
afweging moeten maken tussen de inzet van een actief grondbeleid (met risico)
en een faciliterend grondbeleid. Om de transparantie van grondexploitaties te
vergroten en de risico’s voor gemeenten te beperken, is reeds naar aanleiding
van het vorige rapport onderzocht wat gedaan kan worden om gemeenteraden en
provinciale staten meer inzicht te geven in het grondbeleid, zodat ze beter
kunnen sturen op prestaties en risico’s. Bezien is of de regelgeving inzake
de verslaglegging van de gemeentelijke begroting en -verantwoording dient te
worden aangepast (BBV: Besluit Begroting en Verantwoording, richtlijn voor
decentrale overheden). Conclusie daarvan is dat beperkte verbeteringen mogelijk
zijn, deze worden in het reguliere proces opgepakt.
In onderlinge samenwerking tussen ministeries IenM en BZK wordt
ook bekeken welke verbeteringen op gebied van het grondbeleid mogelijk zijn in
de rijkswet- en regelgeving (o.a. omgevingsrecht, Wvg).
In het huidige rapport wordt geconstateerd dat het aantal
potentiële artikel 12 gemeenten kan oplopen van 16 (genoemd in het vorige
rapport) naar 35 gemeenten. Daar willen de minister van BZK en ik bij opmerken
dat cijfers vanuit het ministerie van BZK niet laten zien dat het aantal
artikel 12 gemeenten oploopt. In 2011 hebben 3 gemeenten een aanvullende
uitkering artikel 12 aangevraagd. Bij geen van deze gemeenten was het gevoerde
grondbeleid de (hoofd-)oorzaak. In dat verband is het goed te zien dat de
provinciale toezichthouders dit jaar, mede naar aanleiding van het vorige
rapport, een themaonderzoek uitvoeren naar de financiële gevolgen van het
grondbeleid in het kader van hun beoordelingen van de jaarrekeningen en
begrotingen. Tegen het eind van dit jaar hebben zij een concreter beeld bij
welke gemeenten sprake is van een negatieve algemene reserve door het gevoerde
grondbeleid en of dat tot gevolg heeft dat preventief toezicht moet worden
ingesteld door de provincie of dat zelfs sprake is van een beroep op artikel
12.
Tenslotte vinden wij het van belang dat gemeenten onderling en in
overleg met de provincie afspraken maken over programmering en ontwikkeling van
woningbouw, kantoorruimte en bedrijventerreinen. Daarmee wordt voorkomen dat er
op individueel gemeentelijk niveau sprake is van te optimistische planning en
verwachtingen met navenante negatieve gevolgen. In de bestuursafspraken tussen
het kabinet en medeoverheden zijn hierover ook afspraken gemaakt.
De minister van
Infrastructuur en Milieu,
M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus