Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201532851 nr. 19

32 851 Grensoverschrijdende samenwerking (GROS)

Nr. 19 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 maart 2015

Tijdens het dertigledendebat Grenseffectentoets d.d. 4 februari 2015 heb ik aangegeven dat ik het Centraal Planbureau heb verzocht de verschillen in grondprijzen in grensregio’s nader te onderzoeken (Handelingen II 2014/15, nr. 50, item 9). Hierbij ontvangt u het rapport1.

De aanleiding voor het onderzoek waren signalen dat Nederlandse grensstreken economische activiteiten zouden mislopen omdat de grondprijzen in aangrenzende regio’s in Duitsland en België substantieel lager zouden zijn. Het gaat dan met name over vermoede hogere kosten voor grond voor ruimte-intensieve bedrijven zoals in de logistieke sector. Het onderzoek is een verkenning op hoofdlijnen en bevat geen specifieke kostprijsberekeningen van separate gemeenten. Het CPB heeft literatuuronderzoek gedaan en statistische gegevens verzameld. Ter aanvulling is een aantal interviews afgenomen met gemeenten en regionale investeringsmaatschappijen.

Bevindingen CPB

De verkenning concludeert dat grondprijzen in de grensstreek in Duitsland lager zijn dan in Nederland, maar dat de prijsverschillen niet doorslaggevend zijn voor het vestigingsklimaat in de grensregio’s. De prijsverschillen komen vooral door aanbodfactoren en institutionele verschillen zoals aankoopkosten van land en hogere ontwikkelingskosten. Het CPB concludeert dat andere factoren, zoals de aanwezige infrastructuur, het imago van de regio en het fiscaal klimaat, vaak belangrijkere vestigingsplaatsfactoren zijn. Nederland scoort over het algemeen goed op de kwaliteit van vastgoedlocaties. Het CPB geeft verder aan dat het opheffen van grensbarrières economische voordelen oplevert voor de grensregio’s. Deze grensbarrières worden veroorzaakt door verschillen in taal, cultuur, beleid en infrastructuur.

Beleid van Rijk en regio voor een concurrerend vestigingsklimaat

In mijn brief van 20 januari jl. (Kamerstuk 32 637, nr. 164) heb ik aangegeven dat het Rijk en de regio vanuit verschillende verantwoordelijkheden samenwerken aan het verbeteren van het vestigingsklimaat. Dit doen we met een modern industriebeleid dat gericht is op goede randvoorwaarden voor alle ondernemers en bedrijven. Om snel in te kunnen spelen op actuele, ook regionale, ontwikkelingen hebben de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en ik een werkgroep Vestigingsklimaat in het leven geroepen. De taak van deze werkgroep is het verbeteren van het Nederlandse en regionale vestigingsklimaat door snel vraagstukken te signaleren en op te lossen. De werkgroep bestaat uit diverse vertegenwoordigers van de rijksoverheid, regionale overheden en het bedrijfsleven. Bovendien wordt momenteel een halfjaarlijkse monitor ontwikkeld met een objectieve vergelijking van de locatiefactoren in Nederland in vergelijking met concurrerende landen. De eerste resultaten van deze monitor zal ik in de eerste helft van 2015 aan uw Kamer sturen.

De regionale economische structuur is primair de verantwoordelijkheid van de regio zelf. De factor «nabijheid» speelt hierbij een belangrijke rol: regionale overheden staan dicht bij het bedrijfsleven, met name het mkb. Zij zijn het beste toegerust om snel in te spelen op de lokale economische dynamiek en actuele ontwikkelingen. De regionale bestuurders zorgen voor een aantrekkelijk regionaal en lokaal vestigingsklimaat, bijvoorbeeld als het gaat om concurrerende grondprijzen. Gemeenten en provincies hebben via onder andere de regionale ontwikkelingsmaatschappijen goede mogelijkheden om bedrijvigheid te stimuleren.

Hoewel het CPB constateert dat verschillen in grondprijzen geen doorslaggevende factor zijn, kunnen prijsverschillen een rol spelen bij de locatiekeuze van bedrijven. Dit speelt soms bij het aantrekken van bedrijven met grondintensieve economische activiteiten. Om die reden is het verstandig dat grensregio's het thema grondprijzen meenemen in het (economische) beleid in hun regio.

Grensoverschrijdende samenwerking

In het kader van goed nabuurschap werkt de Nederlandse overheid intensief samen met Duitsland en België om grensoverschrijdende kansen te benutten, belemmeringen te identificeren, waar mogelijk weg te nemen en te voorkomen dat nieuwe belemmeringen ontstaan. Samenwerking van bedrijven, kennisinstellingen en overheden aan beide zijden van de grens kan leiden tot nieuwe (duurzame) netwerken van kennisontwikkeling en bedrijvigheid, toegang tot nieuwe afzetmarkten en het kan werkgelegenheid en groei in de regio opleveren. De grensoverschrijdende samenwerking vindt op verschillende terreinen plaats, zoals arbeidsmarkt, onderwijs, openbaar vervoer en infrastructuur. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft uw Kamer op 3 februari jl. geïnformeerd over de voortgang bij deze samenwerking (Kamerstuk 32 851, nr. 17). De ruime middelen in de nieuwe Interreg-periode 2014–2020 en de regionale EFRO-fondsen zijn goede instrumenten om samenwerking verder te versterken. Het Interreg-programma streeft ernaar de barrièrewerking van de grens te verminderen en ruimte te bieden aan innovatieve samenwerking tussen mkb-bedrijven en kennisinstellingen aan beide zijden van de grens. Hierbij zie ik met name kansen voor Nederlandse bedrijven bij Nederlandse en Duitse initiatieven op het gebied van de Smart Industry (resp. Smart Industry actie-agenda en het Duitse programma Industry 4.0).

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.