32 844 Herstel van wetstechnische gebreken alsmede andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetten op of in verband met het terrein van infrastructuur en milieu

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Dit voorstel van wet bevat een verzameling wijzigingen van diverse wetten op of in verband met het terrein van infrastructuur en milieu.

Dit wetsvoorstel betreft voornamelijk wijzigingen van wetstechnische aard. Het gaat onder meer om kleine redactionele correcties, verduidelijkingen en het herstel van verwijzingen naar vernummerde wetsartikelen. De wijzigingen kennen verschillende achtergronden. Het merendeel van de wijzigingen is gericht op een goede verwerking van andere wetswijzigingen. Het betreft aanpassingen in verband met nieuwe of gewijzigde wetgeving ten gevolge van onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). De gemene deler betreft dat dit wetsvoorstel voorziet in het noodzakelijke onderhoud van de diverse wetten. De afzonderlijke wijzigingen worden in de artikelsgewijze toelichting besproken.

De achtergrond en inhoud van dit wetsvoorstel brengen mee dat uit het wetsvoorstel geen zelfstandige administratieve of financiële lasten voor burgers, bedrijven of overheden voortvloeien.

ARTIKELSGEWIJS

ARTIKEL I

De Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Onderdeel A

De overgangsrechtelijke bepalingen in de Invoeringswet Wabo bevatten geen overgangsrecht met betrekking tot de status van vergunning- en ontheffingstelsels die in ruimtelijke besluiten zijn opgenomen onder vigeur van de Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo, en die met de komst van de Wabo zijn geïntegreerd in de omgevingsvergunning. Uiteraard wordt in de desbetreffende ruimtelijke besluiten niet verwezen naar een omgevingsvergunning, maar wordt bijvoorbeeld nog de term aanlegvergunning gebruikt. Beoogd is dat deze bestaande regelingen hun rechtskracht behouden onder de Wabo, zij het dat daarbij onder vergunning of ontheffing een omgevingsvergunning voor de desbetreffende activiteit moet worden verstaan. Deze uitleg is dermate voor de hand liggend dat hiervoor bij de Invoeringswet Wabo niet in uitdrukkelijk overgangsrecht is voorzien. Ten einde echter elk misverstand hierover te voorkomen, wordt het bij nader inzien toch wenselijk gevonden om dit overgangsrecht te creëren. Het voorgestelde artikel 1.7a van de Invoeringswet Wabo voorziet hierin. Er wordt op gewezen dat onder de werking van dit artikel ook vallen op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in ruimtelijke besluiten opgenomen vergunningvereisten en vrijstellingsmogelijkheden die krachtens de overgangsrechtelijke bepalingen in de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening zijn gelijkgesteld met een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 1.7a.

In de inwerkingtredingsbepaling (artikel XX) is aan artikel 1.7a terugwerkende kracht toegekend. Het betreft hier de datum van 1 oktober 2010, het tijdstip waarop de Wabo in werking is getreden. Hiermee is de grondslag gewaarborgd van de omgevingsvergunningen die tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van het voorgestelde artikel 1.7a van de Invoeringswet Wabo in de plaats van de in dat artikel bedoelde vergunningen en ontheffingen zullen worden verleend.

Onderdeel B

Artikel 9, tweede lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten regelde de werkingsduur van een voorkeursrecht gekoppeld aan een projectbesluit. Artikel 9, tweede lid, is met de inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet vervallen. De werkingsduur wordt geregeld door artikel 9, eerste lid, dat de werkingsduur op 10 jaar zet. Dat is echter veel langer dan de voorheen mogelijke geldingsduur van 1, 3 of 5 jaar, welke gekoppeld was aan de termijn waarbinnen het projectbesluit moest zijn opgevolgd door een bestemmingsplan of beheersverordening. Met deze wijziging wordt de werkingsduur tot 5 jaar beperkt.

ARTIKEL II

De Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening

Onderdelen A en B

Beide onderdelen strekken tot correctie van een verwijzing naar aanleiding van de hernummering van artikel 9 van de Wet voorkeursrecht gemeenten.

ARTIKEL III

De Wegenverkeerswet 1994

Het betreft herstel van een foutieve verwijzing.

ARTIKEL IV

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Onderdeel A

Dit onderdeel strekt ertoe om in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo aan de verwijzing naar artikel 2.10, tweede lid, van die wet een verwijzing naar artikel 2.11, tweede lid, van die wet toe te voegen. Dit betreft een wijziging die samenhangt met de in onderdeel C van dit artikel voorgestelde wijziging van laatstgenoemd artikellid. Met die wijziging, waarmee voor de formulering van dat artikellid wordt aangesloten bij artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo, wordt verduidelijkt dat beide artikelleden een vergelijkbare betekenis hebben. Om die reden dient ook in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo behalve naar artikel 2.10, tweede lid, van die wet tevens naar artikel 2.11, tweede lid, van die wet te worden verwezen.

Onderdeel B

Dit onderdeel strekt ertoe in artikel 2.9a, tweede lid, van de Wabo de zogeheten legessanctie uitsluitend betrekking te laten hebben op de tijdige elektronische beschikbaarstelling krachtens artikel 3.12, tweede lid, onder b, van de Wabo van de mededeling van een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning die in de plaats is gekomen van het voormalige projectbesluit en niet op de beschikbaarstelling van het besluit tot verlening van die omgevingsvergunning zelf. Achtergrond hiervan is dat met de komst van de Wabo op grond van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 alleen die mededeling en niet langer, zoals bij het voormalige projectbesluit, het besluit elektronisch beschikbaar dient te worden gesteld. Artikel 2.9a, tweede lid, van de Wabo wordt hiermee in overeenstemming gebracht.

Onderdeel C

Dit onderdeel strekt ertoe artikel 2.11, tweede lid, van de Wabo te herformuleren. Met dit artikellid, dat een voortzetting is van artikel 3.5.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (oud), is beoogd te bepalen dat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo, die in strijd is met het geldende planologisch kader, mede wordt aangemerkt als aanvraag om een vergunning voor planologisch strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet en dat de omgevingsvergunning voor de aanlegactiviteit toch kan worden verleend als ook de omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik kan worden verleend. Deze bedoeling komt echter onvoldoende uit de bewoordingen van het artikellid naar voren. De thans voorgestelde redactie van artikel 2.11, tweede lid, van de Wabo sluit aan bij de redactie van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo, dat een soortgelijke bepaling bevat met betrekking tot de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo en waarin de bedoeling van het artikellid duidelijker is verwoord. Hiermee wordt buiten twijfel gesteld dat er tussen de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, van de Wabo geen verschil in betekenis zit.

Onderdeel D

Dit onderdeel strekt ertoe in artikel 2.20, eerste lid, van de Wabo te verduidelijken dat de zinsnede «met betrekking tot een inrichting» uitsluitend terugslaat op de verwijzing naar de activiteit, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, en niet ook op de activiteit, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Dit blijkt onvoldoende uit de huidige redactie van het artikellid.

Onderdeel E

Voorgesteld wordt om aan artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo een volzin toe te voegen, die een uitdrukkelijke grondslag biedt om bij algemene maatregel van bestuur te kunnen bepalen dat het bestuursorgaan dat daarbij is aangewezen om een verklaring van geen bedenkingen (hierna: vvgb) te geven, bevoegd is om categorieën gevallen aan te wijzen waarin de verklaring niet is vereist.

Een voorbeeld van een dergelijke bepaling is artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), waarin is bepaald dat de gemeenteraad categorieën gevallen kan aanwijzen waarin een verklaring als bedoeld in het eerste lid van dat artikel niet is vereist. In laatstgenoemd artikellid is bepaald dat de gemeenteraad een vvgb dient te geven alvorens bij een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Ook kan worden gewezen op artikel 6.7, vierde lid, van het Bor. Hierin is bepaald dat gedeputeerde staten categorieën gevallen kunnen aanwijzen waarin de vvgb, die zij op grond van het eerste lid van dat artikel dienen te geven alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend voor voormalige provinciale milieu-inrichtingen, niet is vereist.

De voorgestelde wijziging stelt buiten twijfel dat bepalingen als de artikelen 6.5, derde lid, en 6.7, vierde lid, van het Bor op grond van artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo tot de mogelijkheid behoren.

In de inwerkingtredingsbepaling van het wetsvoorstel (artikel XX) is aan het onderhavige artikelonderdeel terugwerkende kracht toegekend. Het betreft hier de datum van 1 oktober 2010, het tijdstip waarop de Wabo in werking is getreden. Hiermee is de grondslag gewaarborgd van aanwijzingen die op grond van artikel 6.5, derde lid, of 6.7, vierde lid, van het Bor tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van het onderhavige artikelonderdeel hebben plaatsgevonden.

Onderdeel F

Op grond van artikel 5.2, vierde lid, eerste volzin, van de Wabo heeft – naast het vergunningverlenend bevoegd gezag – in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van gevallen tevens het bestuursorgaan dat bevoegd is een vvgb te geven als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo, tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving. Met deze regeling is beoogd het bestuursorgaan dat bevoegd is een vvgb te geven (hierna: vvgb-orgaan) mede handhavingsbevoegd te maken in die gevallen waarin de handhaving betrekking heeft op de activiteit van het project waarvoor de vvgb is vereist. Voor die gevallen waarin er voor de desbetreffende activiteit een omgevingsvergunning met voorschriften is verleend, is dit in artikel 5.2, vierde lid, tweede volzin, van de Wabo nader gespecificeerd met de bepaling dat de handhavingstaak van het vvgb-orgaan beperkt blijft tot de voorschriften die betrekking hebben op de activiteiten van het project waarvoor de vvgb is vereist. Hierin zou, onbedoeld, kunnen worden gelezen dat het vvgb-orgaan alleen mede handhavingsbevoegd is daar waar sprake is van handelen in strijd met de voorschriften verbonden aan de omgevingsvergunning voor de activiteit waarvoor de vvgb is vereist en dat in andere handhavingssituaties die zich met betrekking tot die activiteit kunnen voordoen, zoals bijvoorbeeld het handelen zonder vergunning voor die activiteit, het vvgb-orgaan terzake geen bevoegdheid heeft. De voorgestelde wijziging beoogt te verduidelijken dat het vvgb-orgaan in alle gevallen waarin de handhaving betrekking heeft op de activiteit van het project waarvoor de vvgb is vereist mede handhavingsbevoegd is.

ARTIKELEN V EN X

De Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij

In de Wet ammoniak en veehouderij zijn algemene regels met betrekking tot de beoordeling van de ammoniakemissie vanuit dierenverblijven opgenomen die het bevoegd gezag moet hanteren bij het verlenen van een omgevingsvergunning aan veehouderijen. Evenzo bevat de Wet geurhinder en veehouderij algemene regels met betrekking tot de beoordeling van de geurhinder vanuit dierenverblijven die het bevoegd gezag moet hanteren bij het verlenen van een omgevingsvergunning aan veehouderijen. In artikel 3, derde lid, eerste volzin, van de Wet ammoniak en veehouderij, onderscheidenlijk artikel 2, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij is een uitzondering geformuleerd op de toepassing van de hiervoor bedoelde algemene regels. Als gevolg van de Invoeringswet Wabo is deze uitzondering thans te ruim geformuleerd.

Die regels gelden ingevolge die volzin, onderscheidenlijk dat lid, niet voor het stellen van voorschriften met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.22 van de Wabo of artikel 1.3c of 8.40 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en het weigeren van de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.14 van de Wabo.

Gelijk aan de situatie van vóór de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wabo, had de uitzondering op de toepassing van die regels uitsluitend betrekking moeten hebben op een weigering van de vergunning op de grond dat niet kan worden aan de voor de betrokken veehouderij in aanmerking komende beste beschikbare technieken, alsmede op het stellen van voorschriften om te bereiken dat die technieken worden toegepast. De eerste volzin van artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij en het tweede lid van artikel 2 van de Wet geurhinder en veehouderij worden hiermee in overeenstemming gebracht.

ARTIKEL VI

De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) is met de Invoeringswet Wabo technisch aangepast aan de Wabo. Het Bibob-regime geldt voor het verkrijgen van omgevingsvergunningen voor activiteiten waarop dat regime voorheen ook van toepassing was, kort gezegd bouwactiviteiten en activiteiten met betrekking tot vergunningplichtige milieu-inrichtingen.

Bij de aanwijzing van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, in artikel 2.2a van het Bor, waarvoor met ingang van 1 januari 2011 een omgevingsvergunning beperkte milieutoets is vereist, is er, zoals onlangs is gebleken, ten onrechte vanuit gegaan dat de omgevingsvergunning voor die activiteiten reeds met de Invoeringswet Wabo was opgenomen in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onderdeel 6°, van de Wet Bibob. Voordat deze activiteiten werden aangewezen op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo waren het activiteiten met betrekking totvergunningplichtige milieu-inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. De onderhavige reparatie dient ertoe om alsnog te voorzien in de aanwijzing van een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo in het genoemde onderdeel van de Wet Bibob.

ARTIKEL VII

De Wet bodembescherming

Onderdeel A

Dit onderdeel strekt tot het herstel van een foutieve verwijzing.

Onderdelen B, C en D

Deze onderdelen vloeien voort uit het Landelijke Afvalbeheerplan (LAP). In het LAP is vastgesteld dat de immobilisatie van ernstig verontreinigde grond gelijkwaardig is aan de reeds wettelijk vastgelegde techniek van reiniging van ernstig verontreinigde grond. Het besluit van de toenmalige Minister van VROM tot deze wijziging en tevens verlenging van het LAP, is op 4 april 2007 in de Staatscourant gepubliceerd (Stcrt. 2007, 67). Tevens is de wijziging van het LAP conform artikel 10.9 Wm overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal.

De uitbreiding van mogelijke technieken voor verwerking van ernstig verontreinigde grond is het gevolg van een studie uit 2004 naar de milieu-effecten van reiniging en immobilisatie van verontreinigde grond. Immobilisatie houdt in het vastleggen van verontreinigde onderdelen van grond. De conclusie van deze studie is dat beide technieken gelijkwaardig zijn. Op basis van de nieuwe technieken kunnen marktpartijen kiezen voor immobilisatie van verontreinigde grond als alternatief voor reinigen of storten van verontreinigde grond. Na immobilisatie kan deze grond hergebruikt worden als bouwstof en hoeft de grond niet meer gestort te worden. Na wijziging van de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006 hierop, zal ook voor ernstig verontreinigde immobiliseerbare grond een stortverbod gelden op basis van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. Door onderhavige wijziging van de Wet bodembescherming wordt conform het LAP de techniek van immobilisatie telkens aan reiniging toegevoegd . Dit is het geval in de artikelen 27, tweede lid, 28, tweede lid en 28a.

ARTIKEL VIII

De Wet explosieven voor civiel gebruik

Deze wijziging strekt ter implementatie van richtlijn nr. 93/15/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PbEG L 121). Die richtlijn biedt de lidstaten de mogelijkheid om instellingen (notified bodies) aan te wijzen voor het verrichten van onderzoek, controle en beoordelingen in het kader van de in de richtlijn opgenomen conformiteitsbeoordelingsprocedure. In artikel 5, eerste lid, van de hiervoor genoemde wet is thans voor de Minister van Infrastructuur en Milieu een verplichting opgenomen om een of meer van dergelijke instellingen aan te wijzen. Dit artikel voorziet in een omzetting van deze verplichting in een bevoegdheid tot aanwijzing van dergelijke instellingen. Hiermee wordt de betrokken bepaling in overeenstemming gebracht met de hiervoor genoemde richtlijn.

ARTIKEL IX

De Wet geluidhinder

Onderdeel A

De Wet geluidhinder kende tot 2007 het systeem dat het bevoegd gezag bij het verlenen van hogere waarden de betreffende situatie moest toetsen aan bij AMvB te geven criteria. Bij de wetswijziging die in dat jaar werd ingevoerd is besloten dit systeem wat flexibeler te maken. De regering kan sindsdien kiezen om al dan niet bij AMvB criteria te stellen. De op verschillende plaatsen in de wet voorkomende bepalingen omtrent hogere-waardenverlening waren daarop aangepast. Abusievelijk is dat op één plaats niet gebeurd, namelijk in artikel 55, vierde lid. Daar staat nog de oude formulering. Dit wetsvoorstel corrigeert deze onvolkomenheid.

Onderdeel B

Bij een eerdere wetswijziging die het begrip «aanpassing van een spoorweg» op identieke wijze wijzigde voor de toepassing van het merendeel van de Wet geluidhinder (in artikel 1b, vierde lid) is per abuis het equivalent in artikel 87b, derde lid, voor toepassing in tracéwetsituaties niet aangepast. Die omissie wordt met dit onderdeel hersteld.

Onderdeel b van artikel 87b, derde lid, van de Wet geluidhinder vervalt omdat de huidige tekst daarvan opgaat in de nieuwe tekst van onderdeel a van het artikel.

Onderdeel C

In het eerste lid van artikel 89 wordt abusievelijk verwezen naar het niet bestaande artikel 111, derde lid. De wijziging herstelt dit door verwijzing naar het beoogde tweede lid van artikel 111.

In het tweede lid van artikel 89 wordt nog verwezen naar artikel 88 Wet geluidhinder, dat inmiddels is vervallen. Na wijziging wordt in het tweede lid, overeenkomstig het eerste lid, verwezen naar artikel 88 zoals het gold voor 1 januari 2007. Dit was de einddatum waarvoor melding op basis van het oude artikel moest plaatsvinden. Per die datum is het artikel uitgewerkt en is ook de melding niet meer aan de orde. Het «tijdstip van melding van die gevallen,» in het tweede lid dient derhalve ook te vervallen.

ARTIKEL XI

De Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden

Deze voorgestelde wijziging strekt tot herstel van een misslag. Ter implementatie van Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 (PbEU L 64) is in artikel 10c, eerste lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (hierna: Whvbz) op de voorbereiding van een aanwijzingsbesluit van een locatie als bedoeld in artikel 10b, tweede lid, van die wet afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing verklaard. Deze afdeling biedt een uitgebreide procedure waarbij zienswijzen kunnen worden ingediend. Nadat het besluit is vastgesteld kan op grond van artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb rechtstreeks beroep bij de rechter worden ingesteld. Bij de implementatie is abusievelijk ook de mogelijkheid in de wet opgenomen voor de rechthebbende van een locatie om administratief beroep in te stellen bij de Minister van IenM tegen een aanwijzingsbesluit. Gevolg is dat een rechthebbende die zich niet kan verenigen met een dergelijk besluit administratief beroep bij de Minister van IenM moet instellen, terwijl ingezetenen en overige belanghebbenden rechtstreeks beroep moeten instellen bij de rechter. Voor de implementatie van de richtlijn is de mogelijkheid van administratief beroep niet vereist. Daarnaast past deze systematiek niet goed in het stelsel van de Awb. De in artikel 6:8, tweede lid, van deze wet opgenomen afstemmingsregeling regelt namelijk wel de samenloop tussen administratief beroep voor een bepaalde belanghebbende en bezwaar voor de overige belanghebbenden, maar niet de hier bedoelde samenloop van administratief beroep met rechtstreeks beroep.

Gelet op het voorgaande wordt voorgesteld om de mogelijkheid voor de rechthebbende om administratief beroep in te stellen te schrappen. Na deze wijziging kan de rechthebbende op grond van de Whvbz en de Awb wel gebruik maken van de mogelijkheid zienswijzen in te dienen en beroep in te stellen bij de rechter tegen een aanwijzingsbesluit, zoals hierboven reeds beschreven. Er geldt dan zowel voor de rechthebbenden als de ingezetenen en overige belanghebbende dezelfde procedure voor de rechtsbescherming. Zo zich voor inwerkingtreding van deze reparatie bedoelde samenloop voordoet, ligt het overigens in de rede dat de behandeling van het beroep van de ingezetene of overige belanghebbende wordt aangehouden totdat in administratief beroep is beslist op het beroep van de rechthebbende.

ARTIKEL XII

De Wet milieubeheer

Onderdeel A

In de huidige tekst zou de zinsnede «die nodig zijn ter bescherming van het milieu en waarvan de inhoud in die verordening is aangegeven» kunnen worden gelezen als een uitbreidende bijvoeglijke bijzin. Het is echter de bedoeling dat de voorschriften voor inrichtingen die de provinciale milieuverordening verplicht stelt, voldoen aan de in die zinsnede gestelde vereisten. Zij moeten nodig zijn ter bescherming van het milieu en de inhoud ervan moet in de verordening zijn aangegeven. Voorgesteld wordt daarom de komma te schrappen, die tot een verkeerde uitleg van deze bepaling zou kunnen leiden.

Onderdeel B

In artikel 5.16, tweede lid, van de Wm worden de artikelen genoemd waarvan de uitoefening van de daarin opgenomen bevoegdheid of toepassing van een daarin opgenomen wettelijk voorschrift gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. De bevoegdheid tot het beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, kan één van deze bevoegdheden zijn. Een verwijzing naar dit onderdeel was abusievelijk niet opgenomen in artikel 5.16, tweede lid, van de Wm. Dat wordt met dit voorstel hersteld.

Met deze toevoeging wordt het gebruik van het toetsingskader van artikel 5.16, eerste lid, verplicht voor het uitoefenen van de bevoegdheid tot het beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op het verrichten van een activiteit die op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen. Het gebruik van dit toetsingskader is echter niet voor alle activiteiten die op grond van dit onderdeel zijn aangewezen verplicht. Uit artikel 5.16, tweede lid, onderdeel g (nieuw), blijkt dat het gebruik van dit toetsingskader alleen verplicht is voor activiteiten die plaatsvinden binnen een inrichting en voor zover bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat het toetsingskader van artikel 5.16 dient te worden gebruikt.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo kunnen namelijk bij algemene maatregel van bestuur ook activiteiten die plaatsvinden binnen inrichtingen worden aangewezen waarvoor een beoordeling van de gevolgen voor luchtkwaliteit niet relevant is. Om deze reden is de zinsnede «voor zover dat bij die maatregel is bepaald» opgenomen. Deze zinsnede betekent dat in de algemene maatregel van bestuur waar de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo worden aangewezen, tevens dient te worden bepaald of het toetsingskader van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm, dient te worden toegepast bij het uitoefenen van de bevoegdheid om te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning.

Bij deze wijziging is uitgegaan van de inwerkingtreding van artikel VI van wetsvoorstel nr. 32 588 (wijziging van de Crisis-en herstelwet en enkele andere wetten (verbeteringen en aanvullingen), waarin onderdeel f dat begint met «Artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht» wordt verletterd tot onderdeel g.

Onderdeel C en D

In artikel 7.1, dat gaat over de begripsomschrijvingen en het toepassingsgebied van hoofdstuk 7 van de Wm, wordt in de meeste leden gesproken van «dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen». In artikel 7.1, tweede lid, en in het later ingevoegde artikel 7.1a is dat abusievelijk beperkt tot alleen «dit hoofdstuk». Het voorstel strekt er toe dit recht te trekken.

Onderdeel E

De wijziging onder 1 beoogt artikel 9.2.2.3, eerste lid, te verduidelijken. Indien ingevolge artikel 9.2.2.1 bij algemene maatregel van bestuur een verbod wordt ingesteld om zonder vergunning een bepaalde handeling te verrichten, dient ook het ter zake bevoegde gezag te worden aangewezen. Strikt genomen laat artikel 9.2.2.1 regeling daarvan wel toe, maar het ligt veel meer voor de hand om dat expliciet voor te schrijven in dit artikellid, dat aan een dergelijk verbod immers nadere uitwerking geeft.

De onder 2 en 3 voorgestelde wijzigingen strekken ertoe aan de weigerings- en intrekkingsgronden van de vergunning toe te voegen: de noodzakelijke uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie. In o.a. artikel 9.2.3.5, eerste lid, onder a, van de Wm is al een vergelijkbare bepaling opgenomen. Weliswaar is in genoemd artikel mede opgenomen dat het moet gaan om bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels, maar dat laat onverlet dat een aanpassing aan hoger internationaal recht in bepaalde gevallen hoe dan ook zal moeten plaatsvinden. Daarom is op deze plaats gekozen voor een directe formulering, zodat de gronden voor weigering of intrekking van de vergunning compleet zijn. Voor zover het hogere internationale recht tot wijziging van de vergunning noopt, biedt het zesde lid al de mogelijkheid om dat bij algemene maatregel van bestuur mogelijk te maken.

De onder 4 voorgestelde wijziging voegt in het zesde lid de gebruikelijke formule «in het belang van de bescherming van de gezondheid van mens en van het milieu» in. Daarmee loopt dit lid meer in de pas met vergelijkbare artikelen in deze paragraaf; zie bijvoorbeeld de artikelen 9.2.2.1, eerste lid, en 9.2.2.3, tweede, vierde en vijfde lid.

De wijziging onder 5 betreft het zevende lid van artikel 9.2.2.3. Het huidige zevende lid sluit bij de voorbereiding van een intrekking of een wijziging afdeling 3.4 van de Awb en afdeling 13.2 Wm uit. Een vérstrekkende wijziging kan echter ten minste evenveel impact hebben als een nieuwe vergunning. In dat geval kan het bevoegd gezag echter besluiten tot het afgeven van een nieuwe vergunning, zodat afdeling 3.4 van de Awb en afdeling 13.2 daarop wel van toepassing zijn. Sommige Europese richtlijnen, zoals richtlijn nr. 2009/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PbEU L 125), laten het buiten toepassing laten van deze afdelingen niet toe. Daarom wordt voorgesteld het zevende lid zodanig aan te vullen dat ook als niet voor een nieuwe vergunning wordt gekozen de procedures van die afdelingen wel gelden.

Onderdeel F

De huidige formulering van artikel 13.1, eerste lid, van de Wm geeft onvoldoende duidelijk aan dat ook bij de voorbereiding van beschikkingen krachtens de Wm zelf afdeling 13.2 van de Wm van toepassing is. Voorgesteld wordt om die toepasselijkheid in de tekst te verduidelijken.

Onderdeel G

In artikel 21.6, zesde lid, tweede volzin, van de Wm wordt de taalkundig onjuiste woordcombinatie «korte inhoud» gebruikt. Voorgesteld wordt overeenkomstig de bedoeling (en de praktijk) de constructie waarvan deze woordcombinatie deel uitmaakt te vervangen door het bedoelde «onder korte vermelding van de inhoud».

Onderdeel H

Met de Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2010) (Stb. 2009, 609) zijn de artikelen 8.52 en 8.53 aan de Wet milieubeheer toegevoegd. Daarbij zijn de betreffende artikelen abusievelijk onder het opschrift «Titel 8.4. Regels met betrekking tot plaatsing van stortplaatsen op een lijst» geplaatst. Dit opschrift sluit echter niet aan bij de voorgaande opschriften. Het opschrift dient te luiden «Paragraaf 8.3.».

ARTIKEL XIII

De Wet op de economische delicten

Deze wijziging betreft herstel van een foutieve volgorde van de artikelnummers met betrekking tot de Wet milieubeheer.

ARTIKEL XIV

De Wet ruimtelijke ordening

Onderdeel A

Dit onderdeel betreft het herstel van onjuiste verwijzingen in artikel 6.1, tweede lid, onder f, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) naar een tweetal artikelleden van de Wabo.

Onderdeel B

Als gevolg van de komst van de Wabo heeft artikel 3.10 van de Wro niet langer betrekking op het projectbesluit, dat geïntegreerd is in de omgevingsvergunning, maar op een ander onderwerp. De verwijzing naar artikel 3.10, derde lid, van de Wro in artikel 6.13, tweede lid, onder d, van die wet dient daarom te vervallen. In plaats daarvan is een verwijzing toegevoegd naar artikel 2.22, zesde lid, van de Wabo, waarin de grondslag is opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur categorieën van gevallen aan te wijzen waarin regels kunnen worden gesteld omtrent, onder meer, de uitvoerbaarheid van een omgevingsvergunning. Ten aanzien van de omgevingsvergunning die voor het projectbesluit in de plaats is gekomen – de omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo – is hieraan uitvoering gegeven in artikel 5.20 van het Bor. Een verwijzing naar artikel 2.22, zesde lid, van de Wabo kan daarom niet worden gemist.

Onderdeel C

Bij de invoering van de vierde tranche van de Awb, die onder andere bestuursrechtelijke geldschulden regelt, is verzuimd artikel 6.21, tweede lid, van de Wro aan te passen. De vierde tranche heeft tot gevolg, voor zover hier van belang, dat op de betaling en invordering van geldschulden die voortvloeien uit een wettelijk voorschrift, de regeling in titel 4.4 van de Awb van toepassing is. Een voorbeeld van een zodanige geldschuld is de exploitatiebijdrage, bedoeld in artikel 6.17 van de Wro. Dit brengt met zich dat artikel 6.21, tweede lid, kan vervallen, met uitzondering van de bepaling dat burgemeester en wethouders bij dwangbevel het verschuldigde bedrag kunnen invorderen. Dit laatste houdt verband met het feit dat op grond van artikel 4:115 van de Awb de bevoegdheid tot uitvaardiging van een dwangbevel op een wet in formele zin dient te zijn gebaseerd.

Onderdeel D

In artikel 6.12, vierde lid, van de Wro is als gevolg van de komst van de Wabo niet langer voorzien in zowel een gelijktijdige vaststelling als een gelijktijdige bekendmaking van een ruimtelijk besluit en het bijbehorende exploitatieplan, maar uitsluitend nog in een gelijktijdige bekendmaking. Artikel 8.2, eerste lid, onder h, van de Wro was daarop nog niet aangepast. Onderdeel D, onder 1, voorziet daarin.

Onderdeel D, onder 2, doet in artikel 8.2, vijfde lid, het woord «de» in de zinsnede «de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden» vervallen. Deze wijziging is wenselijk om te verduidelijken dat een ieder die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot grond in het exploitatiegebied, dan wel daarvan eigenaar is, als belanghebbende moet worden aangemerkt en niet alleen degene die een zodanige overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot alle in het exploitatieplan opgenomen gronden of van al die gronden eigenaar is.

ARTIKEL XV

De Wet voorkeursrecht gemeenten

Onderdeel A

Dit onderdeel strekt tot het verwijderen van een verwijzing naar inmiddels vervallen artikelen in de artikelen 2 en 6, tweede lid.

Onderdeel B

Dit onderdeel betreft een wijziging in artikel 8. Door een rechterlijke vernietiging van een bestemmingsplan of inpassingsplan vervalt de planologische grondslag voor het bijbehorende voorkeursrecht en wordt niet langer voldaan aan de eisen gesteld in artikel 3. In zo’n geval moet het voorkeursrecht op grond van artikel 8, eerste lid, door burgemeester en wethouders worden ingetrokken, hoewel het vernietigde (deel van het) bestemmingsplan of inpassingsplan vaak wel gerepareerd kan worden. Om die reden is het wenselijk dat het voorkeursrecht nog een jaar doorloopt en als binnen die termijn een nieuw bestemmingsplan of inpassingsplan wordt vastgesteld, kan het voorkeursrecht gekoppeld aan dat plan van kracht blijven. In het huidige artikel 9c is dat niet adequaat geregeld, omdat onder deze bepaling nog de verplichting bestaat het voorkeursrecht direct in te trekken na vernietiging van het bestemmingsplan.

Dat heeft geleid tot een andere oplossing, die te vinden is in de onderdelen B, C en F. In onderdeel B is aangesloten bij artikel 8, dat aangeeft hoe gehandeld moet worden wanneer de grondslag aan een voorkeursrecht ontvalt. Het nieuwe derde lid van artikel 8 voorziet in een verlenging van het voorkeursrecht met een jaar na vernietiging van (een deel van) het bestemmingsplan of inpassingsplan.

Onderdeel C

Onderdeel 1 betreft het herstel van tekstuele misstellingen in artikel 9, tweede lid.

Het derde onderdeel regelt de gevolgen van het vervallen van rechtswege ingeval een bestemmingsplan of inpassingsplan vernietigd is. Het voorgestelde vierde lid van artikel 9 betekent dat binnen een jaar na vernietiging een «gerepareerd» bestemmingsplan of inpassingsplan moet zijn vastgesteld. Anders vervalt het voorkeursrecht na verloop van dat jaar van rechtswege.

Onderdeel D

Door het niet in werking treden van een eerdere wijziging van artikel 9a, kloppen de verwijzingen in artikel 9a niet meer. Die fout wordt nu rechtgezet. Tevens wordt een verwijzing naar vervallen artikelen geschrapt.

Onderdeel E

Dit betreft het verwijderen in artikel 9b van een verwijzing naar inmiddels vervallen artikelen.

Onderdeel F

In artikel 9c kan de zinsnede die betrekking heeft op de situatie na vernietiging van een bestemmingsplan of inpassingsplan vervallen, omdat deze situatie in artikel 9, derde lid (nieuw), wordt geregeld. Zie de toelichting bij het derde deel van onderdeel C van het onderhavige artikel.

Onderdeel G

De vrijstelling van artikel 10, tweede lid, onder f is van toepassing indien de vervreemding geschiedt aan de pachter aan wie als zodanig een wettelijk voorkeursrecht toekomt. Dit voorkeursrecht komt alleen toe aan een pachter die beschikt over een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst, aangegaan voor de in artikel 7:378, eerste lid BW bedoelde duur. Bovendien geldt deze vrijstelling slechts bij een vervroegde aanwijzing (artikel 5) of een voorlopige aanwijzing (artikel 6) dan wel een zodanige aanwijzing door een provincie of het Rijk (artikel 9a, eerste en tweede lid, in samenhang met artikel 5 of 6).

De vrijstelling geldt alleen indien de pachtovereenkomst, waaraan het voorkeursrecht van de pachter volgens de wet is verbonden, is aangegaan vóór inwerkingtreding van het voorkeursrecht ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten. Aangezien laatstgenoemde voorwaarde uit de huidige wettekst niet blijkt wordt deze omissie hersteld.

Onderdeel H

Dit betreft het verwijderen van een verwijzing naar inmiddels vervallen artikelen.

ARTIKELEN XVI en XVII

Artikel I, onderdeel A, onder 2, onder b (artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onderdeel 6°), van het wetsvoorstel Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob bevat dezelfde bepaling als artikel VI van dit wetsvoorstel. Het is van belang dat de omissie zoals toegelicht bij artikel VI zo snel mogelijk wordt hersteld. Met het wetsvoorstel dat als eerste in werking treedt nadat het tot wet is verheven, kan voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen en voor zover dat bij die maatregel is bepaald de omgevingsvergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

De artikelen XVI en XVII voorzien hierin.

ARTIKELEN XVIII en XIX

Deze artikelen voorzien in de afstemming tussen de wijziging van artikel 9.2.2.3 van de Wm zoals dat is opgenomen in artikel XII, onderdeel E, van het onderhavige wetsvoorstel en in artikel IV van het wetsvoorstel Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob. Artikel XVIII voorziet in de situatie dat laatstgenoemd wetsvoorstel eerder in werking treedt dan artikel XII, onderdeel E, van het onderhavige wetsvoorstel en artikel XIX voorziet in de situatie dat artikel IV van het wetsvoorstel Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob in werking treedt op hetzelfde moment als artikel XII, onderdeel E, of op een later moment dan dat onderdeel.

ARTIKEL XX

Dit wetsvoorstel treedt op grond van het eerste lid van deze inwerkingtredingbepaling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten die als uitgangspunt gelden. Gekozen is voor spoedige inwerkingtreding, omdat deze regeling enkel ziet op reparaties van wetstechnische onjuistheden, verduidelijkingen en andere wijzigingen van inhoudelijk ondergeschikte aard.

Voor de toelichting op het tweede lid van deze inwerkingtredingbepaling wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen I, onderdeel A, en IV, onderdeel E, van dit wetsvoorstel.

De minister van Infrastructuur en Milieu,

M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Naar boven