32 841 Wijziging van de Wet veiligheidsregio’s in verband met de oprichting van het Instituut Fysieke Veiligheid en in verband met de volledige regionalisering van de brandweer

Nr. 8 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 21 november 2011

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Graag zeg ik de leden van de zes fracties die inbreng hebben geleverd voor het verslag, daarvoor dank. Ik lees daarin op onderdelen steun voor het wetsvoorstel, maar ook aarzelingen. Dit heeft geleid tot veel vragen, die ik hieronder graag beantwoord, met de bedoeling de twijfels weg te nemen en steun voor het voorstel te verwerven.

Met het oog op de samenhang is bij de beantwoording van enkele vragen afgeweken van de volgorde in het verslag. Het meest zichtbaar is dat bij de vragen en antwoorden over het brandweeronderwijs: deze zijn opgenomen in een nieuw hoofdstuk (2a).

2. Het Instituut Fysieke Veiligheid

2.2. Rechtsvorm

De leden van de VVD-fractie vragen, wetende dat het primaat bij het verlengd lokaal bestuur komt te liggen, in te gaan op de precieze verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie in dezen, en om aan te geven waarop de minister aanspreekbaar is.

De leden van de CDA-fractie constateren dat het IFV een zelfstandig bestuursorgaan op het niveau van de veiligheidsregio wordt, en niet een gemeenschappelijke regeling of een zelfstandig bestuursorgaan conform de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. Het is deze leden niet duidelijk in welk juridisch kader een zelfstandig bestuurorgaan zoals hier voorgesteld, past. Deze leden vragen om een nadere juridische onderbouwing van dit construct en tevens een nadere omschrijving van het kader waarbinnen dit construct in het totaal van bestuurlijke mogelijkheden past. Wie stelt dit bestuursorgaan in? Wie kan het opheffen? Wie controleert het? Wie heeft de bevoegdheid in te grijpen? Wie kan sancties opleggen? Welke bevoegdheden, taken, verantwoordingsverplichtingen, etc. heeft dit bestuursorgaan? Zijn er vergelijkbare voorbeelden? Deze leden zien graag een schematisch overzicht van overeenkomsten en verschillen tussen een ZBO op het niveau van de veiligheidsregio en een ZBO conform de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, opdat deze leden tot een goede afweging van de meest gewenste bestuursvorm kunnen komen.

De leden van de SP-fractie vragen of het gekozen uitgangspunt om het Instituut dichter bij de veiligheidsregio’s te plaatsen en dus meer op afstand van de minister, een verstandige keuze is.

Ook vragen deze leden naar de grondslag onder de gekozen constructie: een ZBO, maar niet in de zin van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

Artikel 1 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Kaderwet ZBO’s) verstaat onder een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) een bestuursorgaan van de centrale overheid dat met openbaar gezag is bekleed, en dat niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister.

Het IFV wordt krachtens de wet met openbaar gezag bekleed (het vaststellen van examenuitslagen) en is niet hiërarchisch ondergeschikt aan de minister. Dit maakt het IFV een zelfstandig bestuursorgaan. Het IFV is echter geen bestuursorgaan van de centrale overheid. Daarmee voldoet het IFV niet aan de definitie van artikel 1 van de Kaderwet ZBO’s en is dus is die wet niet van toepassing. Samen met alle betrokken partners bij het IFV is geconstateerd dat de taken die het Nifv en het Nbbe op dit moment uitvoeren, naar hun aard en inhoud taken zijn die op het niveau van de regio’s thuishoren. Met de oprichting van het IFV wil ik deze taken zo veel mogelijk op dat niveau laten uitvoeren en de verantwoordelijkheid daarvoor zo veel mogelijk bij de afnemers van de producten en diensten leggen: de veiligheidsregio’s. Daarmee komt het primaat bij het verlengd lokaal bestuur te liggen. Het IFV heeft een specifieke rechtsvorm omdat wordt aangesloten bij het uitgangspunt van de Wet veiligheidsregio’s: het verlengd lokaal bestuur. Hiermee wordt een heldere, eenduidige verantwoordelijkheidsverdeling tussen de Minister van Veiligheid en Justitie en de regio’s gerealiseerd. Een voorbeeld hiervan is het feit dat het Nifv momenteel op basis van de wettelijke taak een klein deel van de materiaalbehoefte van de veiligheidsregio's levert, namelijk het rampbestrijdingsmateriaal. Het brandbestrijdingsmateriaal schaffen de veiligheidsregio's echter zelf aan. Omdat er geen scherp onderscheid is te maken tussen rampbestrijdingsmateriaal en brandbestrijdingsmateriaal, is het niet logisch dat de aanschaf van rampbestrijdingsmateriaal als een taak van de centrale overheid wordt gezien, terwijl de aanschaf van brandbestrijdingsmaterieel als een regionale taak wordt gezien.

Net als bij ZBO’s die onder de reikwijdte van de Kaderwet ZBO’s vallen, staat de Minister van Veiligheid en Justitie op afstand van de dagelijkse praktijk wat betreft de aansturing en uitvoering van taken en werkzaamheden van het IFV, dat immers werkt ten behoeve van de veiligheidsregio’s. Aangezien het IFV bij wet wordt opgericht, is de Minister van Veiligheid en Justitie verantwoordelijk voor de oprichting en opheffing van het IFV. Wat betreft de gemeenschappelijke werkzaamheden past dat verantwoording wordt afgelegd aan de regio’s, omdat die opdrachtgever en afnemer zijn. De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) houdt toezicht op de wettelijke taakuitvoering van het IFV en rapporteert hierover aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Indien tekortkomingen worden geconstateerd in de taakuitvoering, ligt de eerste verantwoordelijkheid om de geconstateerde gebreken op te heffen, bij het bestuur van het IFV. Het bestuur is in eerste instantie verantwoordelijk voor controle en het in gang zetten van verbeteringen. De IOOV maakt hierover procesafspraken. Wanneer het bestuur van het IFV deze afspraken niet of onvoldoende nakomt, rapporteert de IOOV dit aan de Minister van Veiligheid en Justitie.

Indien tekortkomingen worden geconstateerd worden door de IOOV, heeft de Minister van Veiligheid en Justitie de mogelijkheid om in te grijpen. Het bestuur van het IFV heeft de plicht de minister op zijn verzoek inlichtingen te verstrekken en de minister kan inzage vorderen in alle zakelijke gegevens en bescheiden (artikel 71; dit artikel is vergelijkbaar met artikel 20 van de Kaderwet ZBO’s). De Minister van Veiligheid en Justitie kan ingrijpen door de noodzakelijke voorzieningen treffen indien hij van mening is dat het bestuur van het IFV zijn taak ernstig verwaarloost (artikel 72; dit artikel is vergelijkbaar met artikel 23 van de Kaderwet ZBO’s). Toepassing van dit instrument is een ultimum remedium wanneer er geen zicht is op verbetering door het bestuur van het IFV zelf. Het parlement kan de Minister van Veiligheid en Justitie controleren bij de uitoefening van deze bevoegdheid en zo nodig ter verantwoording roepen.

De instrumenten die de minister ter beschikking zullen staan, zijn beperkter dan zijn huidige instrumentarium met betrekking tot het Nifv en het Nbbe. Dit past bij een organisatie die van en voor de veiligheidsregio’s is en dus meer op afstand staat van de minister. De toezicht- en sturingsinstrumenten uit de Kaderwet ZBO’s zijn niet integraal van toepassing; de artikelen 20 en 23 van die wet zijn materieel overgenomen in dit wetsvoorstel.

De grootste verschillen tussen een zelfstandig bestuursorgaan onder reikwijdte van de Kaderwet ZBO en het IFV zijn:

 

Kaderwet ZBO’s

IFV

Bestuur

Door minister benoemd, geschorst en ontslagen

Voorzitters van de veiligheidsregio’s (wet)

Beleidsregels

Minister kan beleidsregels vaststellen m.b.t. taakuitoefening en besluiten vernietigen

Minister kan geen beleidsregels vaststellen m.b.t. taakuitoefening en geen besluiten vernietigen

Tarieven examens

Minister stelt vast

Bestuur stelt vast

Verantwoording

Toelichting per begrotingspost

Lump sum bijdrage met verantwoording die vergelijkbaar is met de verantwoordingsmethode van regio’s

Toezicht

Kaderwet integraal van toepassing

Overeenkomstig de artikelen 20 en 23 van de Kaderwet. IOOV houdt toezicht

De leden van de CU-fractie constateren dat voor het IFV is gekozen voor een ZBO dat wordt aangestuurd door de voorzitters van de veiligheidsregio’s en dat hiermee de afstand tot een democratisch gekozen orgaan groter wordt. Zij zijn daarom nog niet overtuigd dat dit de juiste organisatievorm is. Zij vragen om een schematische analyse van de mogelijke organisatievormen en vragen op welke wijze er geleerd is van de ervaringen met vtsPN binnen de politie.

De huidige wettelijke taken van de bestaande ZBO’s (Nifv en Nbbe) worden samengevoegd en ondergebracht in het IFV, een organisatie van en voor de veiligheidsregio’s. Daarmee worden deze taken juist dichter bij het democratisch orgaan geplaatst dat deze producten en diensten van het IFV afneemt. Een voorbeeld hiervan zijn de brandweerexamens, die op basis van tarieven worden afgenomen door gemeenten en veiligheidsregio’s.

Er bestaan theoretisch drie andere mogelijke organisatievormen. Hier is op verzoek van alle betrokken partners bij het IFV uitdrukkelijk niet voor gekozen. Naast onderstaande argumenten hiervoor, voldoen deze opties niet aan de eisen en wensen zoals uiteengezet in het hiervoor gegeven antwoord op de vragen van de leden van de CDA-fractie en van de SP-fractie naar de constructie van het IFV.

De eerste optie betreft decentralisatie van alle taken naar de individuele veiligheidsregio’s. Deze optie wordt door niet wenselijk geacht, aangezien in die situatie de wettelijke taken van het Nifv en de Nbbe volledig worden belegd bij de individuele regio’s. Dit zal leiden tot kwaliteitverlies in het veld en enorme versnippering van financiële middelen en kennis. Tevens leidt dit tot verzwaring van taken voor de regio’s en onwerkbare situatie.

De tweede optie betreft een gemeenschappelijke regeling (in dit geval een gestapelde gemeenschappelijke regeling). Dit zal in de praktijk leiden tot een ingewikkelde planning- & controlcyclus met verschillende begrotingscycli, waardoor ver vooruit moet worden gepland en waardoor een daadkrachtige organisatie in de praktijk moeilijk gerealiseerd kan worden. Ook zou het niet realistisch zijn om te veronderstellen dat een dergelijke constructie binnen afzienbare tijd te realiseren is. Ditzelfde geldt voor een stichting.

De derde optie betreft een baten-lastendienst. Dit zou een tegengestelde beweging betekenen, omdat er dan sprake is van een centralisering van taken waarvoor de verantwoordelijkheid op gemeentelijk/regionaal niveau moet liggen. Tevens betekent dit een diffuse verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende bestuurslagen. Dit is geen wenselijk situatie en bovendien niet in lijn met het kabinetsbeleid om te komen tot een slagvaardiger, kleinere en betere rijksoverheid

Bij de vormgeving van het IFV is rekening gehouden met de ervaringen die zijn opgedaan met vtsPN:

  • De verantwoordelijkheidsverdeling binnen het IFV is helder vastgelegd. De 25 voorzitters veiligheidsregio vormen het bestuur, waarbij de managementraden verantwoordelijk zijn voor de vraagarticulatie en een adviesrol hebben richting het bestuur. Hiermee is de vraagarticulatie bestuurlijk afgedekt. In de memorie van toelichting is duidelijk benoemd dat het bestuur het belang van de managementraden moet erkennen en hen een duidelijke positie moet geven ten opzichte van het bestuur. In de stuurgroep die de instelling van het IFV voorbereidt, is door betrokken partijen besloten dat de voorzitters van de managementraden (Raad van Regionaal Commandanten, Raad directeuren GHOR en Gemeentelijk Beraad) als professioneel adviseur zullen deelnemen aan de vergaderingen van het bestuur van het IFV.

  • Het IFV kent bij de start een solide basis met de huidige wettelijke taken van het Nifv en Nbbe, die op dit moment naar tevredenheid worden ingevuld en die ook in de toekomst door het Ministerie van Veiligheid en Justitie bekostigd worden. Dit in tegenstelling tot de vtsPN, die een nieuwe taak kreeg, namelijk het verbeteren en uitbreiden van ICT-voorzieningen.

  • Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het IFV is al veel aandacht besteed aan de bedrijfsvoering. Voorts geldt dat het IFV in verhouding tot de vtsPN een relatief eenvoudige financieringsstructuur zal kennen.

De leden van de SGP-fractie merken op dat het IFV diverse wettelijke taken krijgt en dat er gekozen wordt voor verlengd lokaal bestuur. Deze leden vragen of dit betekent dat de Minister van Veiligheid en Justitie helemaal geen bevoegdheden heeft om bijvoorbeeld aanwijzingen te geven, behalve als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verwaarlozing van de taken. Zit er niet een te groot onderscheid tussen enerzijds het vragen van inlichtingen en anderzijds het optreden bij ernstige verwaarlozing?

Voorts vragen deze leden in hoeverre door de minister nu gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheden voor sturing en toezicht. Zij lezen dat de minister niet verantwoordelijk is voor de werkzaamheden die op commerciële basis worden verricht. Deze leden vragen of de verantwoordelijkheid van de minister zich wel uitstrekt tot de werkzaamheden die in opdracht van de veiligheidregio’s worden verricht.

Het bestuur van het IFV is verantwoordelijk voor alle taken en werkzaamheden van het IFV. Ten aanzien van de wettelijke taken van het IFV houdt de IOOV toezicht en heeft de Minister van Veiligheid en Justitie bevoegdheden om een aantal instrumenten in te zetten, waaronder het geven van een aanwijzing bij taakverwaarlozing. Toepassing van dit instrument is echter een ultimum remedium. Om die reden zal de Minister van Veiligheid en Justitie periodiek overleg met het bestuur van het IFV voeren over de wettelijke taken. Met betrekking tot de uitvoering van wettelijke taken kan de minister gebruik maken van zijn bevoegdheid inlichtingen te vragen aan het bestuur van het IFV. Ook beoordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie het deel van de begroting van het IFV dat betrekking heeft op de wettelijke taken. De minister kan de noodzakelijke voorzieningen treffen indien hij van mening is dat het bestuur van het IFV zijn taak ernstig verwaarloost. Het bestuur moet dan, spoedeisende gevallen uitgezonderd, wel eerst in de gelegenheid zijn gesteld om binnen een bepaalde termijn alsnog zijn taak naar behoren uit te oefenen.

Het is mijn ervaring dat de reguliere periodieke overleggen met het Nifv en Nbbe over de taakuitvoering van de wettelijke taken voldoen, en dat er geen reden is geweest de overige mogelijkheden van toezicht in te zetten. Deze periodieke overleggen over de voortgang van de wettelijke taken zullen gecontinueerd worden.

2.3. Het bestuur van het Instituut

De leden van de CDA-fractie vragen, wetende dat er ook een dagelijks bestuur wordt ingesteld, of het bestuur dat bestaat uit de voorzitters van de 25 veiligheidsregio’s, niet te groot wordt. Doet die omvang geen afbreuk aan de slagkracht en de bestuurskracht van het bestuur? Heeft de ervaring met de politieregio’s geen leermomenten op dit punt opgeleverd, zo vragen deze leden.

Het is van belang dat alle 25 veiligheidsregio’s via hun voorzitter in het algemeen bestuur van het IFV betrokken zijn. Juist omdat er sprake is van verlengd lokaal bestuur, worden geen regio’s uitgesloten. Om die reden is een vergelijking met de politieregio’s op dit punt niet aan de orde, aangezien het bij de politieregio’s gaat om functioneel bestuur en bij de veiligheidsregio’s om verlengd lokaal bestuur. Uiteraard zal het algemeen bestuur ervoor kiezen bepaalde werkzaamheden (met name going-concern zaken) over te laten aan het dagelijks bestuur. Bij de evaluatie van het IFV zal de aansturing door het algemeen bestuur en dagelijks bestuur van het IFV een belangrijke plek krijgen.

De leden van de SP-fractie merken op er bij de constructie van het IFV sprake lijkt te zijn van verlengd lokaal bestuur, en dat roept grote vraagtekens op wat betreft de democratische inbedding en het toezicht op de uitvoering van de werkzaamheden. De 25 veiligheidsregio’s bepalen het ambitieniveau van het Instituut, en spreken af welke werkzaamheden het Instituut voor de veiligheidsregio’s gezamenlijk uitvoert. In het Instituut heeft elke veiligheidsregio dus één stem, maar de veiligheidsregio’s zelf hebben geen eigen mandaat, omdat de deelnemers niet via rechtstreekse verkiezingen worden gekozen. Om de koers van het Instituut te bepalen, moeten gemeenten binnen dezelfde veiligheidsregio het eerst met elkaar eens worden, waarna de veiligheidsregio binnen het Instituut tot overeenstemming moet komen met de andere veiligheidsregio’s. Deze leden voorzien hierin grote problemen vanwege de noodzaak van een bureaucratische overleg- en besluitstructuur. Gemeenten hebben dus zelf geen invloed meer op de werkzaamheden van dit Instituut. Daarnaast klinkt het de leden van de SP-fractie vreemd in de oren, dat veiligheidsregio’s over bepaalde besluiten van het bestuur van het Instituut hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Omdat het bestuur van het Instituut gevormd wordt door de voorzitters van de veiligheidsregio’s, moeten deze dan dus een zienswijze naar voren brengen vanuit de veiligheidsregio over een besluit waar zij zelf bij betrokken zijn geweest. Dat klinkt niet als een doordachte constructie waar geprobeerd is democratische uitgangspunten toe te passen. De slager keurt zijn eigen vlees. Ook hebben de voorzitters van de veiligheidsregio’s zitting in het Veiligheidsberaad. Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.

Omdat het IFV van en voor de veiligheidsregio’s is, bepalen zij het ambitieniveau ten aanzien van de werkzaamheden die zij gemeenschappelijk bij het IFV kunnen beleggen. Gemeenten kunnen, evenals bij andere onderwerpen die aan de orde zijn binnen een veiligheidsregio, hun invloed uitoefenen en inbreng leveren binnen het bestuur van de veiligheidsregio, dat gevormd wordt door de burgemeester van alle deelnemende gemeenten. Dit geldt dus ook ten aanzien van het onderwerp gemeenschappelijke werkzaamheden die het IFV kan uitvoeren. In het bestuur van een veiligheidsregio zal vervolgens hierover een standpunt worden bepaald en dit standpunt zal door de voorzitter van de betreffende veiligheidsregio worden ingebracht in het bestuur van het IFV. De aansturing van het IFV volgt daarmee de principes van verlengd lokaal bestuur en de daarbij behorende democratische legitimatie. Over de gemeenschappelijke werkzaamheden die de veiligheidsregio’s door het IFV kunnen laten uitvoeren, zal verantwoording worden afgelegd aan de regio’s, die immers opdrachtgever en afnemer zijn.

Terecht stellen deze leden dat veiligheidsregio’s over bepaalde besluiten van het bestuur van het IFV hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Het gaat hierbij niet om het naar voren kunnen brengen van een zienswijze over genomen besluiten, maar het aan de voorkant kunnen inbrengen van een zienswijze ten aanzien van de ontwerp-begroting, het ontwerp-beleidsplan en een ontwerp voor de functionele standaarden voor producten en diensten. Wetende dat de voorzitters het bestuur vormen, wordt hiermee expliciet het belang aangegeven om de regio’s te betrekken bij de besluitvorming. Deze betrokkenheid acht ik van belang, aangezien hiermee het aanbod kan worden afgestemd op de vraag van de afnemers.

Wat betreft de wettelijke taken die het IFV krijgt opgedragen, merk ik op dat de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid hierop toezicht zal houden. De Minister van Veiligheid en Justitie is verantwoordelijk om (tijdig) gebruik te maken van de in het wetsvoorstel genoemde bevoegdheden indien het IFV deze taken niet op een adequaat niveau uitvoert.

De constructie dat de voorzitters van de regio’s ook zitting hebben in het Veiligheidsberaad, én de constructie dat deze voorzitters van de regio’s gezamenlijk het bestuur van het IFV vormen, borgen de samenhang en borgen de relatie met de regio’s.

De leden van de PvdA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat ten aanzien van de uniforme informatie- en communicatievoorziening de regering aangeeft dat het zorgdragen hiervoor ondergebracht kan worden bij het IFV, maar dat er ook gekozen kan worden voor externe aanbesteding. Deze leden vragen welke lessen de minister trekt uit de automatisering van de politie, waar de korpsbeheerders onvoldoende grip hadden en de top van de politieorganisatie vast wilde houden aan eigen werkprocessen. Hoe wil de regering waarborgen dat bij deze automatisering de regie wel werkt?

De leden van de VVD-fractie horen graag hoe de regering aankijkt tegen de grote, complexe, multidisciplinaire ICT-projecten (zoals netcentrisch werken) in relatie tot het IFV. Zij vragen of de regering het een goed idee vindt om in dezen de aanbevelingen van de Rekenkamer over ICT politie 2010 (Kamerstukken II 2010/11, 29 350, nr. 11) mee te nemen?

Op dit moment voert het Nifv ondersteunende taken uit op het gebied van netcentrisch werken op basis van een tijdelijke subsidie. Er worden bij het IFV geen operationele taken ten aanzien van grote ICT-projecten belegd, gezien de aard en werkzaamheden (kennis, opleiden, oefenen, examineren) van het IFV. Wel kan het IFV een belangrijke rol vervullen bij de multidisciplinaire vraagarticulatie. Aangezien de aanbevelingen van de Rekenkamer over ICT politie 2010 betrekking hebben op het ICT-vraagstuk, is dit minder van belang in relatie tot het IFV. Dit in tegenstelling tot de vtsPN, dat onder andere tot taak had het verbeteren en uitbreiden van de ICT voor de politie en andere OOV-partners, waaronder realisatie van landelijk gestandaardiseerde ICT-architectuur voor de politie.

Artikel 22 bepaalt dat de besturen van de veiligheidsregio’s gemeenschappelijk zorg dragen voor de inrichting van een uniforme informatie- en communicatievoorziening, daaronder begrepen het vaststellen van de informatiebehoefte en het vaststellen van kaders, standaarden en kwaliteitseisen met het oog op de informatie-uitwisseling binnen en tussen in de wet bepaalde organisaties. Dat het IFV een belangrijke rol kan vervullen bij de multidisciplinaire vraagarticulatie, betekent niet dat de uitvoering van ICT-projecten operationeel bij het IFV moet worden belegd. Samenwerking met politie is in eerste instantie aan de orde, met name omdat daar de taak ligt ICT-voorzieningen voor andere partners in het veiligheidsdomein te verbeteren en uit te breiden. Het Instituut zal voor veel gemeenschappelijke werkzaamheden met een shared-service karakter fungeren als een aankoopcentrale, zoals bedoeld in artikel 18 van het Besluit aanbestedingen overheidsopdrachten. Daartoe zal het IFV ten behoeve van de regio’s bijvoorbeeld een opdracht aanbesteden, waarbij het IFV de kwaliteitseisen opstelt en de aanbestedingsprocedure regelt. Door het IFV te gebruiken bij de uitvoering van deze werkzaamheden, kunnen de veiligheidsregio’s vorm geven aan hun verantwoordelijkheid om deze taken gemeenschappelijk uit te voeren. Dit vereist aan de voorkant bestuurlijk committent. Het is van belang gebleken om de afnemers (het multidisciplinaire veld) goed te betrekken en daadwerkelijk invloed te geven bij de totstandkoming van de betreffende producten en diensten. In de stuurgroep die de instelling van het IFV voorbereidt, hebben betrokken partijen daarom besloten dat de voorzitters van de managementraden (Raad van Regionaal Commandanten, Raad directeuren GHOR en Gemeentelijk Beraad) als professioneel adviseur zullen deelnemen aan de vergaderingen van het bestuur van het IFV. Zo kunnen de raden adviseren over de functionele eisen en standaarden op hun eigen domein.

2.4. Taken en werkzaamheden van het Instituut

De leden van de PvdA-fractie constateren dat het huidige artikel 22 van de Wet veiligheidsregio’s aan de veiligheidsregio’s opdraagt om ook personeelsbeleid, de aanschaf van materiaal en de ontwikkeling van handboeken en leidraden zoveel mogelijk in gezamenlijkheid te doen. Deze leden constateren dat deze opdracht verdwenen is, maar dat in het IFV wel het platform gecreëerd is om deze taken gezamenlijk uit te voeren. Deze leden vragen waarom de wenselijkheid van een hechte samenwerking op deze gebieden niet meer in de wet staat en of de regering hierin lessen trekt uit de ervaringen met de politieregio’s waar de samenwerking op deze gebieden moeizaam op gang kwam.

Het IFV biedt bij uitstek de mogelijkheid voor de veiligheidsregio’s om invulling te geven aan het gezamenlijk uitvoeren van de werkzaamheden op het gebied van personeelsbeleid, aanschaf van materiaal en ontwikkeling van handboeken en leidraden. Die mogelijkheid bestond nog niet op het moment dat artikel 22 werd geformuleerd; daarom is het toen uitdrukkelijk in de tekst opgenomen. De wenselijkheid van samenwerking op deze gebieden blijft uiteraard van kracht. Het personeelsbeleid, de aanschaf van materieel en de ontwikkeling van handboeken en leidraden zijn daar voorbeelden van. Uit de ervaringen met de politieregio’s is gebleken dat het van belang is het professionele veld hierbij goed te betrekken. Om die reden zullen de voorzitters van de managementraden (Raad van Regionaal Commandanten, Raad directeuren GHOR en Gemeentelijk Beraad) als professioneel adviseur zullen deelnemen aan de vergaderingen van het bestuur van het IFV. Zo kunnen de raden adviseren over de functionele eisen en standaarden op hun eigen domein.

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat het IFV de wettelijke taak krijgt om kennis te verzamelen en verspreiden. Deze leden vragen of de regering ook reden ziet om analoog aan de politie de verantwoordelijkheid voor wetenschappelijk onderzoek te borgen, zodat de kennisvraag vanuit de praktijk bediend kan worden en de brandweerzorg en rampenbestrijding verbeterd kunnen worden.

Het IFV zal inderdaad de wettelijke taak (zoals nu uitgevoerd door Nifv) krijgen om kennis te verzamelen en verspreiden. Bij dezelfde wettelijke taak hoort ook het zo nodig doen van onderzoek. Het gaat daarbij om op de praktijk gericht onderzoek op het gebied van bijvoorbeeld zelfredzaamheid en natuurbranden. Dit betreffen veelal meerjarige onderzoeksprogramma’s. Door het Nifv wordt samengewerkt met universiteiten en andere wetenschappelijke instellingen alsmede met het brandweer- en rampenbestrijdingsveld en wordt kennis geborgd. Dit zal ook binnen het IFV worden gecontinueerd.

Daarnaast heeft de Raad van Regionaal Commandanten (RRC) van de Nederlandse Vereniging van Brandweerzorg en Rampenbestrijding het initiatief genomen tot de inrichting van een Wetenschappelijke Raad (WR). De WR vervult een brugfunctie tussen het wetenschapsveld en het brandweerveld, zodat wetenschappelijk onderzoek over en voor de brandweer kan worden afgestemd op de vraag. De hoofddoelstelling van de WR is bijdragen aan de wetenschappelijke kennisontwikkeling ten aanzien van inrichting, functie en functioneren van de brandweer in een veranderende democratische samenleving. Daarnaast wil de WR bevorderen dat relevante nieuwe kennis en inzichten en innovaties in brandweer- en veiligheidspraktijk, beleid en opleiding daadwerkelijke worden toegepast en vervult een brugfunctie tussen het wetenschapsveld aan de ene kant en het brandweerveld aan de andere kant.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de precieze betekenis van de passage in de memorie van toelichting, waarin staat dat de afweging omtrent welke gemeenschappelijke werkzaamheden door het Instituut zullen worden uitgevoerd, afhangt van de vraag wat het meest geschikte niveau is om dit uit te voeren (regionaal of bovenregionaal). Deze leden vragen of het bestuur van het Instituut bepaalt om welke werkzaamheden het gaat, of de besturen van de veiligheidsregio’s dit zelf doen of dat dit een taak is van de minister en/of de wetgever. Dit ook in relatie tot de vraag hoe ver de samenwerking in het Instituut moet gaan.

De veiligheidsregio’s maken zelf de afweging welke werkzaamheden zij gezamenlijk willen laten uitvoeren door het IFV. Het is voor de uniformiteit en effectiviteit van de veiligheidsregio’s wenselijk dat op een aantal gebieden wordt samengewerkt, uiteraard mits dat voordeel oplevert. Het gaat dan bijvoorbeeld om personeelsbeleid, de aanschaf van materieel, de ontwikkeling van handboeken en leidraden en verdere shared-service werkzaamheden. Bij het bepalen hoever de samenwerking moet gaan, zal naar verwachting voor de veiligheidsregio’s leidend zijn of een gezamenlijke uitvoering gewenst is uit het oogpunt van uniformiteit, operationele eenheid en efficiëntie. Is dat niet het geval, dan kan de werkzaamheid beter op regionaal niveau uitgevoerd worden.

2.5. Bekostiging van het Instituut

De leden van de CDA-fractie merken op dat werkzaamheden van het bureau dat het Veiligheidsberaad ondersteunt, de taken van de Brandweeronderwijsraad en de taken van Landelijk Management Development Brandweer nu landelijk worden uitgevoerd en/of gefinancierd en dat de subsidies voor deze taken worden stopgezet en de middelen worden toegevoegd aan de Brede Doel Uitkering Rampenbestrijding ten behoeve van de 25 veiligheidsregio’s. Vervolgens is het aan de besturen van de veiligheidsregio’s om te besluiten welke taken het Instituut moet uitvoeren en hoeveel middelen worden ingezet. Deze leden vragen of deze getrapte aanpak wel gewenst is en niet leidt tot aantasting van de daadkracht. Is het niet beter de middelen direct ter beschikking te stellen aan het bestuur van het Instituut?

De financiële middelen ten behoeve van het Bureau Veiligheidsberaad, de Brandweeronderwijsraad, het Landelijk Management Development Brandweer worden, met instemming van alle betrokken partijen toegevoegd aan de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDUR), vanwege het feit dat gemeenten en veiligheidsregio’s verantwoordelijk zijn voor deze werkzaamheden en de uitvoering hiervan. Het Bureau Veiligheidsberaad betreft immers de ambtelijke ondersteuning van het Veiligheidsberaad, de Brandweeronderwijsraad is een adviesorgaan voor de werkgevers van het brandweerpersoneel – vertegenwoordigd door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Veiligheidsberaad – en het Management Development Brandweer betreft ook een verantwoordelijkheid van de werkgevers van het brandweerpersoneel. Het geeft geen pas als in de wet wordt voorgeschreven hoe de veiligheidsregio’s deze werkzaamheden van hun organisaties moeten vormgeven. Met betrokken partijen heb ik overigens wel afgesproken dat deze aan de BDUR toegevoegde middelen op verzoek van de voorzitters van de veiligheidsregio’s centraal worden afgeroomd van de BDUR en rechtstreeks ter beschikking worden gesteld aan het IFV. Hiermee kan het voorstel dat deze leden op dit punt doen, gerealiseerd worden.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de bekostiging van het Instituut door het Rijk op basis van een jaarlijkse bijdrage à fonds perdu zal plaatsvinden. Deze leden zijn van mening dat niet wordt geregeld op welke basis het jaarlijkse bedrag tot stand komt en dat het Instituut een meerjaarlijkse zekerheid moet hebben over het jaarlijks uit te keren bedrag. Het lijkt deze leden niet verstandig dat het Instituut ieder jaar moet «onderhandelen» over de bijdrage van het Rijk, hetgeen ook ieder jaar leidt tot onderhandelingen met de regio’s over hun bijdrage en in de regio’s tot onderhandelingen met de gemeenten. Deze leden menen dat dit vraagt om duidelijkheid over meerdere jaren, waarbij uiteraard vooraf afspraken kunnen worden gemaakt over de kaders die als uitgangspunt moeten worden gebruikt.

Ik onderschrijf de opvatting van deze leden dat het IFV meerjarige zekerheid moet hebben over de jaarlijkse bijdrage ten aanzien de bekostiging van het IFV door het Rijk. Om die reden wordt de hoogte van de jaarlijkse bijdrage ten behoeve van de wettelijke taken van het IFV vastgesteld op basis van bestuurlijke meerjarige afspraken. Met instemming van alle betrokken partijen bij het IFV, geschiedt de eerste vaststelling op basis van de Kaderbrief rijksbijdragen en subsidies aan het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid voor het begrotingjaar 2011.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de wettelijke taken worden bekostigd door de Minister van Veiligheid en Justitie, behalve de taken op het gebied van examinering, certificering en vrijstellingen. Deze leden vragen of preciezer kan worden aangegeven voor welke onderdelen van artikel 68 wel bekostiging plaatsvindt en voor welke onderdelen niet. Zou het niet voor de hand liggen om die taken in afzonderlijke bepalingen op te nemen?

Voor alle onderdelen van artikel 68 zal de Minister van Veiligheid en Justitie in de bekostiging voorzien, behalve voor onderdeel b. Dit betreffen namelijk de huidige Nbbe-taken, die ook nu al worden bekostigd door middel van tarieven van afnemers van brandweerexamens. Uitgangspunt bij de formulering van de artikelen 68, 69 en 70 was dat zij elk betrekking hebben op één type taak of werkzaamheid. Een afzonderlijke bepaling voor de bekostiging van een onderdeel van taak zou deze opzet doorbreken.

2.6. Mededingingsrechtelijke aspecten

De leden van de SP-fractie vragen duidelijkheid over de wettelijk toegestane werkzaamheden die kunnen worden verricht in het marktdomein (commerciële werkzaamheden). Zij lezen in de memorie van toelichting twee verschillende uitgangspunten: enerzijds dat deze diensten tegen kostendekkende tarieven mogen worden verricht, anderzijds dat het tarief «minimaal» de integrale kostprijs bedraagt. Dit suggereert dat hier ruimte is om meer te vragen, waardoor feitelijk winst gemaakt mag worden door het Instituut. Deze leden horen graag van de minister welke bepaling de juiste is.

De twee formuleringen spreken elkaar niet tegen en zijn beide van toepassing. Wanneer tarieven minimaal de integrale kostprijs bedragen, betekent dit dat door het IFV ten minste kostendekkend wordt gewerkt. Dat is vanwege mededingingsregels bepaald, om concurrentievervalsing (werken onder de kostprijs) tegen te gaan. Indien het IFV erin slaagt producten met winst af te zetten, bestaat daartegen in beginsel geen bezwaar.

2.7. Sturing, verantwoording en toezicht

De leden van de PvdA-fractie lezen dat de minister aanwijzingen kan geven aan het IFV als de taakuitvoering tekortschiet, maar het IFV heeft gewoonlijk geen informatieplicht aan de minister. Deze leden vragen hoe de minister beoordeelt of de wettelijke taken op adequaat niveau worden uitgevoerd?

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft hiervoor verschillende mogelijkheden. Ten eerste kan hij dit beoordelen door middel van de periodieke overleggen met het bestuur van het IFV over de voortgang van taakuitvoering van de wettelijke taken. Ten tweede beoordeelt de minister het deel van de begroting van het IFV dat betrekking heeft op de wettelijke taken. Ten derde zal de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid toezicht houden op de uitvoering van deze taken door het IFV. De minister kan overigens alle informatie opvragen die hij nodig heeft met het oog op zijn bevoegdheid jegens het IFV. In deze formulering schuilt bewust een zekere beperking, maar de inlichtingenplicht van het IFV is niet beperkt tot de situatie van ernstige taakverwaarlozing.

2.8. De Raad van regionaal commandanten, de Raad van directeuren-GHOR en Gemeentelijk Beraad (Coördinerende gemeentesecretarissen van regio’s)

De leden van de VVD-fractie begrijpen dat het van groot belang is dat het Instituut écht ten dienste staat van het veld, en zij achten de juiste inhoudelijke verbinding met het veld evenals de inbreng door het veld cruciaal. Zij vernemen graag of de regering het hiermee eens is, en zo ja, hoe dit zal worden geborgd.

De leden van de PvdA-fractie lezen dat de regering het van belang vindt dat de Raad van regionaal commandanten, de raad van directeuren GHOR en het Gemeentelijk Beraad een positie krijgen ten opzichte van het bestuur van het IFV. Daarom vragen deze leden of hun positie in de wet geborgd is, en zo nee: waarom niet.

Er is voor gekozen om in de wet alleen de samenstelling van het bestuur op te nemen, zijnde de 25 voorzitters van de veiligheidsregio’s. Ook in andere onderdelen van de Wet veiligheidsregio’s is de interne structuur van organisaties niet geregeld. Het is aan het bestuur van het IFV om te besluiten hoe het IFV nader wordt ingericht. Dat neemt niet weg dat ook ik van oordeel ben dat een inhoudelijk verbinding met het veld en de inbreng door het veld cruciaal is. Daarom is in de memorie van toelichting ruim aandacht besteed aan de positie van de Raad van Regionaal Commandanten, de Raad van directeuren GHOR en het Gemeentelijk Beraad, die zich richten op behoeftestelling, beleidsinitiëring en draagvlak binnen de professie. In overeenstemming met deze beraden heeft het beoogde bestuur van het IFV inmiddels in het governance-model opgenomen dat de voorzitters van de managementraden als professioneel adviseur zullen deelnemen aan vergaderingen van het bestuurvan het IFV. Op deze wijze kunnen vraag en aanbod goed op elkaar worden afgestemd, en kunnen de Raad van Regionaal Commandanten, de Raad van directeuren GHOR en het Gemeentelijk Beraad niet alleen adviseren over de producten- en dienstencatalogus, maar tevens over de functionele eisen en standaarden en de kwaliteit van de output van het IFV op hun eigen domein.

De leden van de CDA-fractie lezen dat het in de rede ligt dat het bestuur van het Instituut zich laat bijstaan en adviseren door de collectieven van de regionale brandweercommandanten en de directeuren GHOR, en dat daarbij wordt gedacht aan het Gemeentelijk Beraad en het Landelijk Overleg Coördinerende Gemeentesecretarissen. Deze leden vinden het opvallend dat een rol voor de medewerkers op de werkvloer en in het bijzonder voor de parttime professionals ontbreekt. Juist van de werkvloer komt kritiek, samen te vatten als: over ons, zonder ons. In de memorie van toelichting zien deze leden geen signalen waaruit het tegendeel nadrukkelijk blijkt. Deze leden vragen hoe de positie van de parttime professional bij alle in het Instituut aan de orde zijnde onderwerpen overtuigend is geborgd. Hoe wordt aan deze medewerkers het vertrouwen gegeven dat hun positie serieus wordt genomen en hun inbreng serieus wordt gewogen?

De leden van SP-fractie constateren met de vakbonden dat er een gebrekkige vertegenwoordiging van werknemers en brandweervrijwilligers is op het beleid en de toekomstige keuzes die gemaakt worden door het Instituut, terwijl er belangrijke keuzes gemaakt zullen worden over elementaire zaken als onderwijs en expertiseontwikkeling, die nauw raken aan de arbeidsvoorwaarden voor werknemers binnen de brandweersector. Deze leden zijn om die reden van mening dat de regering ten onrechte stelt dat het aan de veiligheidsregio’s zelf is om uitvoering te geven aan de wijze van vertegenwoordiging. Zij vragen naar de mogelijkheden om de inspraak van de werkvloer te verankeren in de wet.

Op dit moment geeft het Nifv uitvoering aan taken op het gebied van onderwijs en expertiseontwikkeling. Het IFV neemt deze taken over en conform de huidige situatie is er bij dit wetsvoorstel voor gekozen om de inspraak van werknemers en vrijwilligers in de brandweersector niet te verankeren in de wet. Dat neemt uiteraard niet weg dat ik deze inbreng van groot belang acht. Het IFV is een organisatie van en voor de veiligheidsregio’s en daarmee voor iedereen in de veiligheidsregio, dus ook vrijwilligers. Met dit wetsvoorstel komt het beheer van de brandweer bij de veiligheidsregio’s te liggen, ook op het gebied van het personeelsbeleid. Veiligheidsregio’s vormen daarmee als werkgever dan ook de belangrijkste gesprekspartners voor de vakbonden waar het gaat om arbeidsvoorwaarden. Het is de taak van de veiligheidsregio’s om de belangen, inspraakmogelijkheden, arbeidsvoorwaarden en expertise van hun werknemers en vrijwilligers goed te borgen. Veiligheidsregio’s kunnen dit onderwerp via hun voorzitter inbrengen in het bestuur van het IFV en dit zodoende organiseren. De betrokkenheid van de werkvloer, via de VBV en vakbonden, zal ook in de toekomst georganiseerd moeten blijven. Zo is de VBV nu bijvoorbeeld ook betrokken bij de projecten «Visieontwikkeling vrijwilligheid ten behoeve van de brandweer» en «Verbeteren Brandweerstatistiek»; deze betrokkenheid kan in de toekomst uiteraard ook via het IFV vorm krijgen.

Betrokkenheid van de brandweermensen verspreid over de 25 veiligheidsregio’s zal ook vorm krijgen door de advisering van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding aan de Raad van Regionaal Commandanten, die op zijn beurt het bestuur van het IFV zal bijstaan en adviseren. Hiermee wordt ook beoogd de vraagbepaling van producten en diensten, die van belang zijn voor werknemers en vrijwilligers, te borgen. Hetzelfde geldt voor de beoordeling van de kwaliteit van het producten of de diensten die door het IFV wordt geleverd. Daarnaast kan het bestuur van het IFV advies vragen aan de Raad van Regionaal Commandanten over de functionele eisen en standaarden en de kwaliteit van de output van het IFV op het brandweerdomein. Tot slot kunnen de vakbonden vanuit hun natuurlijke rol de belangen van werknemers en vrijwilligers behartigen door het IFV gevraagd en ongevraagd van advies te voorzien.

De leden van de SGP-fractie vragen hoe de betrokkenheid van vrijwilligers en werknemers binnen de brandweersector gewaarborgd is bij de totstandkoming van bijvoorbeeld reglementen rond examens en bij de ontwikkeling van lesmaterialen.

In algemene zin is deze vraag bij de vorige twee vragen beantwoord.

Wat betreft het voorbeeld van reglementen rond examens wijs ik erop dat de regeling rond de brandweerexamens is opgesteld conform de structuur van ISO/IEC 17024. Een College van Deskundigen is verantwoordelijk voor het ontwikkelen en onderhouden van de regeling. Het College van Deskundigen vertegenwoordigt op billijke wijze de belangen van alle partijen die een aanzienlijk belang hebben bij deze regeling. Dit betekent dat ook de werknemers (waaronder de vrijwilligers) in dit college vertegenwoordigd dienen te zijn.

Wat betreft de ontwikkeling van lesmateriaal geldt dat het aan de werkgevers (veiligheidsregio’s en gemeenten) is om als voornaamste opdrachtgevers voor het brandweeronderwijs eisen te stellen aan de ontwikkeling van lesmaterialen en de betrokkenheid van werknemers hierbij vorm te geven. Indien de werknemers (waaronder de vrijwilligers) meer betrokkenheid bij de ontwikkeling van lesmateriaal verlangen, kunnen zij hiervoor via hun vertegenwoordigers aandacht vragen bij de werkgevers in het reguliere overleg tussen werknemers en werkgevers. Ik ga er echter van uit dat dit niet nodig is, omdat instanties die lesmateriaal voor het brandweeronderwijs ontwikkelen, daarbij de beroepspraktijk als uitgangspunt nemen en dus relevante expertise uit het veld bij die ontwikkeling zullen betrekken.

2.9. Evaluatie

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de werking van het Instituut na vijf jaar geëvalueerd zal worden. Deze leden vragen de regering of deze evaluatie gecombineerd kan worden met de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s, vanwege de onderlinge verwevenheid.

De start van de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s is voorzien in 2012. Dan is ook de start van het IFV voorzien. Het is dus niet mogelijk om de evaluatie van het IFV te combineren met de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s.

De leden van de CDA-fractie delen ten aanzien een wettelijke regeling van de evaluatie de opvatting van de Raad van State. Deze leden nodigen de minister uit alsnog met een voorstel op dit punt te komen.

De leden van de CU-fractie constateren dat een evaluatie niet in de wet is geregeld, maar dat, zoals ook de Raad van State constateerde, een wettelijke regeling nodig is voor medewerking van het Instituut aan de evaluatie. Deze leden vragen een nadere onderbouwing van het standpunt dat een wettelijke bepaling onnodig en ongewenst is. Deze leden zouden in deze evaluatie graag bijzondere aandacht zien voor de eventuele verschuiving van taken van de veiligheidsregio’s naar het IFV tijdens deze periode.

Voor het uitvoeren van een evaluatie is een wettelijke verplichting geen noodzakelijke voorwaarde. Daarbij ben ik van mening dat mijn argumentatie om af te zien van een wettelijke verplichting voor het IFV om mee te werken aan de evaluatie, afdoende is: aangezien een wettelijke verplichting geen noodzakelijke voorwaarde is, acht ik het wettelijk opnemen van deze bepaling in de onderlinge verhoudingen onnodig en ongewenst.

Ik ben met deze leden van mening dat een eventuele verschuiving van taken van de veiligheidsregio’s naar het IFV, door het gezamenlijk beleggen van deze taken van de regio’s bij het IFV, in de evaluatie bijzondere aandacht verdient.

2a. Het brandweeronderwijs

De leden van de VVD-fractie constateren dat het brandweerdiploma zal worden afgegeven door het bestuur van het Instituut, en vragen hoe de kwaliteit van het brandweeronderwijs wordt bewaakt, nu er geen sprake meer is van een rijksexamen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid belast kan worden met het toezicht op het brandweeronderwijs, overeenkomstig de wijze van toezicht op het politieonderwijs.

Ik acht het van belang vast te houden aan het principe dat de wijze van toezicht afgeleid is van de wijze waarop verantwoordelijkheden zijn belegd.

De Minister van Veiligheid en Justitie is de voornaamste opdrachtgever voor en financier van de politieopleidingen uit de kwalificatiestructuur en stelt kwaliteitseisen aan deze opleidingen. Het toezicht dat de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) op het politieonderwijs uitoefent, past bij deze verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie.

De veiligheidsregio’s zijn als voornaamste opdrachtgevers voor en financiers van het brandweeronderwijs zelf primair verantwoordelijk voor het stellen van kwaliteitseisen aan de aanbieders van het onderwijs en het (interne) toezicht daarop. De IOOV houdt algemeen toezicht op de veiligheidsregio’s en blijft, ook na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, toezicht houden op de wijze waarop de veiligheidsregio’s invulling geven aan hun verantwoordelijkheid voor de bekwaamheid van het personeel (inclusief het onderwijs, bijscholen en oefenen). Dit betekent dat indien daartoe een concrete aanleiding bestaat, de IOOV op grond van prioriteitstelling/risicoanalyse, een aspectonderzoek kan verrichten naar de kwaliteit van het brandweeronderwijs.

De examinering van het brandweeronderwijs blijft een wettelijke taak van het IFV en in de wijze van toezicht van de IOOV hierop vindt geen wijziging plaats.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts of de regering met hen van mening is dat de koppeling tussen onderzoek en onderwijs duurzaam en permanent moet zijn en dat ontwikkelde kennis aldus ontsloten moet worden voor zowel de onderwijspraktijk als de operationele praktijk. Tevens vragen zij wie de regie heeft in dezen.

Ik deel bovenstaande opvatting. Het Nifv heeft en het IFV krijgt als wettelijke taak «het ontwikkelen en in stand houden van expertise door middel van het verzamelen en beheren van relevante kennis en zo nodig door het verrichten van toegepast wetenschappelijk onderzoek» op het gebied van onder meer de brandweerzorg (Wet veiligheidsregio’s, artikel 66, tweede lid, aanhef en onder b; na wijziging: artikel 68, onder e). Ook de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding vervult een belangrijke rol bij het beheer en de verspreiding van kennis op het gebied van de brandweerzorg. Zowel de organisatorische als de inhoudelijke samenwerking tussen het Instituut en de brandweersector is daarom essentieel. Met de oprichting van het IFV krijgen de voorzitters van de veiligheidsregio’s – als bestuur van het IFV – de regie hierover integraal in handen, waarbij de Raad van Regionaal Commandanten een cruciale rol vervult zowel bij de (advisering over de) regie als bij de uitvoering.

De leden van de VVD-fractie hebben vernomen dat er onder de betrokkenen bij het brandweeronderwijs zorgen leven over de wijze waarop en snelheid waarmee verbeteringen kunnen worden doorgevoerd. De Brandweeronderwijsraad (ingesteld op initiatief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Veiligheidsberaad en de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding) en financieel ondersteund door de Minister van Veiligheid en Justitie, zou al eerder hebben geconstateerd dat er sprake is van enkele weeffoutjes in de manier waarop het onderwijs wordt vormgegeven en uitgevoerd. In december 2010 zou de Brandweeronderwijsraad aan de VNG en het Veiligheidsberaad melding hebben gemaakt van taken en verantwoordelijkheden die niet of gedeeltelijk zijn belegd. Deze leden vragen of de regering hiervan op de hoogte is en welke maatregelen de regering voornemens is te nemen in dezen.

De leden van de fracties van het CDA en van de SP vragen of de taken met betrekking tot het onderwijsstelsel niet met dit wetsvoorstel als wettelijke taak bij het Instituut moeten worden neergelegd.

De leden van de SP-fractie vragen voorts of het gekozen uitgangspunt om het Instituut dichter bij de veiligheidsregio’s te plaatsen en dus meer op afstand van de minister in dit kader een verstandige keuze is.

De leden van de PvdA-fractie vragen een reactie op het onderzoek brandweeronderwijs en vragen of de aanbevelingen uit dit rapport (kunnen) worden meegenomen in dit wetsvoorstel.

De leden van de CU-fractie vragen of het onderzoek nog gevolgen heeft voor het wetsvoorstel. Ook vragen deze leden waarom een landelijke organisatie van het brandweeronderwijs niet verplicht wordt.

De Brandweeronderwijsraad heeft in december 2010 bij de VNG en het Veiligheidsberaad aandacht gevraagd voor de problematiek van het ontbreken van les- en leerstof voor een aantal niet-officiersopleidingen. De VNG en het Veiligheidsberaad hebben mij vervolgens om een eenmalige financiële bijdrage verzocht om dit probleem voor de korte termijn op te lossen. Dit verzoek heb ik gehonoreerd.

Het rapport «Brandweeronderwijs in Nederland, naar een volgende stap» van Capgemini Consulting/Twynstra Gudde, dat ik op 8 september 2011 aan de Tweede Kamer heb aangeboden,1maakt duidelijk dat het de taak van de veiligheidsregio’s moet zijn om regie te voeren op het brandweeronderwijs. Het belangrijkste advies uit dit rapport is namelijk om het brandweeronderwijs vanuit de volgende drie uitgangspunten in te richten:

  • 1. op grond van de huidige wet- en regelgeving is de Minister van Veiligheid en Justitie verantwoordelijk voor het formuleren van de eisen waaraan brandweerpersoneel dient te voldoen (normerende rol ten aanzien van brandweerpersoneel)

  • 2. de werkgevers van het brandweerpersoneel zijn ervoor verantwoordelijk dat dit personeel zijn functie kan uitoefenen in overeenstemming met de bij de functie behorende kerntaken en competenties

  • 3. de werkgevers van het brandweerpersoneel bedienen zich voor het ontwikkelen, verzorgen en toetsen van het onderwijs van één landelijk opererende organisatie.

De grote aanpassing ten opzichte van de huidige situatie is het derde element: er wordt één organisatie verantwoordelijk voor het ontwikkelen, verzorgen en toetsen van het brandweeronderwijs. Het ligt volgens de onderzoekers voor de hand deze taak te beleggen bij het IFV, omdat hierdoor vrijwel alle knelpunten in het brandweeronderwijs zouden worden opgelost. Ook ten aanzien van de kwaliteitsborging, het toezicht en taken die niet of gedeeltelijk zijn belegd.

Dit advies onderstreept het belang van het dichter positioneren van het IFV bij de veiligheidsregio’s.

Ik zie het als de verantwoordelijkheid van de (gezamenlijke) veiligheidsregio’s om al dan niet taken op het gebied van het brandweeronderwijs bij het IFV te beleggen. Het wettelijk beleggen van deze taken bij het IFV is niet aan de orde op grond van de volgende overwegingen:

  • a. De veiligheidsregio’s met inliggende gemeenten zijn verantwoordelijk voor het opleiden van het brandweerpersoneel, als afgeleide van artikel 10, onderdeel d, van de Wet veiligheidsregio’s. Zij zijn de belangrijkste opdrachtgevers voor en financiers van het brandweeronderwijs. Zij hebben de sleutel en de financiën in handen om in gezamenlijkheid het brandweeronderwijs effectiever en efficiënter in te richten. Het is daarom aan de (gezamenlijke) veiligheidsregio’s om keuzes te maken over de organisatie en de kwaliteit van het brandweeronderwijs en het (interne) toezicht daarop. Dit wetsvoorstel maakt het voor de veiligheidsregio’s mogelijk om op grond van het nieuwe artikel 70 (gezamenlijk) taken op het gebied van het brandweeronderwijs als gemeenschappelijke werkzaamheden bij het IFV te beleggen. Dit kan onder meer betreffen de nog niet helder belegde werkzaamheden op het gebied van het brandweeronderwijs, zoals het ontwikkelen van les- en leerstof voor de niet-officiersfuncties, de kwaliteitsborging van en het interne toezicht (namens de opdrachtgevers / financiers) op het brandweeronderwijs. Hierdoor kunnen zij betere regie voeren op het brandweeronderwijs.

  • b. Naast het opleiden zijn ook het bijscholen en oefenen belangrijke instrumenten om het brandweerpersoneel de vereiste bekwaamheid te doen verwerven dan wel te doen behouden. Het onderzoeksrapport van Capgemini Consulting/Twynstra en Gudde maakt tevens duidelijk dat het onderwijs(-aanbod) beter moet aansluiten bij de personeelsplanning (vraag). Eén van de conclusies uit dit rapport is dat de opleidings- en personeelsplanning in de regio’s tekort schieten.2 Zowel het bijscholen en oefenen als de opleidingsplanning zijn verantwoordelijkheden van de veiligheidsregio’s. Het is aan de (gezamenlijke) veiligheidsregio’s om terzake keuzes te maken. Ook op het gebied van het bijscholen en het oefenen kunnen de veiligheidsregio’s (gezamenlijk), indien zij dit wensen, op grond van het nieuwe artikel 70 gemeenschappelijke werkzaamheden beleggen bij het IFV.

  • c. Met dit wetsvoorstel gaat de taak om diploma’s af te geven over van de Minister van Veiligheid en Justitie naar de voorzitter van het IFV. Met dit wetsvoorstel, dat ook de volledige regionalisering van de brandweer behelst, wordt een beweging ingezet om de veiligheidsregio’s zoveel mogelijk integraal verantwoordelijk te maken voor het personeelsbeleid. Naast hun verantwoordelijkheid voor het opleiden, bijscholen en oefenen van het personeel, worden de veiligheidsregio’s ook verantwoordelijk voor de andere aspecten van het personeelsbeleid. Hiermee wordt de huidige versnippering in verantwoordelijkheden tegengegaan. Ik acht het ongewenst dat de Minister van Veiligheid en Justitie verantwoordelijkheden overneemt op het gebied van het brandweeronderwijs van de veiligheidsregio’s. Dat zou een tegengestelde beweging zijn.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de regering werkt aan een breed gedragen visie van het veld op de organisatie van het onderwijs.

Een werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van het Veiligheidsberaad, de VNG, de Raad van Regionaal Commandanten, het Nifv, het Nbbe en de Vakvereniging voor Brandweervrijwilligers (VBV) namens de vakorganisaties, werkt momenteel aan het opstellen van een breed gedragen versterkingsplan brandweeronderwijs. De Brandweeronderwijsraad – een adviesorgaan voor de werkgevers van het brandweerpersoneel ten aanzien van het brandweeronderwijs – adviseert hierbij. Naar verwachting komt het versterkingsplan begin volgend jaar gereed, waarna een bestuurlijk vaststellingstraject volgt. Bestuurlijk commitment is van belang om vrijblijvendheid tegen te gaan. Ik verwacht het versterkingsplan in de eerste helft van 2012 aan de Tweede Kamer te kunnen aanbieden.

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd naar de plannen van de regering om samenwerking met de Politieacademie en externe onderwijsinstellingen te bevorderen.

De (gezamenlijke) veiligheidsregio’s zijn als voornaamste opdrachtgevers voor en financiers van het brandweeronderwijs primair verantwoordelijk voor de inrichting van het brandweeronderwijs. Het is daarom aan hen om al dan niet plannen te maken voor meer samenwerking met de Politieacademie en externe onderwijsinstellingen. In het onderzoeksrapport van Capgemini Consulting/Twynstra en Gudde zijn aanbevelingen opgenomen om deze samenwerking te versterken.3

Daarnaast voeren het Nifv, de Politieacademie en de Defensieacademie sinds maart 2011 een onderzoek uit naar de opzet en de haalbaarheid van een virtuele multidisciplinaire veiligheidsacademie, die zowel betrekking heeft op informatie- en kennisuitwisseling als op gezamenlijk opleiden en oefenen. Het onderzoek wordt naar verwachting mei 2012 afgerond. Ik heb een financiële bijdrage voor dit onderzoek verleend.

De leden van de CU vragen op welke punten regelgeving in dit wetsvoorstel parallellen kent met die voor het politieonderwijs, en op welke punten hiervan wordt afgeweken en wat daar de reden van is.

Het politie- en brandweeronderwijs zijn moeilijk met elkaar te vergelijken. De veiligheidsregio’s met inliggende gemeenten zijn verantwoordelijk voor het opleiden, bijscholen en oefenen van het brandweerpersoneel. Zij zijn de belangrijkste opdrachtgevers voor en financiers van het brandweeronderwijs. In de Regeling personeel veiligheidsregio’s stelt de Minister van Veiligheid en Justitie eisen aan de bekwaamheid van het brandweerpersoneel (met name kerntaken en competenties per brandweerfunctie). Opleiden, bijscholen, examineren en oefenen zijn middelen om de vereiste bekwaamheid te doen verwerven dan wel te doen behouden. Omdat de bekwaamheidseisen functiespecifiek zijn, hebben de opleidingen in het brandweeronderwijs doorgaans een relatief kortdurend karakter. De opleidingen voor specifieke brandweerfuncties lijken daardoor meer op bedrijfsopleidingen dan op de meerjarige vormende opleidingen uit het reguliere beroepsonderwijs en het politieonderwijs.

Het reguliere beroepsonderwijs en het politieonderwijs zijn gecategoriseerd conform een landelijke kwalificatiestructuur. Voor het politieonderwijs stelt de Minister van Veiligheid en Justitie de kwalificatiestructuur vast, mede omdat de opleidingen uit die structuur door het Ministerie van Veiligheid en Justitie centraal worden gefinancierd. Het politieonderwijs is vormgegeven als een soort beroepsonderwijs. Met name het initiële politieonderwijs betreft meerjarige vormende beroepsopleidingen op verschillende niveaus.

3. Volledige regionalisering van de brandweer

3.1. Achtergrond en voorgeschiedenis regionalisering

De leden van de PvdA-fractie vragen een beschouwing over op de optimale schaal voor grootschalig ingrijpen bij rampen. Er wordt verwezen naar de lessen van rampen in Enschede en Volendam, maar inmiddels is daar de brand in Moerdijk bijgekomen. Ziet de regering de noodzaak voor verdere specialisatie en hoe kan dit het best georganiseerd worden?

De veiligheidsregio is de basis voor brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing. Deze schaal is de basis van waaruit de brandweerzorg, de rampenbestrijding en de crisisbeheersing worden opgebouwd. Uiteraard zijn er rampen en crisis mogelijk die het niveau van de veiligheidsregio ontstijgen. Dergelijke situaties kunnen worden aangepakt door middel van bovenregionale samenwerking en samenwerking tussen Rijk en regio. Om deze samenwerking te stimuleren, wordt momenteel, op basis van de 25 regionale dekkingsplannen, gewerkt aan één landelijk dekkingsplan. Dit landelijke dekkingsplan wordt in samenwerking met het Veiligheidsberaad opgesteld. Dit plan zal aangeven waar op dit moment specialismen zijn te vinden en waar sprake is van bovenregionale specialismen. Elke veiligheidsregio kent namelijk risico’s die vanwege hun aard specialistische kennis en kunde van de veiligheidsregio vereisen. Zoals ik ook heb aangegeven in mijn beleidreactie na de brand bij Chemie-Pack in Moerdijk (Kamerstukken II 2010/11, 26 956, nr. 110), vind ik het belangrijk dat veiligheidsregio’s die te maken hebben met specifieke risico’s, zich hier op specialiseren: de zgn. expertregio’s. Voor de ontwikkeling van het concept van expertregio’s heb ik een financiële bijdrage beschikbaar gesteld.

De leden van de SP-fractie merken op dat het wetsvoorstel een einde maakt aan de keuzevrijheid die de Wet veiligheidsregio’s gemeenten laat om al dan niet een gemeentelijke brandweerorganisatie in stand te houden en daar het personeel onder te brengen. Pas als blijkt dat de geleverde prestaties van een gemeentelijke brandweerorganisatie onder de maat zijn, kan een korps gedwongen worden te regionaliseren. In de memorie van toelichting lezen deze leden dat binnen de veiligheidsregio met een of meerdere gemeentelijke brandweerkorpsen ook voor de brandweerkorpsen de plicht tot onderlinge steunverlening geldt. In de huidige wet zijn waarborgen ingebouwd dat de veiligheidsregio, indien noodzakelijk, grootschalig op kan treden. In dat licht vragen zij wat de meerwaarde en de noodzaak is van deze gedwongen regionalisering en terugdringing van gemeentelijke autonomie, terwijl veel gemeenten aangeven dit niet te willen.

De leden van de CDA-fractie brengen in herinnering dat op grond van de Wet veiligheidsregio’s de brandweer feitelijk in het gehele land geregionaliseerd is, maar dat vooralsnog een keuze bestond voor elk college van burgemeester en wethouders een tweetal brandweertaken te laten uitvoeren door de gemeentelijke brandweer. Dit uitgangspunt werd op dat moment ook door deze leden gesteund. Het voorliggende wijzigingsvoorstel komt dan ook niet onverwacht. Deze leden vragen de regering of er naast uitvoering van de motie- Hennis-Plasschaert c.s nog andere dwingende argumenten zijn om de lokale brandweerzorg te beëindigen. Bovendien vragen zij of kan worden aangegeven wat de resultaten zijn van de monitoring van het functioneren van de lokale brandweerzorg in de veiligheidsregio.

De leden van de CU-fractie geven aan dat in de memorie van toelichting wordt geschreven dat regionalisering nodig is voor het behalen van de noodzakelijke kwaliteit, maar op dezelfde pagina staat dat gemeentelijke brandweerkorpsen al aan alle eisen aangaande de brandweer uit de Wet veiligheidsregio’s en de daarop gebaseerde besluiten moeten voldoen. Waarom is de regionalisering dan toch noodzakelijk voor de kwaliteit van de brandweerzorg?

De leden van de SGP-fractie merken op dat de regering van mening is dat voor het behalen van kwaliteit volledige regionalisering de beste oplossing is. Graag horen zij in hoeverre de regering concreet onderzoek heeft gedaan naar de kwaliteit van de lokale korpsen. Is er daar wel werkelijk sprake van een lagere kwaliteit? Er is toch juist ook op lokaal niveau veel aandacht geweest voor goede kwaliteit van de brandweerzorg? Is schaalvergroting volgens de regering per definitie een garantie voor betere kwaliteit?

Het wetsvoorstel draagt zorg voor een eenduidige aansturing van de brandweer door het bestuur van de veiligheidsregio en maakt derhalve een einde aan de huidige situatie waarin er meerdere (gemeentelijke) brandweerkorpsen per regio bestaan. Hierdoor is de weg vrij gemaakt voor een effectieve aansturing van de brandweer door één commandant en voor een efficiënte regionale inkoop, regionaal beheer van materiaal, regionale inrichting van onderwijs, regionale aansturing van alle oefeningen en het inrichten van opkomsttijden aan de hand van operationele, en niet gemeentelijke, grenzen. Het wetsvoorstel lost dus een organisatorisch vraagstuk op, en daaruit vloeit naar verwachting een kwaliteitsverbetering voort. Dit deel van het wetsvoorstel is bovendien de uitvoering van een motie die door een ruime meerderheid van de Tweede Kamer is ondersteund. Ik deel de opvatting van de indieners van de motie-Hennis-Plasschaert c.s. (Kamerstukken II 2010/11, 32 500 VI, nr. 23) dat regionalisering van de brandweer bijdraagt aan een moderne, krachtige en slagvaardige brandweerorganisatie.

Het functioneren van de lokale brandweerzorg in de veiligheidsregio’s wordt niet specifiek gemonitord. Ik kan daarom niet aangeven of er in concrete gemeentelijke korpsen sprake is van een verminderde kwaliteit. Wel zijn na het verschijnen van de laatste RADAR-rapportage (Kamerstukken II 2009/10, 29 517, nr. 40) jaarlijks voortgangsgesprekken gevoerd met individuele veiligheidsregio’s. Daarnaast werkt de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid aan de volgende «Staat van de rampbestrijding», die begin 2013 zal worden geleverd. Dan zal ik inhoudelijk in kunnen gaan op de daadwerkelijke prestaties die de verschillende veiligheidsregio’s leveren.

3.2. Afronding van het proces van regionalisering

De leden van de VVD-fractie vragen de regering nogmaals concreet in te gaan op de zorgen in de samenleving als gaat om de opkomsttijden, de variabele voertuigbezetting en de wijziging van 24-uurs naar 8-uursdiensten.

De opkomsttijden zijn helder vastgelegd in het Besluit veiligheidsregio’s en moeten per regio, in een democratisch gelegitimeerd proces, bestuurlijk worden vastgelegd in een dekkingsplan. Bij brief van 12 september (Kamerstukken II 2010/11, 29 517, nr. 51) heb ik het plan van aanpak van het onderzoek dat de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) zal uitvoeren naar de opkomsttijden aan de Tweede Kamer gestuurd. De IOOV zal het onderzoek uitvoeren in de tweede helft van 2011; ik verwacht de resultaten in februari 2012. Deze zal ik, voorzien van mijn reactie, aan de Tweede Kamer aanbieden.

Wat betreft de variabele voertuigbezetting verwijs ik naar mijn brief van 27 oktober 2011 (Kamerstukken II 2011/12, 29 517, nr. 53), waarbij de «Tussenrapportage variabele voertuigbezetting» is aangeboden aan de Tweede Kamer, met daarin het tussenoordeel van de IOOV over de onderzoeksopzet van het parapluproject «Variabele voertuigbezetting» van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding aan de Tweede Kamer. Ook is in die brief melding gemaakt van de ontwikkelingen ter zake sinds het Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie op 26 mei 2011.

Het is mij bekend dat in enkele veiligheidsregio’s de 24-uursdienst ter discussie staat en dat het brandweerpersoneel daarover zorgen heeft. De inroostering van brandweerpersoneel is echter een verantwoordelijkheid van de werkgever van het brandweerpersoneel waarbij de bescherming van de veiligheid, gezondheid en welzijn van brandweermensen voorop moet staan. Het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten maakt, mede namens het Veiligheidsberaad, met de vakbonden ABVAKABO FNV, CNV Publieke Zaak en de CMHF centrale afspraken over de arbeidsvoorwaarden voor het brandweerpersoneel, waaronder begrepen de maximale arbeidstijd en de minimale rusttijd. De combinatie van deze afspraken, de arbeidstijdenwetgeving en de Arbo-wet vormen het kader waarbinnen er vervolgens op lokaal niveau afspraken voor werktijden en roosters worden opgesteld.

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie de regering nader in te gaan op de zorgen die leven als het gaat om het opheffen van duikteams en de kosten die verbonden zijn aan de regionalisering (tot 30% hoger dan nu, mede door het zogenaamde terugdetacheren van personeel bij gemeenten).

Met betrekking tot de duikteams wijs ik erop dat de Wet veiligheidsregio’s niet vereist dat de regio’s beschikken over duikteams. Wel is het een taak van de brandweer om levensreddend op te treden voor mens en dier. De brandweer is hiervoor getraind en geoefend. Hoe die taak vervolgens concreet wordt ingericht, is een bestuurlijke en organisatorische keuze van het bestuur van de veiligheidsregio. Het rapport «Waterongevallenbeheersing Brandweer» dat in september 2010 door het Veiligheidsberaad is vastgesteld, bevestigt dat het een regionale verantwoordelijkheid van het bestuur van de veiligheidsregio is om op basis van een eigen risicoprofiel en van het interregionale waterrisicoprofiel keuzes te maken aangaande duikteams. Dit kan dus betekenen dat regio’s besluiten om duikteams op te heffen en de bestaande «natte» risico’s af te dekken door in te zetten op oppervlakteredding of grijpredding door «reguliere» brandweermensen.

Naar de financiële gevolgen van regionalisering van de brandweer heb ik een onderzoek ingesteld. De resultaten daarvan ik de Tweede Kamer aangeboden bij brief van 21 september 2011 (Kamerstukken II 2011/12, 29 517, nr. 52). Op basis van dit onderzoek worden de ontwikkel- en ontvlechtingskosten geraamd op een landelijk totaal van € 134 mln. Deze kosten, die van incidentele aard zijn, worden door de regio’s gezamenlijk goedgemaakt door besparingen van structurele aard tot een bedrag van circa € 18 mln. per jaar. Dit betekent dat gemiddeld genomen de incidentele kosten binnen een termijn van 7 jaar worden terugverdiend. Na die zeven jaar is macro gezien een break-even point bereikt en plukken de regio’s – ook in financiële zin – vanaf dat moment structureel de vruchten van de regionalisering. Verder geldt dat de veiligheidsregio’s vanaf het moment dat de wetswijziging van kracht wordt, de btw op brandweertaken niet langer gecompenseerd krijgen via de gemeenten. Dit nadelige financiële gevolg wordt vanaf dat moment volledig vergoed door overheveling van € 44,1 mln. uit het BTW-Compensatiefonds naar de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (rijksbijdrage) voor de veiligheidsregio's. Indien regio’s en gemeenten kiezen voor een model waarbij personeel in gemeentelijke dienst blijft of «teruggedetacheerd» wordt, moet btw afgedragen worden; deze is niet compensabel. Die keuze leidt dus tot een nadelige kostenverhoging van 19%.

De leden van de VVD-fractie hebben met instemming kennisgenomen van de opmerking in de memorie van toelichting dat burgemeesters verantwoordelijk blijven voor het vrijwilligersbeleid in de regio en dat de (vrijwillige) brandweerlieden, alleen al met het oog op de opkomsttijden, werkzaam kunnen blijven op hun lokale posten. Ook wordt er aangegeven dat brandweerlieden steeds meer worden belast met administratieve werkzaamheden en dat deze werkzaamheden na regionalisering kunnen worden uitgevoerd door beroepsfunctionarissen. Deze leden vernemen graag meer details over de aard van deze administratieve werkzaamheden. Waar moeten zij precies aan denken?

De leden van de SGP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat in de praktijk brandweerlieden steeds meer belast worden met administratieve werkzaamheden. Kan de regering aangeven om welk soort werkzaamheden dit gaat? Zijn dat administratieve werkzaamheden die eerst niet gebeurden of werden ze uitgevoerd door anderen?

Voorbeelden van administratieve werkzaamheden voor de brandweer zijn het registreren van arbeidstijden, het bijhouden van opleidingsdossiers, het opstellen en bijhouden van oefenschema’s en het opstellen en bijhouden van personeelsroosters. Een bevelvoerder moeten (soms zelfs nog papieren) formulieren invullen voor het verwerken van uitrukgegevens, voor het CBS, voor nodeloze meldingen OMS, presentielijsten, rapportageformulieren bij specifieke incidenten en bij de inzet van een specialisme, evaluatieformulieren bijzondere uitruk, formulieren bij defecten en voor het bijhouden van resultaten van oefeningen, etc. Bij gemeentelijke brandweren zijn deze brandweerspecifieke administratieve werkzaamheden soms nog op brandweerpost of gemeentelijk niveau belegd. Na regionalisering kunnen deze werkzaamheden op regionaal niveau worden gebundeld en kunnen de brandweerposten in de gemeenten ondersteuning krijgen van de regionale brandweer bij deze werkzaamheden.

De leden van de VVD-fractie merken op dat zij het uitgangspunt van één organisatie per regio die verantwoordelijk is voor alle brandweertaken, ondersteunen. Kan de regering bevestigen dat ook bij regionalisering rekening kan en moet worden gehouden met de verschillen binnen een regio? Wordt er bijvoorbeeld niet koste wat het kost getraind op hoogbouw als er in de verste verte geen hoogbouw te ontdekken is, maar wel heel veel stallen met paarden? Anders gezegd, kan de regering bevestigen dat er oog blijft voor de diversiteit binnen een regio?

Met dit wetsvoorstel wordt beoogd dat elke veiligheidsregio één brandweer heeft voor de basisbrandweerzorg in de gehele regio. Daarnaast moet de brandweer voorbereid zijn op alle branden, rampen en crises die door het bestuur van die veiligheidsregio in het risicoprofiel zijn beschreven. Het bestuur van de regio zal op basis daarvan in zijn beleidsplan de noodzakelijke capaciteiten en specialiteiten opnemen, en de voorbereiding en training daarop richten.

De leden van de PvdA-fractie ondersteunen het proces om te komen tot regionalisering. Zij constateren echter dat de keuze mogelijk blijft om het personeel in gemeentelijke dienst te laten, maar dat de regering het aannemelijk vindt dat het werkgeverschap over gaat op de veiligheidsregio. Deze leden vragen of overwogen is om ook het werkgeverschap op termijn gedwongen over te laten gaan naar de veiligheidsregio en waarom daar niet voor gekozen is. Voornoemde leden denken dat een overgang van werkgeverschap de voordelen van regionalisatie kan versterken. Wel zien zij dat een dergelijke ontvlechting tijd en geld kost en dat er goed nagedacht moet worden over het bieden van ruimte aan de lokale schaal van de basis brandweerzorg. Daarom vragen zij de regering te onderzoeken of ook regionalisatie van werkgeverschap mogelijk is en of de frictiekosten gecompenseerd kunnen worden zodat er geen obstakels zijn de voordelen van regionalisatie volledig te verzilveren.

Ik zie regionalisatie van het werkgeverschap als een belangrijke bouwsteen in de opbouw van een regionale brandweer, gebaseerd op het bestuurlijke uitgangspunt van de Wet veiligheidsregio: verlengd lokaal bestuur. Daarbij past dat ik niet meer doe dan aan te geven wat in mijn ogen de beste keuze is. Ik ben het met de leden van de PvdA-fractie eens dat een overgang van werkgeverschap de voordelen van regionalisatie kan versterken. Het overhevelen van de basisbrandweerzorg van gemeenten naar veiligheidsregio’s is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Het is aan de gemeenten om keuzes te maken over de inrichting van het personeelsbeleid binnen de regionale brandweer.

Op grond van de Financiële-verhoudingswet dient door het Rijk van beleidsvoornemens van het Rijk, die leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken, aangegeven te worden welke de financiële gevolgen van deze taakmutatie zijn. Gelet hierop is naar de financiële gevolgen en dus eventuele frictiekosten ten gevolge van de wetswijziging onderzoek gedaan. brief van 21 september 2011 (Kamerstukken II 2011/12, 29 517, nr. 52). Zoals hiervoor is uiteengezet, worden de ontwikkel- en ontvlechtingskosten geraamd op een landelijk totaal van € 134 mln, die binnen een termijn van 7 jaar worden terugverdiend. Na die zeven jaar plukken de regio’s – ook in financiële zin – structureel de vruchten van de regionalisering.

De regio’s die, voordat het wijzigingsvoorstel werd ingediend, op vrijwillige basis hebben besloten tot regionalisering, dan wel de intentie hiertoe hebben uitgesproken in een met de toenmalig minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties afgesloten convenant, ontvingen een bijdrage. Deze bijdrage had niet de bedoeling om de kosten van de regionalisering volledig te dekken, maar had het karakter van een tegemoetkoming. De motie-Anker (Kamerstukken II 2008/09, 31 117, nr. 24) heeft ertoe geleid dat ook de regio’s die geen convenant hadden afgesloten, een bijdrage ontvingen. Kortom, de frictiekosten worden op termijn terugverdiend en het merendeel van de veiligheidsregio’s heeft óf een convenantbijdrage óf een motie-Anker-bijdrage ontvangen.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts welke eisen gemeentebesturen kunnen stellen ten aanzien van het kwaliteitsniveau en de kosten als de lokale brandweerzorg moet worden overgedragen aan de regio. Deelt de regering de mening dat er sprake dient te zijn van hetzelfde kwaliteitsniveau tegen dezelfde maar feitelijk lagere kosten?

Gemeentelijke brandweren moeten nu al voldoen aan alle wettelijke eisen uit de Wet veiligheidsregio’s en de daar aan gekoppelde besluiten. Ditzelfde kwaliteitsniveau zal ook geleverd moeten worden door een regionale brandweer. Aanvullende wensen of eisen die gemeenten hebben ten aanzien van de brandweerzorg, kunnen worden geregeld tussen de gemeente en het bestuur van de veiligheidsregio, bijvoorbeeld in de gemeenschappelijke regeling van de veiligheidsregio. Naar de financiële gevolgen van de regionalisering is onderzoek uitgevoerd en daarin is aangetoond dat, op termijn, regionalisering efficiencywinst biedt. Voor een nadere omschrijving van deze efficiencywinst verwijs ik naar het antwoord op de vorige vraag.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts waarom er gesproken wordt van het opheffen van de lokale brandweer. Is het niet beter te spreken van integratie in de regionale brandweer?

Ik waardeer het voorstel van de CDA-fractie om te spreken van integratie van gemeentelijke brandweren in de regionale brandweer. Dat verwoordt precies de bedoeling van dit wetsvoorstel: het overhevelen van brandweertaken van de gemeenten naar de regio’s betekent geenszins dat gemeenten niet kunnen beschikken over de brandweer.

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat er regio’s zijn waarbinnen de meeste gemeenten de brandweertaak regionaliseerden, met uitzondering van één of enkele gemeenten, waar de brandweerzorg goed op orde is. Welke waarborgen worden er richting die gemeenten gegeven ten aanzien van hun inbreng aan personeel, waardering van het bezit en de hoogte van de gewenste bijdrage? Hoe kan worden gewaarborgd dat deze gemeenten een serieuze onderhandelingspositie hebben ten opzichte van een al bestaande organisatie? Hoe wordt voorkomen dat deze gemeenten die volstrekt handelden in overeenstemming met de wet, niet in een achterstandspositie komen? Welke garantie geeft de regering deze gemeenten? Wat gebeurt er als juist in deze situatie partijen het niet eens kunnen worden over de positie van personeel, waardering van bezit etc.?

In het wetsvoorstel wordt voor de overgang van personeel, materieel en eventueel bezit geen deadline is gesteld voor de overgang. Gemeenten en regio’s krijgen de tijd om in onderling overleg te werken aan de overdracht. Bij voldoende tijd en bestuurlijke bereidheid om een succes te maken van een regionale brandweer zie ik geen reden waarom enige gemeente in een achterstandspositie zou belanden.

De leden van de CDA-fractie refereren aan een gemeente die de brandweerzorg op orde heeft. Dat betekent dat deze gemeente voldoet aan de wettelijke eisen uit de Wet veiligheidsregio’s en aan de eisen uit de daar aan gekoppelde besluiten. In dat geval is er voor deze gemeenten geen enkel punt van zorg, daar de veiligheidsregio aan dezelfde kwaliteitseisen moet voldoen. Ik zie geen grond om aan te nemen dat deze gemeenten geen serieuze onderhandelingspositie hebben bij de overgang. Er vindt een overdracht van taken plaats van gemeenten naar het bestuur van de veiligheidsregio. Dit binnen de structuur van een veiligheidsregio; een structuur waar deze gemeenten al meer dan één jaar deel van uit maken en waarbinnen al geruime tijd wordt samengewerkt aan de verbetering van de brandweerzorg en rampenbestrijding. Ik deel de angst voor een eventuele achterstandspositie dan ook niet. Ik zie eerder het tegenovergestelde: de regio wordt verantwoordelijk voor het succes van de regionale brandweer en heeft het personeel en materieel van de gemeenten hard nodig om dit te bereiken. Dit onder de democratische controle van onder andere de gemeenteraad van de invoegende gemeente. Indien er een situatie ontstaat waarin de veiligheidsregio en een enkele gemeente het niet eens worden over de nadere invulling van de takenoverdracht, dan zal de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid de wijze waarop het bestuur van de veiligheidsregio uitvoering geeft aan de (brandweer-)taken, toetsen. De Minster van Veiligheid en Justitie staat het toezichtinstrumentarium uit § 14 van de Wet veiligheidsregio’s ter beschikking.

De leden van de CDA-fractie merken op dat door enkele gemeentebestuurders aan hen is gevraagd hoe de al jaren bestaande inzet van de brandweervrijwilliger bij lokale activiteiten blijvend kan worden geborgd. Zo levert de vrijwillige brandweer inzet bij manifestaties en/of optochten. Dit is jaren gebeurd met instemming van en onder verantwoordelijkheid van de burgemeester. Er zijn voorbeelden bekend waarbij nu al sprake is van volledige regionalisering, de burgemeester instemt met inzet van brandweervrijwilligers bij een traditionele lokale manifestatie en de organisatie ineens en voor het eerst wordt geconfronteerd met rekening van de brandweerregio. Deelt de regering de opvatting dat een dergelijke aanpak het draagvlak voor regionalisering zowel bij bestuur, brandweermensen als burgers/organisaties volledig onderuit haalt? Deze leden verwachten op dit punt een ondubbelzinnige reactie waaruit blijkt dat jarenlang gegroeide lokale gewoonten in redelijkheid blijven gerespecteerd.

De brandweer is er ten eerste voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand en ten tweede voor het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan brand. Dat zijn de twee basisbrandweertaken. Iedere burger heeft recht op een brandweer die zich richt op deze twee kerntaken. Indien brandweermensen zich inzetten voor lokale evenementen en manifestaties, en dat doen met het oog op de (brand)veiligheid, bestaat daartegen geen enkel bezwaar. Datzelfde geldt voor brandweermensen die zich in hun vrije tijd inzetten voor de samenleving bij traditionele lokale manifestaties. Dit is prijzenswaardig. Het is niettemin een regionale verantwoordelijkheid om afspraken te maken over de inzet van brandweervrijwilligers bij dergelijke activiteiten, met als uitgangspunt de brandweerzorg en de veiligheid van de burger.

De leden van de SP-fractie merken op dat veel brandweerlieden en gemeenten de gevolgen van de gedwongen regionalisering vrezen. De regering stelt in de memorie van toelichting dat betrokkenheid bij het reilen en zeilen van de lokale brandweerpost van de brandweervrijwilligers blijft gewaarborgd en de band die veel brandweerlieden hebben met hun lokale gemeenschap behouden blijft. Dat staat haaks op de geluiden die deze leden ontvangen van de werkvloer. Uit onderzoek van de SP onder 3701 brandweerlieden, zowel vrijwilligers als beroeps, blijkt dat 58% van de deelnemers de regionalisering van de brandweer niet zien zitten. Deze leden noemen tal van negatieve gevolgen die door de respondenten zijn gemeld. Verder geven deze leden aan dat 60% van de brandweerlieden een terugloop ziet in de hoeveelheid beschikbare vrijwilligers, en dat 45% hiervan als reden geeft dat vrijwilligers de regionalisering van de brandweer niet zien zitten. De leden van de SP-fractie vragen de regering waar zij de aanname in de memorie van toelichting over betrokkenheid van de vrijwilligers op heeft gebaseerd en verzoeken om een nadere onderbouwing.

De passages in de memorie van toelichting ten aanzien van de betrokkenheid van de brandweervrijwilligers zijn gebaseerd op gesprekken met vrijwilligers, gesprekken met vertegenwoordigers van vrijwilligers, werkbezoeken aan brandweren en voortgangsgesprekken met veiligheidsregio’s. Inmiddels heb ik met interesse kennis genomen van de SP-enquête. Ik stel de inspanningen van de SP zeer op prijs. Aanvullend op de SP-enquête heb ik de Vakvereniging voor Brandweervrijwilligers (VBV) gesubsidieerd om een webenquête te houden onder hun leden. Mijn reactie op de beide enquêtes zal ik, na ontvangst van de resultaten van de VBV-webenquête, snel aan de Tweede Kamer zenden.

De leden van de SP-fractie delen de zorgen van de bonden met betrekking tot de medezeggenschapspositie en de gebrekkige inspraakmogelijkheden van brandweerlieden na de gedwongen regionalisering. De regering geeft aan dit een verantwoordelijkheid te vinden van de veiligheidsregio’s. Als eerder gesteld zijn deze leden van mening dat de regionalisering gevolgen heeft voor de belangen van de werknemers in de brandweersector en dat dit niet mag worden overgelaten aan de veiligheidsregio’s. Zij vragen naar de mogelijkheden om ook op dit punt de inspraak van de werkvloer te verankeren in de wet.

De veiligheidsregio’s acht ik zeer wel in staat de medezeggenschap voor het brandweerpersoneel te regelen. De regio’s worden ondersteund door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, dat mede namens het Veiligheidsberaad, op centraal niveau het personeelsbeleid voor de brandweer af met de vakbonden ABVAKABO FNV, CNV Publieke Zaak en de CMHF afstemt. De inspraak van de werkvloer acht ik voldoende geregeld in de Wet op de ondernemingsraden. Ik zie geen noodzaak om aanvullend in dit wetsvoorstel de specifieke inspraak brandweermensen nader te regelen. Wel zal ik aanhoudend zijn in mijn boodschap aan regio’s dat een actief vrijwilligersbeleid de sleutel tot succes is bij regionalisering van de brandweer. In de praktijk wordt in sommige regio’s al de inspraak van vrijwilligers vormgegeven door zogeheten kwaliteitszetels in de ondernemingsraad of door het instellen van een aparte commissie voor vrijwilligers op basis van een overeenkomst tussen de brandweervrijwilligers en het regionale veiligheidsbestuur. Ik zal blijven bepleiten dat brandweervrijwilligers een podium nodig hebben om hun zorgen en ideeën met betrekking tot regionalisering onderling en met de verantwoordelijke bestuurders in de regio te delen.

De leden van de CU-fractie constateren dat met het onderhavige wetsvoorstel de brandweer wordt geregionaliseerd conform motie-Hennis-Plasschaert c.s. Deze leden constateren dat er veel onrust is onder brandweervrijwilligers over deze regionalisering. Ook zijn er zorgen over het opheffen van lokale brandweervoorzieningen zoals uitrukposten en duikteams. Zij vragen een overzicht van de ontwikkeling van het aantal brandweervrijwilligers in de laatste jaren en de verwachte ontwikkeling in de komende jaren en wat dit betekent voor de financiering van de brandweerfunctie aangezien de kosten voor beroepsbrandweer hoger zijn.

Uit cijfers van het CBS blijkt dat in de laatste vijf jaar per saldo 553 brandweervrijwilligers afscheid hebben genomen van de brandweer: het aantal brandweervrijwilligers is afgenomen van 21 960 in 2006 tot 21 407 in 2011. Het aantal vrijwilligers neemt dus af, maar van een massale uittocht van brandweervrijwilligers is geen sprake. Voor de komende jaren verwacht ik dat er voldoende vrijwilligers zullen blijven, als duidelijk kan worden gemaakt dat de brandweervrijwilligers in hun eigen omgeving zinvol worden ingezet, en dat de regionalisering ook voor de vrijwilligers voordelen biedt. Niet ontkend kan worden dat ook qua financiering de inzet van brandweervrijwilligers uitermate gewenst is. Dat is voor mij ook een van de redenen om het onderzoek van de NVBR en de VBV daadkrachtig te steunen.

De leden van de CU-fractie constateren dat in 14 veiligheidsregio’s nog niet is overgegaan tot volledige regionalisering. Dit betreft dus meer dan de helft van de regio’s. Deze leden vragen daarom hoeveel gemeenten momenteel nog een eigen brandweer kennen.

Ook de leden van de SGP-fractie vragen hoeveel gemeenten een gemeentelijke brandweer kennen.

Volgens cijfers van de Raad van Regionaal Commandanten zijn er nu 11 veiligheidsregio's volledig geregionaliseerd, zij het dat in Hollands Midden één gemeente een gemeentelijk korps heeft. De nog niet geregionaliseerde veiligheidsregio’s zijn: Noord-Holland Noord, Zaanstreek-Waterland, Zuid-Holland Zuid, Zeeland, Drenthe, Groningen, Friesland, Noord- en Oost Gelderland, Gelderland-Midden, Gelderland-Zuid, IJsselland, Twente, Brabant-Zuidoost en Limburg-Noord. Derhalve moet de conclusie zijn dat 237 gemeenten nog een gemeentelijke brandweer kennen. Overigens is het zo dat diverse regio’s werken aan de regionalisering, zodat er – volgens schema – per 1 januari 2014 sprake is van 21 volledig geregionaliseerde brandweren.

De leden van de CU-fractie constateren dat in genoemde veiligheidsregio’s wel al gefunctioneerd wordt binnen een regio. Indien opschaling nodig is, kan al gefunctioneerd worden als één korps. Genoemde leden missen daarom de argumentatie waarom regionalisering verplicht zou moeten worden. Waarom is het formeel bestaan van twee brandweerkorpsen die in de praktijk goed samenwerken geen ideale situatie?

De brandweer wordt momenteel in 14 veiligheidsregio’s door de gemeenten aangestuurd waar het de basisbrandweertaken betreft. In diezelfde regio’s bestaat een regionale brandweer, die wat betreft taken als inventarisatie brandrisico’s en advisering brandpreventie wordt aangestuurd door het bestuur van de veiligheidsregio. Dat is in mijn ogen voor zowel de brandweerprofessionals als het bestuur van de veiligheidsregio geen ideale situatie. Een effectieve aansturing van de brandweer houdt in dat er één bestuur is voor de brandweer in de veiligheidsregio. Eén bestuur dat verantwoordelijk is voor álle brandweertaken. Dit stelt regio’s in staat om daadwerkelijk inhoud te geven aan regionale brandbestrijding en stelt het bestuur van de regio in staat om te sturen op alle brandweerprocessen en niet op slechts enkele deelprocessen.

De leden van de CU-fractie brengen in herinnering dat de VNG heeft gepleit voor onderzoek naar het belang van lokale aansturing met betrekking tot veiligheidsregio’s, fysieke veiligheid en de regionale brandweer. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat dit pas zal worden gedaan bij de evaluatie van de wet veiligheidsregio’s. Genoemde leden pleiten ervoor dit onderzoek te vervroegen nu verschillende regio’s tot nu toe bewust gekozen hebben om de brandweer niet te regionaliseren en voor de politie in een ander wetsvoorstel inmiddels is gekozen voor de vorming van een nationale politie waarmee de oorspronkelijke uitgangspunten van de vorming van veiligheidsregio’s zijn verlaten.

De leden van de SGP-fractie brengen in herinnering dat de VNG in de consultatiefase heeft aangegeven het belangrijk te vinden dat er een duidelijke mogelijkheid is voor lokale aansturing. Ook deze leden vinden dit van belang. Wil de regering in overweging nemen om alsnog op korte termijn onderzoek te doen naar de mogelijkheden om lokale aansturing te verbeteren?

Met de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s wordt in oktober 2012 gestart. Dat is het aangewezen moment om het belang van lokale aansturing van fysieke veiligheid en de brandweer nader te onderzoeken, en om te bezien of er een noodzaak bestaat de gekozen structuur aan te passen. Op dit moment is het zaak voort te bouwen op de politieke keuzes en uitgangspunten, zoals verlengd lokaal bestuur en regionalisering van de brandweer, die zijn gemaakt bij de behandeling van de Wet veiligheidsregio’s. Ik vind het van belang dat de veiligheidsregio’s verder kunnen doorgroeien tot krachtige professionele organisaties.

De leden van de CU-fractie merken op dat in verschillende regio’s al is overgegaan tot regionalisering. Is dit inmiddels geëvalueerd en in hoeverre zijn de lessen hieruit verwerkt in het voorliggende wetsvoorstel?

De regionalisering van de brandweer in reeds geregionaliseerde regio’s is nog niet geëvalueerd. Wel zijn er uit het financieel onderzoek enkele heldere lessen te leren uit de ervaringen van verschillende regio’s die al zijn overgegaan tot regionalisering. Hieruit is naar voren gekomen dat de regionalisering op termijn leidt tot kostenbesparingen als gevolg van schaalvoordelen. Voor een nadere omschrijving van deze efficiencywinst verwijs ik naar mijn eerdere antwoord hierover. De veiligheidsregio’s die een geregionaliseerde brandweer kennen, geven aan dat een zorgvuldig overgangstraject cruciaal is voor een gedragen regionalisering. Daarom is in het wetsvoorstel alleen een deadline gesteld aan de opheffing van de gemeentelijke brandweerkorpsen. Weloverwogen is er geen deadline gekoppeld aan nadere uitwerking van deze beslissing. Het bestuur van de veiligheidsregio kan dit doen op eigen tempo en op basis van lokale inzichten. Ik accepteer dan dit proces niet in alle regio’s synchroon loopt.

Deze leden vragen op welke manier de betrokkenheid van brandweervrijwilligers bij hun korps wordt vergroot met dit wetsvoorstel nu de afstand tot het bestuur van de brandweer wordt vergroot. Bij wie moet de brandweervrijwilliger in de nieuwe situatie nu aankloppen? Wie is de werkgever? Brandweerlieden die nu nog bij een gemeentelijke brandweerorganisatie werkzaam zijn, zullen immers na invoering van bovenstaande wetswijziging worden aangestuurd door de veiligheidsregio. Het wetsvoorstel laat tegelijkertijd de ruimte dat zij formeel werkzaam blijven bij de gemeente, waardoor hun medezeggenschapspositie volgens genoemde leden onduidelijk wordt. Het is volgens de memorie van toelichting aan het bestuur van de veiligheidsregio om aandacht te geven aan de medezeggenschapspositie van het brandweerpersoneel. Deze leden vragen waarom hier niet gekozen is voor centrale afspraken of regelingen waaraan in ieder geval moet worden voldaan die desgewenst kan worden aangevuld met regionale afspraken. Juist in een organisatie met zoveel vrijwilligers en de transitie naar de veiligheidsregio’s vinden genoemde leden het van belang dat de medezeggenschap goed geregeld is en dat brandweervrijwilligers ook mee kunnen praten op regionaal en bovenregionaal niveau.

Gezien de structuur van de veiligheidsregio is het niet aan mij als minister van Veiligheid en Justitie om in te grijpen in zaken die de rechtspositie betreffen van gemeentelijk personeel. Ik zie het als mijn taak om op hoofdlijnen, door middel van taakallocatie en door het stellen van kwaliteitseisen het systeem van brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing in te richten. Zo zijn er ook geen bepalingen in de Wet veiligheidsregio’s opgenomen over het personeel van de GHOR of het personeel dat werkzaam is in de gemeentelijke rampbestrijdingsprocessen. In geregionaliseerde regio’s waar een actief vrijwilligersbeleid wordt gevoerd, is de betrokkenheid van brandweermensen bij hun de lokale brandweerpost behouden gebleven, en de regionalisering heeft geen afbreuk gedaan aan de band die brandweerlieden hebben met hun lokale gemeenschap. In succesvol geregionaliseerde regio’s zet de regio zich stevig in om de betrokkenheid van vrijwilligers bij het regionale beleid en de lokale brandweerpost te behouden. Regelmatig overleg en inspraakavonden vinden daar plaats. Brandweermensen hebben daar een podium voor hun zorgen en kunnen actief meewerken aan oplossingen. Verder verwijs ik naar mijn eerdere antwoorden met betrekking tot de inspraak.

De leden van de SGP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het onderbrengen van de gemeentelijke brandweer op regionaal niveau een effectieve en efficiënte manier is om de gesignaleerde tekorten in kwaliteit, effectiviteit en doelmatigheid weg te nemen. Zij vragen of bij die efficiëntie ook gedacht is aan de mogelijkheid dat veel vrijwilligers er grote moeite mee hebben om steeds meer op regionaal niveau te moeten gaan werken. Is het in dat licht wel zo efficiënt en doelmatig om de brandweerzorg op regionaal niveau te regelen? Is het risico niet groot dat veel vrijwilligers zullen stoppen en dat daarvoor in de plaats andere mensen gevonden moeten worden?

Voor de antwoorden op de bovenstaande vragen van de leden van de SGP-fractie wil ik graag verwijzen naar mijn eerdere antwoorden op vragen van de leden van de fractie van de SP.

De leden van de SGP-fractie merken op dat het aantal brandweerkazernes in de loop van de jaren sterk is afgenomen. Zij maken zich hier zorgen over, omdat juist bij brand een snelle aanwezigheid van de brandweer van cruciaal belang is. Daar zijn vaak mensenlevens mee gemoeid. Deze leden vragen de regering dan ook om aan te geven op welke manier voorkomen wordt dat regionalisering ertoe leidt dat er nog meer lokale kazernes verdwijnen. Op welke manier gaat de regering er bij regionalisering voor zorgen dat de brandweer lokaal verankerd blijft?

De inrichting van de brandweerorganisatie, de aantallen en de ligging van kazernes en de lokale verankering van de brandweer zijn een decentrale verantwoordelijkheid. De brandweer zal ten behoeve van de opkomsttijden die aan de basisbrandweerzorg zijn gekoppeld altijd binnen de vastgestelde tijd ter plekke moeten zijn en daarom moet ook een regionale brandweer altijd een lokale aanwezigheid hebben. De garantie voor de lokale verankering van de brandweer ligt daarom als het ware besloten in de taken van diezelfde brandweer. Het is in de brandbestrijding eenvoudigweg onmogelijk om geen rekening te houden met de lokale situaties. Gemeenten beslissen echter gezamenlijk binnen hun veiligheidsregio over het al dan niet aanhouden van lokale kazernes. De inrichting van deze kazernes of brandweerposten is gekoppeld aan de verantwoordelijkheid die het bestuur van de veiligheidsregio heeft gekregen bij de Wet veiligheidsregio’s. Daarin is, in artikel 14, tweede lid, onder f, bepaald dat het beleidsplan, dat het bestuur van de veiligheidsregio vaststelt, in ieder geval de voor de brandweer geldende opkomsttijden bevat en dat daarin ook een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen, die noodzakelijk zijn voor de brandweer om aan deze opkomsttijden te voldoen, zijn opgenomen. De veiligheidsregio’s bevinden zich dan ook in een proces waarbij de opkomsttijden van de brandweer worden vastgesteld op basis van operationele grenzen en niet langer op gemeentelijke grenzen. Daarom kan soms een lokale brandweerpost worden gesloten, omdat uit berekeningen blijkt dat aanrijden vanuit een andere nabij gelegen kazerne sneller is.

Graag vernemen de leden van de SGP-fractie of de regering de indruk heeft dat gemeenten die een gemeentelijke brandweer hebben, geen doelmatige besteding van publieke middelen nastreven? Wat zijn naar de mening van de regering de argumenten van die gemeenten om een lokale brandweer te hebben? Deze leden lezen dat er 14 veiligheidsregio’s zijn die niet alle brandweertaken uitvoeren. Graag vernemen zij van de regering wat de argumenten van die regio’s zijn om niet alle brandweertaken op regionaal niveau uit te voeren. Zou dit te maken kunnen hebben met de in die regio’s als het beste geachte taakverdeling?

Er heeft inderdaad geen onderzoek plaatsgevonden naar de doelmatigheid van de bestedingen door gemeenten. Wel worden de uitgaven van gemeenten jaarlijks gemonitord en wordt dit in de zogeheten «Periodieke Onderhoudsrapportage» weergegeven. Dit is geen onderzoek naar doelmatige besteding. Het is aan de gemeenten zelf om te beslissen hoe de middelen uit het Gemeentefonds (en ook andere inkomsten) worden ingezet. Wel is uit onderzoek naar voren gekomen dat regionalisering kosten bespaart, omdat er door een andere wijze van organiseren minder kosten zullen zijn en er eenvoudiger besparingen zijn te behalen (bijvoorbeeld minder overhead).

De argumenten van gemeenten om een gemeentelijke brandweer te hebben verschillen. Sommige gemeenten hebben het besluit genomen na een gemeentelijke herindeling waarna een stevige reorganisatie had plaatsgevonden. In weer andere gemeenten was geen behoefte aan een volgende structuurwijziging. Het argument aangaande «taakverdeling» is in mijn gesprekken met besturen van veiligheidsregio’s niet genoemd.

In de praktijk is er een diverse invulling van de manier waarop regio’s zijn ingericht. Zijn er binnen de bestaande veiligheidsregio’s voorbeelden van verdere decentralisatie in districten of andere eenheden? Blijft die mogelijkheid ook in de praktijk bestaan?

Binnen veiligheidsregio’s wordt momenteel op verschillende wijze invulling gegeven aan regionalisering van de brandweer. Oprichting van brandweerdistricten is een optie. Ik ben niet voornemens om dergelijke mogelijkheden te verhinderen of om bepaalde mogelijkheden van regionaliseringvormen voor te schrijven. Ik wil een moderne, krachtige en slagvaardige brandweerorganisatie en accepteer dat er meerdere manieren zijn om dit te bereiken.

De leden van de SGP-fractie merken op dat krachtens artikel 25, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s de regionale brandweer onder leiding staat van een commandant. Tegelijkertijd bestaat er wel een bevoegdheid voor burgemeester inzake rampen en ongevallen. Deze leden vragen wie in een geval van een concrete ramp de leiding heeft over de uitvoering van de brandweertaken. Wat is in dat geval de concrete bevoegdheid en taak van de burgemeester?

Het gezag over de brandweer bij een brand of bij andere ongevallen is en blijft bij de burgemeester, conform artikel 4 Wet veiligheidsregio’s. In geval van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis, of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, heeft de voorzitter van de veiligheidsregio het gezag over de brandweer. Het is dus afhankelijk van de effecten van een brand of ramp wie het gezag over de brandweer uitoefent.

3.3. Samenhang tussen regionale brandweer en nationale politie

De leden van de CU-fractie merken op dat voor de nationale politie wordt voorgesteld over te gaan tot 10 regio’s in plaats van aansluiting te zoeken bij de 25 veiligheidsregio’s. Deze leden hebben al hun zorgen geuit over deze opschaling bij de politie. Gevolg hiervan is ook dat er allerlei bestuurlijke overlegconstructies en ambtelijke afstemming nodig zijn omdat de brandweer wel gaat opereren op de schaal van veiligheidsregio’s. Genoemde leden vragen hoeveel fte er gepaard gaat met de extra benodigde coördinatie en afstemming en hoe dit gefinancierd gaat worden. Gaat dit ten koste van het aantal brandweerlieden?

Met de komst van de nationale politie verandert de aard van de functionele samenwerking tussen de hulpdiensten niet. Wel zullen de huidige afspraken over de manier waarop de multidisciplinaire samenwerking op het terrein van de rampen- en crisisbeheersing wordt vormgegeven, moeten worden vertaald naar de nieuwe situatie. Deze vertaling kan plaatsvinden binnen de reguliere afstemming tussen de hulpdiensten. De afspraken zien onder meer op de afstemming van de beleidsplannen van de veiligheidsregio met het beleidsplan van de regionale politie-eenheid, de samenwerking bij het opstellen van het risicoprofiel en de samenwerking in de meldkamer. Na regionalisering van de brandweer kunnen dergelijke afstemmingswerkzaamheden worden opgepakt door de regionale brandweer, zodat de operationele brandweermensen zich kunnen concentreren op hun kerntaken.

4. Financiële gevolgen voor het Rijk en decentrale overheden

De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat voor wat betreft de financiële consequenties van het wetsvoorstel er wordt verwezen naar een ingesteld onderzoek. Op 21 september 2011 stuurde de minister van Veiligheid en Justitie het resultaat van dat onderzoek naar de Kamer (Kamerstuk 29 517, nr. 52). Is de conclusie juist dat de minister van Veiligheid en Justitie niet bijdraagt in de kosten van regionalisering omdat de gemeenten deze kosten op termijn terug verdienen? Is de btw-compensatie voldoende bij een overgangstermijn van maximaal twee jaar, zoals deze leden voorstaan? Overigens vragen deze leden van de CDA-fractie in dit verband ook naar de zienswijze van de regering over verdeling van de kosten van kwaliteitsverbetering. Deelt de regering de opvatting dat kwaliteitsverbeteringen en/of overige besluiten met financiële consequenties die door het Rijk aan de regio’s worden opgelegd dienen samen te gaan met een al dan niet structurele financiële bijdrage?

De veiligheidsregio’s verdienen de kosten van regionalisering op een termijn van ongeveer zeven jaar terug. Ik deel dan ook niet de opvatting van de CDA-fractie dat kwaliteitsverbeteringen en/of overige besluiten met financiële consequenties die door het Rijk aan de regio’s worden opgelegd, dienen samen te gaan met een structurele financiële bijdrage. Het Rijk dient op grond van de Financiële-verhoudingswet bij een wijziging als deze aan te geven wat de financiële gevolgen daarvan zijn. Op deze financiële gevolgen ben ik hiervoor reeds ingegaan.

Wat betreft de btw-compensatie geldt dat vanaf het moment dat de nu voorgestelde wetswijziging in werking treedt, er een overheveling zal plaatsvinden van een bedrag van € 44,1 mln. uit het BTW-Compensatiefonds naar de BDUR. Van een overgangstermijn van twee jaar is dan ook geen sprake.

De leden van de SP-fractie merken op dat er onderzoek is gedaan naar de financiële gevolgen van de gedwongen regionalisering. Geconcludeerd wordt dat de gehele regionaliseringsopgave € 134 mln. kost. De regering concludeert vervolgens dat de kosten voor de baat uitgaan, omdat binnen een periode van zeven jaar dit bedrag terugverdiend is door besparingen die de regionalisering op zou leveren. Is het juist dat de regering niet voornemens is de gemeenten en de korpsen financieel te ondersteunen bij het proces van regionalisering? Deze leden maken zich hierover zorgen. De regering stelt dat de extra uitgaven die de gemeenten daar in de beginjaren voor zullen moeten doen kunnen worden beschouwd als een investering in een doelmatiger organisatie van de brandweer. Veel gemeenten hebben echter op dit moment door bezuinigingen helemaal geen geld voor een dergelijke investering. De gevolgen worden ook al zichtbaar. Er worden in verschillende korpsen kazernes en posten gesloten en er wordt zelfs gesproken over het oprekken van opkomsttijden. Er wordt dus niet geïnvesteerd in de brandweer, zoals de regering stelt, maar bezuinigd. Graag ontvangen deze leden een reactie op dit punt.

Het terrein van brandweer, GHOR, rampenbestrijding en crisisbeheersing ontkomt dan ook niet aan ingrepen. Wel zijn deze ingrepen op rijksniveau zeer beperkt. Met ingang van 2012 zal een korting van 1,5%, oplopend tot 6% in 2015 op de rijksbijdrage (BDUR) plaatsvinden. De uitgaven voor brandweer en rampenbestrijding bedragen worden hybride gefinancierd. Het merendeel (circa 90%) wordt door de gemeenten gefinancierd en het Rijk draagt voor circa 10% bij. Gelet op het beperkte rijksdeel in de totale omvang van de uitgaven, zijn de gevolgen hiervan beperkt. In de afgelopen tien jaar groeide de rijksbijdrage voor de veiligheidsregio's evenwel met een factor 8 en nam het macrobudget voor de gemeentelijke uitgaven op het beleidsterrein toe met een factor 2,5. Er is dus sprake van een meer dan substantiële groei, die ver uitgaat boven de prijspeilontwikkeling. Ik wil daarom benadrukken dat na vele jaren van forse groei van de budgetten er mijns inziens ruimte gevonden kan worden om taakstellingen en bezuiniging op te vangen. Te meer omdat er door gezamenlijke inspanning ook omstandigheden worden geschapen, waarin de veiligheidsregio’s beter kunnen samenwerken, samen kunnen investeren en efficiënter en effectiever hun middelen kunnen inzetten. De instelling van het Instituut Fysieke Veiligheid wil ik in dit verband noemen als de belangrijkste stimulans en kans voor de veiligheidsregio’s in dit verband. Ik zal niet toestaan dat er bezuinigingen plaatsvinden die leiden tot een verslechtering van het veiligheidsniveau in Nederland.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering in de memorie van toelichting meldt dat er onderzoek plaatsvindt naar kosten, besparingen en efficiencyvoordelen. Deze leden verbazen zich erover dat dit onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden, terwijl in het wetsvoorstel wel het uitgangspunt is dat er sprake is van een doelmatiger besteding van de middelen. Hoe heeft de regering dan tot die conclusie kunnen komen? Zou het niet voor de hand hebben gelegen om dat onderzoek naar de kosten en besparingen te doen voor indiening van het wetsvoorstel?

Het onderzoek naar de kosten, besparingen en efficiencyvoordelen is gestart voordat het wetsvoorstel is ingediend, maar door de (langer dan verwachte) doorlooptijd ervan waren de resultaten nog niet bekend toen het wetsvoorstel werd ingediend. Wachten met indiening was ongewenst met het oog op de (toen) beoogde datum van inwerkingtreding. Inmiddels is het onderzoek afgerond, waaruit naar voren is gekomen dat de verwachting juist is.

5. Consultatie

De leden van de SP-fractie merken op dat de bonden in hun reactie een aantal punten aansnijden, zoals de onduidelijkheid met betrekking tot de eindverantwoordelijkheid voor de brandbestrijding en de aanbeveling om te komen tot een eenduidige organisatorische inrichting van elke veiligheidsregio (één organisatiemodel). De regering gaat hier niet op in, anders dan de constatering dat de reacties niet hebben geleid tot wijziging van het voorstel. Deze leden vinden dat erg mager. Zij constateren dat de bonden nuttige aanbevelingen doen en vragen de regering alsnog hierop in te gaan.

De leden van de CU-fractie constateren dat de schriftelijke reacties van de gezamenlijke vakorganisaties en van de VBV niet hebben geleid tot wijziging van het wetsvoorstel. Deze leden vragen om een gemotiveerde reactie op deze ingebrachte punten.

De leden van de SGP-fractie merken op dat de bijdragen van de VBV en de vakcentrales niet hebben geleid tot wijziging van het wetsvoorstel, en zij vragen een toelichting op de achtergrond hiervan. Deze leden vragen of er inzake medezeggenschap en betrokkenheid van werknemers en vrijwilligers niet meer te zeggen is dan dat het de verantwoordelijkheid van het bestuur van de veiligheidsregio is. Gebeurt dit op dit moment ook in de praktijk?

In hun brief van 7 maart 2011 hebben de gezamenlijke vakorganisaties, waaronder de Vakvereniging voor Brandweervrijwilligers (VBV), de volgende voorstellen tot wijziging van de wetswijziging gedaan:

  • a. bied in het proces ruimte voor een achterbanraadpleging;

  • b. de gezamenlijke vakorganisaties roepen het Ministerie op de respectievelijke bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de veiligheidsregio’s en de huidige gemeentelijke opperbevelhebbers, d.w.z. de burgemeesters, te verduidelijken;

  • c. de gezamenlijke vakorganisaties stellen dat het wenselijk is meer duidelijkheid te scheppen over de formele medezeggenschapspositie van het brandweerpersoneel;

  • d. de gezamenlijke vakorganisaties stellen voor om te komen tot een eenduidige organisatorische inrichting van elke veiligheidsregio (één organisatiemodel), en daardoor de minister de beoogde duidelijkheid en slagkracht op gebied van voorkomen en bestrijden te bereiken;

  • e. herzie de bestuursstructuur van het op te richten IFV in het licht van de respectievelijke taken die het IFV en de veiligheidsregio's moeten gaan uitvoeren; en de mogelijke dubbele rollen die de bestuurders van de veiligheidsregio's hierbinnen zouden gaan spelen;

  • f. onderzoek de mogelijkheden om de werknemersvertegenwoordiging binnen het IFV een formele rol te geven, zodat de belangen en expertise van de werknemers binnen de nieuwe structuur geborgd worden.

Op 8 maart 2011 heeft de VBV separaat een reactie gezonden met adviezen en voorstellen. In verband met mijn reactie op beide brieven, wordt in de weergave van de punten de opsomming voortgezet:

  • g. verzoek om met het wetgevende proces rekening te houden met inpassing van resultaten van de achterbanraadpleging;

  • h. onderzoek de nadelen in genoemde grootschaligheid en buig deze om in voordelen ten bate van de voorliggende plannen;

  • i. ontwerp een uniforme regionale modelorganisatie gebaseerd op de primaire kerntaken die «lean & mean» is voor de ondersteunende functies en management;

  • j. onderzoek de alternatieven voor directe invloed en zeggenschap van de 22 000 Brandweer Vrijwilligers in hun kazernes om zo draagvlak te creëren om zo de lokale betrokkenheid te handhaven;

  • k. onderzoek de mogelijkheid tot versterking van de lokaal georganiseerde zelfredzaamheid en burgerparticipatie van Brandweervrijwilligers in relatie tot regionalisatie. De VBV meent dat als een deel van de organisatie van de brandweer, zoals rampbestrijding meer centraal (regionaal) wordt georganiseerd, er tegelijkertijd een beweging op gang moet komen die de lokale brandweerzorg versterkt.

  • l. geef ten aanzien van het IFV duidelijkheid over de toekomstige ontwikkelingen teneinde de kosten en baten op korte en lange termijn te kunnen doorrekenen.

  • m. m.het bestuur van de IFV op te delen in werkgevers en werknemersposities en zo de aansturing in belans te organiseren.

  • n. breng de Brandweeronderwijsraad niet onder bij het IFV maar een onafhankelijke positie te geven naar analogie van de Politieonderwijsraad.

Hieronder geef ik graag mijn beknopte reacties op de aangedragen punten, die ik soms combineer:

Ad a en g. Het ministerie van VenJ heeft de VBV subsidie verleend voor het

uitvoeren van een webenquête. De uitkomsten hiervan zijn naar verwachting eind november beschikbaar. Tevens is op verzoek van de VBV is de consultatieperiode van het voorliggende wetsvoorstel met twee weken verlengd en hebben de VBV en de vakcentrales (ABVAKABO FNV/CNV/CMHF) mondeling

Ad b. Ten aanzien van de vermeende onduidelijkheid met betrekking tot de eindverantwoordelijkheid voor de brandbestrijding ben ik van mening dat het wetsvoorstel de eindverantwoordelijkheid voor de brandweerorganisatie juist duidelijker wordt belegd, namelijk enkel en alleen bij het bestuur van de veiligheidsregio’s. Het bestuur zal straks in alle veiligheidsregio’s verantwoordelijk zijn voor alle brandweertaken. Het gezag over de brandweer bij een brand of andere ongevallen zal bij de burgemeester blijven. Echter in geval van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis, of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, heeft de voorzitter van de veiligheidsregio het gezag over de brandweer. Het is dus afhankelijk van de effecten van een brand of ramp wie het gezag over de brandweer uitoefent.

Ad c en j. Ik vind dit zeer waardevolle bijdragen, vandaar dat ik ook het eerder genoemde project van de NVBR en VBV «Visieontwikkeling vrijwilligheid ten behoeve van de brandweer», waarin dergelijke voorstellen kunnen worden verkend en onderzocht, van harte ondersteun. Zoals ik ook heb aangegeven in het antwoord op vragen van leden van de SP-fractie en van de SGP-fractie, zie ik geen noodzaak in dit wetsvoorstel de inspraak van brandweermensen nader te regelen.

Ad d en i. Graag verwijs ik ook naar mijn antwoorden op de vragen van de SGP-fractie over het voorschrijven van één organisatiemodel.

Ad e, f en m. Op deze vragen wordt in dit verslag uitvoerig ingegaan bij de beantwoording van de vragen van de leden van de SP-fractie en van de CDA-fractie naar de betrokkenheid en de vertegenwoordiging van werknemers en brandweervrijwilligers bij het Instituut.

Ad h. Ik zie niet in dat een regionale brandweer zal lijden onder grootschaligheid. In elke veiligheidsregio bestaat reeds een regionale brandweer en een regionale GHOR. De taken van de gemeentelijke brandweren gaan over naar de veiligheidsregio en dat stelt deze gemeentelijke brandweren in staat om ook de organisatorische, financiële en kwalitatieve vruchten van regionalisering te plukken.

Ad k. Ik vind dat elke regionale brandweer zich moet inspannen ook zorg te dragen voor de lokale brandweerzorg. Ik laat dat graag over aan de regio’s, maar ik zie daarin vooral een taak voor actieve vrijwilligers, die de lokale situatie kennen.

Ad l. De hoogte van de kosten voor de wettelijke taken van het IFV veranderen niet. Deze wettelijke taken worden, met uitzondering van de brandweerexamens (tarieven), bekostigd door de Minister van Veiligheid en Justitie. Daarnaast is met de direct betrokken afgesproken dat de huidige rijksbijdrage (niveau Kaderbrief 2011) worden ingebracht in het IFV. Daarnaast hebben de veiligheidsregio’s de mogelijkheid om gemeenschappelijke werkzaamheden bij het IFV te beleggen. Hiervoor zijn veiligheidsregio’s geen btw meer verschuldigd.

Ad n. De Politieonderwijsraad is ingesteld door de Minister van Veiligheid en Justitie en is een adviesorgaan voor de Minister van Veiligheid en Justitie. De Brandweeronderwijsraad (BOR) is ingesteld door de VNG, het Veiligheidsberaad en de NVBR. De BOR is een adviesorgaan op het gebied van het brandweeronderwijs voor de werkgevers van het brandweerpersoneel (veiligheidsregio’s en gemeenten). De veiligheidsregio’s met inliggende gemeenten zijn immers primair verantwoordelijk voor het opleiden, bijscholen en oefenen van het brandweerpersoneel, als afgeleide van artikel 10, onderdeel d, van de Wet veiligheidsregio’s. De BOR zal separaat van de onderwijsactiviteiten binnen het IFV worden gepositioneerd, waardoor de onafhankelijkheid van de BOR is geborgd.

Verwijzend naar de reactie van de VBV, vragen de leden van de CU-fractie een overzicht van de omvang van de overhead binnen de brandweer. Is er een analyse gemaakt in hoeverre de overhead met de invoering van dit wetsvoorstel wordt verkleind, zo vragen deze leden.

Een analyse van de overhead bij de brandweer is niet beschikbaar. Het is echter evident dat de overhead bij de brandweer vermindert, indien het beheer van de brandweer volledig op regionaal niveau wordt belegd. Ik ga er van uit dat de veiligheidsregio’s efficiencyslagen kunnen maken. Het is aan de individuele regio’s om deze slag te maken. Wel is uit het onderzoek naar de financiële gevolgen van de regionalisering naar voren gekomen dat er met name kostenbesparingen zijn te realiseren bij de functies die als overhead zijn aan te merken (de zogenaamde PIOFACH-functies). Deze kostenbesparingen bedragen totaal voor alle regio’s circa € 16 mln. Dit wetsvoorstel biedt dus duidelijk kansen om de overhead binnen de brandweer te verkleinen.

Genoemde leden vragen een reactie op de brief van de VBV van 8 maart 2011 waarin een vergelijking wordt getrokken met de zogenaamde community response teams in Amerika. Daar is er voor gekozen om juist meer verantwoordelijkheid bij de burgers neer te leggen, een vorm van georganiseerde zelfredzaamheid. Dit staat haaks op wat diezelfde wetenschappers gulzig bestuur noemen, aldus de VBV. Deze leden vragen om een reactie van de regering op de stelling van de VBV dat dat nu wel is wat gebeurt met de regionalisering. Deelt de regering de mening dat als een deel van de organisatie van de brandweer, zoals rampbestrijding meer centraal (regionaal) moet, er tegelijkertijd een beweging op gang moet komen die een versterking en vergrote zichtbaarheid van de lokale brandweerzorg, meer lokaal inbedt? Zo ja, is de regering bereid juist in deze tijden van financiële schaarste te gaan investeren in het vrijwilligersbeleid binnen de brandweer en met dit wetsvoorstel de positie van de vrijwillige brandweer te versterken?

Mijn visie is kortweg: «in het grote moet men het kleine organiseren». Ik vind dat elke regionale brandweer zich moet inspannen ook zorg te dragen voor de lokale brandweerzorg. Ik laat dat graag over aan de regio’s, maar ik zie daarin vooral een taak voor actieve vrijwilligers, die de lokale situatie kennen. Daarom is het ook belangrijk dat besturen van veiligheidsregio’s weten wat er onder vrijwilligers leeft en kennis hebben van lokale details en dat de unieke elementen aan het vrijwilligerschap behouden blijven. Maar het blijft nadrukkelijk wel een regionale verantwoordelijkheid.

Zoals reeds eerder gemeld is de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding samen met de Vakvereniging voor Brandweervrijwilligers, met financiële steun van het Ministerie van Veiligheid en Justitie met een project gestart dat gaat over de toekomst van brandweervrijwilligers. Dit project «Visieontwikkeling vrijwilligheid ten behoeve van de brandweer» gaat er voor zorgen dat professionals zelf meedenken en bijdragen. Ik wil dus nadrukkelijk de direct betrokkenen in staat stellen om hun visie en voorstellen ter versterking van de vrijwillige brandweer te realiseren.

II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

Onderdeel E

De leden van de CU-fractie merken op dat besturen van de veiligheidsregio’s gemeenschappelijk taken kunnen uitbesteden aan het Instituut, maar dat dit niet verplicht is. Deze leden hechten waarde aan de vrijheid van de veiligheidsregio’s maar vragen waarom er niet gekozen is om een beperkte lijst van taken vast te stellen die wel verplicht via het Instituut lopen om een effectieve inzet van het Instituut mogelijk te maken. Zij vragen daarom om een nadere motivatie per taak voor de keuze om de verplichting te vervangen door een kan- bepaling.

Gemeenten en veiligheidsregio’s ontvangen (afgezien van geoormerkte subsidies) hun financiële middelen van het Rijk uit het Gemeentefonds en de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDUR). Gemeenten en regio’s beschikken over bestedingsvrijheid ten aanzien van deze middelen volgens de Financiële verhoudingswet en het besluit BDUR. Ik kan en wil geen afbreuk doen aan deze bestedingsvrijheid door gemeenten en veiligheidsregio’s te verplichten bepaalde werkzaamheden aan het IFV op te dragen.

Onderdeel M

De leden van de SGP-fractie vragen of de inlichtingen alleen gevraagd mogen worden in het kader van de bevoegdheid op basis van artikel 72 van de wet. Heeft de Minister van Veiligheid en Justitie geen mogelijkheid voor inlichtingen die niet rechtstreeks gaan over (vermoedens van) ernstige taakverwaarlozing?

Artikel 71 bepaalt dat het IFV de minister desgevraagd de inlichtingen verstrekt die hij nodig heeft met het oog op zijn bevoegdheid om in te grijpen bij ernstige verwaarlozing van een wettelijke taak. De beperking ligt in de binding aan die taak. De inlichtingenplicht van het IFV is dus niet beperkt tot de situatie van ernstige taakverwaarlozing. Los hiervan verkrijgt de Minister van Veiligheid en Justitie informatie door middel van de periodieke overleggen met het bestuur van het IFV over de voortgang van taakuitvoering van de wettelijke taken. Ook beoordeelt hij het deel van de begroting van het IFV dat betrekking heeft op de wettelijke taken. En de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid houdt toezicht op de uitvoering van deze taken door het IFV.

Artikel II

Onderdeel B

De leden van de PvdA-fractie lezen dat het Instituut ook een aantal taken zal vervullen voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de BES-eilanden). Zij vragen hoe het bestuur van deze eilanden betrokken wordt bij het bestuur van het IFV en of deze eilanden ook in de gelegenheid gesteld worden hun zienswijze te geven over de ontwerpbegroting en het ontwerpbeleidsplan.

De leden van de CDA-fractie spreken waardering uit voor het feit dat er, zij het op zeer bescheiden wijze, sprake is van aandacht voor de situatie op de BES-eilanden door aanpassing van de Veiligheidswet BES. Met de bestuurders op de eilanden is afgesproken dat zowel bij nieuwe wetten als bij wijzigingen en/of aanvullingen van bestaande wetten met hen zal worden overlegd en zo mogelijk een effectentoets zal worden uitgevoerd. Kan worden aangegeven of daarvan bij dit wijzigingsvoorstel ook sprake is?

Het IFV zal de wettelijk taken continueren die het Nifv en het Nbbe nu ook uitvoeren voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de BES-eilanden). De bestuurscolleges en de korpsbeheerder brandweer worden op dezelfde wijze als de veiligheidsregio’s in staat gesteld hun zienswijze over de jaarstukken en de eisen en standaarden naar voren te brengen. Dit is geregeld in artikel 35, derde lid, van de Veiligheidswet BES (nadat deze is gewijzigd conform de tekst van artikel II, onderdeel B, van dit wetsvoorstel).

Omdat er materieel niets wijzigt voor de BES-eilanden, ontbrak noodzaak om hierover overleg te voeren. De BES-eilanden worden uiteraard wel geïnformeerd.

Artikel VI

De leden van de CDA-fractie hebben gelezen dat de VNG pleit voor een overgangstermijn voor volledige regionalisering van minimaal twee jaar. Het ontvlechtingsproces moet zorgvuldig gebeuren. Het wetsvoorstel gaat echter uit van een termijn van drie maanden. Deze leden delen het standpunt van de VNG dat een termijn van drie maanden te ambitieus is. Zij nodigen de regering uit het wetsvoorstel zodanig te wijzigen dat er sprake is van een overgangstermijn van maximaal twee jaar. Op deze manier wordt enerzijds bewerkstelligd dat de gewenste doelstelling (volledige regionalisering) is vastgelegd en anderzijds krijgen de gemeenten tijd via een zorgvuldig tijdspad zo nodig de gewenste stappen voor te bereiden en te nemen. De gemeenten kunnen er immers nog steeds voor kiezen om het eigendom van kazernes niet over te dragen en het personeel in gemeentelijke dienst te houden.

Voornoemde leden merken voorts op dat in artikel VI, eerste lid, een besluit van het college wordt genoemd en in het tweede lid wordt aangegeven dat het bestuur van de veiligheidsregio na dit besluit de lokale taak overneemt. In de praktijk kan er tussen het nemen van het besluit en de effectuering ervan tijd zitten. Dit klemt te meer gezien de wens van deze leden om een overgangstermijn van maximaal twee jaar te hanteren. Is het niet logischer om in het tweede lid als volgt te formuleren: «na effectuering van het besluit als bedoeld in lid 1 etc.»?

Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel is het tijdspad als volgt: binnen drie maanden na inwerkingtreding van het wetsvoorstel moeten de verschillende colleges van B&W hun gemeentelijke brandweer opheffen. Na dit besluit is het bestuur van de veiligheidsregio verantwoordelijk voor álle brandweertaken en moeten de gemeenten de gemeenschappelijke regeling, die aan de veiligheidsregio ten grondslag ligt, wijzigen in verband met de invlechting van de gemeentelijke brandweerkorpsen in het regionale korps. Aan dit proces is in het wetsvoorstel weloverwogen geen deadline gekoppeld. Het bestuur van de veiligheidsregio kan dit doen op eigen tempo en op basis van lokale inzichten. Ik accepteer dan dit proces niet in alle regio’s synchroon loopt.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


X Noot
1

Kamerstukken II 2010/11, 32 841, nr. 5, Capgemini Consulting/Twynstra Gudde, Brandweeronderwijs in Nederland, naar een volgende stap, mei 2011.

X Noot
2

Kamerstukken II 2010/11, 32 841, nr. 5, Capgemini Consulting/Twynstra Gudde, Brandweeronderwijs in Nederland, naar een volgende stap, mei 2011, blz. 55.

X Noot
3

Kamerstukken II 2010/11, 32 841, nr. 5, Capgemini Consulting /Twynstra Gudde, Brandweeronderwijs in Nederland, naar een volgende stap, mei 2011, blz. 59.

Naar boven