Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 september 2018
Tijdens het VAO over inburgering en integratie van 5 juli jl. (Handelingen II 2017/18,
nr. 103, VAO Inburgering en integratie) heb ik naar aanleiding van de aangehouden
motie van het lid Jasper van Dijk (SP) over Nederlands taalaanbod voor Europese arbeidsmigranten
(Kamerstuk 32 824, nr. 231) uw Kamer toegezegd schriftelijk uiteen te zetten welke mogelijkheden er in dit kader
al zijn. Met deze brief doe ik deze toezegging gestand.
Europese arbeidsmigranten zijn niet inburgeringsplichtig. Europese regelgeving met
betrekking tot vrij verkeer staat dit in de weg. Er is in die zin voor Europese arbeidsmigranten
geen plicht om de Nederlandse taal te leren. Een plicht om Nederlands te leren kan
wel ontstaan in het geval dat een arbeidsmigrant een bijstandsuitkering ontvangt en
hij of zij onvoldoende Nederlands spreekt.
Taalvaardigheid is een belangrijke werknemersvaardigheid. Als werkgevers medewerkers
in dienst hebben die de Nederlandse taal onvoldoende machtig zijn, kan dit leiden
tot veiligheidsrisico’s, productieverlies, slechtere klantcontacten, hoger ziekteverzuim
en/of problemen met op- en omscholing bij innovatie. Vanuit dit perspectief hebben,
eerst het Ministerie van SZW en later de Leerwerkloketten van UWV, met succes individuele
werkgevers en branches benaderd om te investeren in de taalvaardigheid van medewerkers
en daarmee in hun eigen bedrijf. Zie hiervoor het Taalakkoord werkgevers: www.taalakkoord.nl. Het Taalakkoord werkgevers maakt deel uit van het interdepartementale programma
Tel mee met Taal. Vanuit ditzelfde programma is er nu voor het tweede jaar een subsidie
beschikbaar voor taalscholing van medewerkers bij bedrijven. Veel werkgevers die meedoen
met het Taalakkoord werkgevers en/of gebruik maken van de subsidie hebben EU migranten
in dienst.
Wat betreft veiligheid zijn de bepalingen in de Arbowetgeving van belang. Op grond
van artikel 5 van de Arbowet moet de werkgever in een risico-inventarisatie en evaluatie
(de RI&E) schriftelijk vastleggen welke risico’s de arbeid met zich brengt. In deze
RI&E is een plan van aanpak opgenomen, waarin is aangegeven welke maatregelen worden
genomen in verband met de bedoelde risico’s. Als uit de RI&E blijkt dat taal een aandachtspunt
is, moet de werkgever passende maatregelen nemen.
Verder moet de werkgever op grond van artikel 8 van de Arbowet zorgen dat de werknemers
«doeltreffend» worden ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan
verbonden risico’s, alsmede over de maatregelen gericht op het voorkomen of beperken
van die risico’s. Hiermee wordt bereikt dat maatregelen worden genomen als taalbeheersing
een risico vormt en dat werknemers worden geïnformeerd over risico’s en genomen maatregelen
in een taal die zij begrijpen. Aanvullend hierop kunnen werkgevers en werknemers-
als dat nodig is – hierover afspraken maken in de arbocatalogus. Ter ondersteuning
van afspraken over taal in arbocatalogi heeft de Stichting van de Arbeid een handreiking
«Taal en veiligheidsrisico’s ontwikkeld.
Voor sommige risicovolle beroepen geldt een certificatieplicht. Denk bijvoorbeeld
aan kraanmachinisten of asbestverwijderaars. Voor EU-onderdanen die in zo’n beroep
werkzaam willen zijn, bestaat al de verplichting de Nederlandse taal voldoende te
beheersen.
De concrete omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht zijn bepalend voor het
niveau waarop de Nederlandse taal beheerst moet worden. Soms is een minimaal niveau
afdoende. In die gevallen waarin de werknemers in het beroep waarvoor een certificatieplicht
geldt, de overige werknemers en andere personen waarmee zij moeten communiceren allemaal
eenzelfde maar een andere taal dan het Nederlands spreken wordt dit ook als afdoende
beschouwd.
Het leren van de Nederlandse taal is weliswaar voor Europese onderdanen niet verplicht.
Er zijn wel legio mogelijkheden om de Nederlandse taal op vrijwillige wijze te leren.
In het kader van Tel mee met Taal is er een infrastructuur van taalhuizen en taalpunten
ontwikkeld die laaggeletterden (daar vallen ook de mensen die weliswaar in de eigen
taal niet laaggeletterd zijn, maar in het Nederlands (nog) wel) helpt met het vinden
van een geschikt taalaanbod. Gemeenten kunnen vanuit hun educatiebudget taalcursussen
bekostigen. Diverse gemeenten bieden niet-inburgeringsplichtigen taal- en inburgeringsprogramma’s
aan. Zie voor een recent voorbeeld het programma van de gemeente Den Haag «SamenHaags».
Daarnaast zijn er verschillende gratis mogelijkheden op internet om de Nederlands
taal te leren. Bijvoorbeeld NT2taalmenu.nl of Oefenen.nl, waarvan bekend is dat een
groot gedeelte van de deelnemers hieraan van Poolse afkomst is. Anderstaligen kunnen
ook gebruik maken van het aanbod van lokale taalvrijwilligers. In de brochure Nieuw
in Nederland, die er in verschillende Europese talen is, worden Europese arbeidsmigranten
ingelicht over deze mogelijkheden.
Op deze verschillende manieren wordt er op dit moment tegemoet gekomen aan de wens
en/of plicht van Europese arbeidsmigranten om de Nederlandse taal (beter) te leren.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W. Koolmees