Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201832824 nr. 220

32 824 Integratiebeleid

Nr. 220 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 april 2018

In mijn brief aan uw Kamer van 4 februari jl. (Kamerstuk 32 824, nr. 203) heb ik geschetst hoe ik de wachttijden bij het examenonderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt (ONA) wil terugbrengen. Met deze brief informeer ik u, conform mijn toezegging in het Algemeen Overleg Inburgering en Integratie (Kamerstuk 32 824, nr. 201), over de uitvoering hiervan.

Tevens informeer ik u met deze brief over de huidige stand van zaken aangaande de wachttijden en over de versterking van de opdrachtgever-opdrachtnemer relatie tussen mijn ministerie en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) op het vlak van inburgering.

In de regeling van 3 april 2018 tot wijziging van de Regeling inburgering in verband met het aanpassen van het praktijkexamen oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt (Stcrt. 2018, nr. 19740) is voor inburgeraars de mogelijkheid gecreëerd om per 1 mei 2018 af te zien van het eindgesprek van het ONA examen. Voorwaarde daarvoor is dat aantoonbaar tenminste 64 uur ONA-onderwijs is gevolgd bij een cursusinstelling met het Blik op Werk keurmerk. ONA-onderwijs kan uit drie onderdelen bestaan (theorie, praktijk, maken portfolio). Als onderdeel van het keurmerk houdt Blik op Werk toezicht op het inburgeringsonderwijs.

Indien van de 64 uur variant gebruik wordt gemaakt, wordt het ingediende portfolio door DUO beoordeeld en gecontroleerd op plagiaat (het kopiëren of overtypen van (delen van) reeds bestaande portfolio’s). Daartoe is met de wijziging van de Regeling inburgering voorgeschreven dat portfolio’s voor de 64 uur variant digitaal moeten worden ingediend.

Indien er sprake is van plagiaat kan het portfolio op grond van artikel 3.6 van het Besluit inburgering ongeldig worden verklaard en moet de inburgeringsplichtige opnieuw een portfolio opstellen en ter beoordeling voorleggen. In dit geval moet de inburgeringsplichtige het examengeld voor dit onderdeel opnieuw voldoen.

Voorts heb ik uw Kamer toegezegd te onderzoeken in hoeverre het mogelijk is om werkenden (zowel in loondienst als zelfstandigen) vrij te stellen van de verplichting tot het doen van het ONA-examen. Voor inburgeraars die reeds aan het werk zijn, is het immers minder zinvol om zich door middel van het ONA-examen te oriënteren op de arbeidsmarkt. Een dergelijke vrijstelling vergt een wijziging van het Besluit inburgering en neemt tenminste een half jaar proceduretijd in beslag. Dit betekent dat deze wijziging niet eerder dan 1 januari 2019 kan ingaan.

Voor deze vrijstelling is een definitie van «werk» nodig. Als definitie van werk kies ik ervoor dat degene die vrijstelling wil aanvragen gedurende een halfjaar een betrekkingsomvang van minimaal 12 uur per week moet hebben gehad.

Het CBS hanteert vanaf 2015 in de statistieken het 1 uur criterium om te bepalen of iemand al dan niet over werk beschikt. Voor het verlenen van vrijstelling van het ONA-examen acht ik het gedurende 1 uur per week deelnemen aan de Nederlandse arbeidsmarkt echter te beperkt; er is dan immers nauwelijks sprake van kennismaking/oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt. Vóór 2015 hanteerde het CBS een ruimere definitie, die door het CBS nog steeds wordt gebruikt in verschillende overzichten. Het gaat dan om het criterium van het hebben van een betrekkingsomvang van 12 uur of meer. Dit sluit beter aan bij hetgeen ik voor ogen heb. De halfjaarstermijn waarin gewerkt is, moet in de 12 maanden voorafgaand aan het moment van aanvraag om vrijstelling zijn gerealiseerd.

Er wordt met het UWV aan gewerkt om de controle op dit 12 uurs criterium op een administratief zo eenvoudig mogelijke wijze vorm te geven. Daarnaast wordt in overleg met het Ministerie van Financiën bezien of er voor zelfstandige ondernemers een vergelijkbaar criterium kan worden ontwikkeld. Daarbij wordt gedacht aan het hanteren van een minimum omzetcriterium of een urencriterium dat in de belastingwetgeving is opgenomen. Over de uitvoeringsconsequenties hiervan zal ook met het Ministerie van Justitie en Veiligheid (IND) en DUO overleg worden gepleegd.

De wachttijden bij het aanmelden voor de examens zijn voor een groot deel verholpen. Onder andere door de openstelling van twee nieuwe toetslocaties, in Utrecht en Oisterwijk. Door het verruimen van het aantal beschikbare uren bij beoordelaars en het aantrekken van extra beoordelaars zijn de wachttijden bij het beoordelen van het examenonderdeel spreken gedaald van circa 16 weken naar 8 weken en voor schrijven naar 14 weken (peildatum 18 april 2018). De daling gaat langzamer dan verwacht doordat er in het totaal aantal afgelegde examens nog een verdere stijging is opgetreden. De wachttijd voor het kunnen afleggen van het ONA eindgesprek is ondanks het aantrekken van extra examinatoren ondertussen opgelopen tot 17 weken. De verwachting is dat deze wachttijd snel ingelopen zal worden vanaf het moment dat (op 1 mei 2018) de 64 uur variant voor ONA mogelijk wordt gemaakt.

Samen met DUO worden de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten gehouden.

Tenslotte geef ik in deze brief aan welke maatregelen ik heb getroffen om de opdrachtgever-opdrachtnemer relatie tussen mijn ministerie en DUO te versterken.

Behalve dat op alle niveaus het overleg is geïntensiveerd, is onder andere afgesproken dat DUO en SZW frequenter de dataverzameling zullen analyseren (verwachte instroom nieuwkomers in relatie tot de benodigde examencapaciteit en benodigde examinatoren). Verder wordt er op basis van deze analyse gewerkt aan het bouwen van modellen die inzichtelijk maken welke parameters het meest van invloed zijn op de veranderende aantallen. Deze parameters en de fluctuaties daarin worden iedere twee maanden geanalyseerd. Verder is afgesproken dat, naast de reeds bestaande procedures rondom nieuwe regelgeving (uitvoeringstoets door DUO), ook vroegtijdig de uitvoeringsconsequenties van wijzigingen in beleid nadrukkelijker in beeld worden gebracht.

Gedurende het jaar wordt de uitvoering gemonitord aan de hand van vier-maandsrapportages die op operationeel managementniveau worden besproken. Op basis van de vier-maandsrapportages kunnen op strategisch niveau (directeurenoverleg) bijstellingen in de gemaakte afspraken plaatsvinden en worden vastgesteld.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees