32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid

Nr. 213 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 november 2016

Met deze brief ontvangt uw Kamer de publicatie Cultuur in Beeld 20161. In deze brief informeer ik uw Kamer over deze publicatie, die inzicht geeft in de culturele en creatieve sector. Deze publicatie is gebaseerd op onderzoek en op gegevens van het CBS, het SCP, de cultuurfondsen, brancheorganisaties, gemeenten en het Ministerie van OCW. De publicatie geeft een breed cijfermatig beeld van de ontwikkelingen in de culturele en creatieve sector. In deze brief ga ik nader in op een drietal actuele thema’s: diversiteit, spreiding en arbeidsmarkt. Ik kies voor deze thema’s omdat deze actueel zijn en prioriteiten zijn in mijn cultuurbeleid.

Diversiteit

Het cultuurpubliek in Nederland is divers. Leeftijd, geslacht en etniciteit bepalen mede de eigen smaak en voorkeuren. Ook factoren als woonplaats, opleidingsniveau en inkomen zijn van invloed op de kans dat iemand culturele instellingen bezoekt en op het type instellingen dat mensen bezoeken.

Steeds meer inwoners van Nederland hebben wortels in het buitenland, doordat ze er zijn geboren of doordat hun ouders ervandaan komen. Op dit moment telt Nederland 16,9 miljoen inwoners waarvan 3,7 miljoen van buitenlandse achtergrond. De komende decennia zal het allochtone deel van de bevolking groeien.

Het cultuurpubliek vormt geen afspiegeling van de veranderende bevolkingssamenstelling. Dit baart mij zorgen. Het raakt aan het draagvlak voor cultuur in de samenleving. De Raad voor Cultuur constateerde in zijn advies over de culturele basisinfrastructuur 2017–2020 dat instellingen beperkt invulling geven aan de Code culturele diversiteit. De plannen van de instellingen richten zich meestal wel op een divers aanbod en een divers programma, maar de invulling van de andere pijlers van de Code, diversiteit van personeel en partners, is de raad minder tegengekomen.2 Ik ben het met de Raad eens dat er kansen om een meer en breder samengesteld publiek te trekken, onbenut blijven. Dit geldt zeker voor instellingen in de grote steden, waar ongeveer de helft van de inwoners een cultureel diverse achtergrond heeft.

Al eerder heb ik uw Kamer laten weten dat ik culturele diversiteit zie als een onderwerp dat meer aandacht verdient.3 Het Nederlands cultuurbeleid dat mij voor ogen staat is inclusief: het is bedoeld voor alle inwoners van Nederland. Ik vind dat culturele instellingen en makers de verbinding met álle bevolkingsgroepen in de samenleving moeten opzoeken. In de artistieke keuzes die ze maken, in de manier waarop ze een instelling of gezelschap runnen, en in het publiek dat ze met hun aanbod willen bereiken. Dit draagt bij aan een ruim en divers cultureel aanbod. En als de toezichthouders en bestuurders meer divers zijn, zullen zij ook kritischer zijn op dit punt. Het werkt goed om toezichthouders van buiten je eigen kring in je midden te hebben. Het is dan ook belangrijk dat alle culturele instellingen invulling geven aan alle vier de pijlers van de Code culturele diversiteit.

Daarmee is niet gezegd dat er geen goede initiatieven zijn. De Raad was bij de beoordeling van aanvragen erg positief over de plannen van sommige cultuurinstellingen die gericht inzetten op het trekken van een jonger publiek en nieuwe makers uit alle groepen van de samenleving. Die ambitie bleek ook duidelijk uit de woorden van Pierre Audi, toen bekend werd dat de Nationale Opera de Internationale Opera Award had gewonnen. Hij had het over «de noodzaak om risico’s te nemen en vernieuwingen toe te passen, het plezier waarmee wij aan educatie doen en onze ervaringen delen met een nieuwe generatie van makers en toeschouwers uit alle geledingen van de bevolking.'4 De Raad merkte ook op dat veel theatergezelschappen in navolging van het rapport van de commissie-Ter Horst werk maken van een nieuw en ander publiek.5

Maar over het algemeen liggen er nog veel kansen voor de culturele instellingen om een breder publiek te bereiken en om beter aan te sluiten bij een doorsnede van de bevolking, zowel voor als achter de schermen van schouwburgen, musea en concertpodia. In de beschikkingen voor de nieuwe subsidieperiode heb ik alle instellingen in de basisinfrastructuur opgelegd dat zij jaarlijks rapporteren over de concrete resultaten die zij boeken om een nieuw en divers samengesteld publiek te bereiken. Ik stel dit onderwerp jaarlijks expliciet aan de orde in de monitorgesprekken met de instellingen. Ook verwacht ik van de Raad voor Cultuur dat hij ook de komende jaren op dit punt achter instellingen aan zit, en in zijn monitorgesprekken instellingen hierover bevraagt.

Op de conferentie Cultuur in Beeld 2016, op 7 december in Rotterdam, is diversiteit het hoofdthema. Er vinden op de conferentie inhoudelijke bijeenkomsten plaats over diversiteit. Ook worden goede voorbeelden gedeeld.

Spreiding

Cultuur in Beeld 2016 bevat gegevens over de spreiding van het rijksgeld voor cultuur over de regio’s, de spreiding van gesubsidieerde instellingen naar regio, de regionale spreiding van uitvoeringen en bezoeken aan rijksgesubsidieerde podiumkunstgezelschappen.

Het aantal bezoeken aan rijksgesubsidieerde instellingen in 2015 is met 266 bezoeken per 1000 inwoners het hoogst in het westen en het laagst in het zuiden, met 103 bezoeken per 1.000 inwoners. Het aantal bezoeken per landsdeel is sterk gekleurd door de aanwezigheid van de G9-gemeenten. Amsterdam telde met 1.121 per 1.000 inwoners de meeste bezoeken. Daarna volgen Arnhem (617) en Enschede (511). Utrecht telt 480 bezoeken per 1.000 inwoners en Groningen 446. Hierna volgen de andere twee gemeenten in het westen, Den Haag met 431 bezoeken en Rotterdam met 429 bezoeken per 1.000 inwoners. De twee G9-gemeenten in het zuiden kennen de minste bezoeken. Maastricht telt 415 bezoeken per 1.000 inwoners, Eindhoven 301.6

De spreiding van het cultureel aanbod is voor mij een belangrijk aandachtspunt. Cultuur moet voor alle Nederlanders toegankelijk zijn.

Verschillende overheden, cultuurfondsen en private fondsen financieren cultuur in aanvulling op elkaar. Zo geven ze gezamenlijk vorm aan het cultuurbeleid. Het rijk stelt overigens meer middelen voor cultuur in de regio’s beschikbaar dan enkel via de basisinfrastructuur en de cultuurfondsen, maar zet zich ook op andere manieren in voor een aanbod aan cultuur in alle regio’s van het land. Bijvoorbeeld door de bijdrage van het rijk aan rijksmonumenten en cultuureducatie. In alle provincies ontvangen eigenaren van rijksmonumenten subsidie van het rijk en het rijk draagt via programma’s als Cultuureducatie met kwaliteit en Meer muziek in de klas in alle provincies bij aan cultuureducatie.

Daarnaast is het zo dat vrijwel alle instellingen die gesubsidieerd worden via de basisinfrastructuur of door de cultuurfondsen van het rijk, reizen door het land. Ook regio’s waar geen rijksgesubsidieerde instellingen zijn gevestigd, kunnen van een divers en aantrekkelijk cultuuraanbod profiteren.

Geografische spreiding is via de basisinfrastructuur goed verankerd in de subsidieregeling waarmee een evenwichtige spreiding van culturele voorzieningen over het land gewaarborgd wordt. De Raad voor Cultuur heeft over de aanvragen 2017–2020 conform de regeling geadviseerd. Het Fonds Podiumkunsten heeft de subsidies volgens een puntensysteem verdeeld. In dat puntensysteem kregen instellingen uit de regio en instellingen die veel in de regio optreden extra punten bij de beoordeling. De Raad en het Fonds hebben naar mijn mening in hun adviezen over de aanvragen voor de periode 2017–2020 goed rekening gehouden met spreiding. Ik ben overigens met de Tweede Kamer van mening dat een extra investering in de regio gewenst is. Daarom heb ik een sterke regionale invulling gegeven aan de € 10 miljoen die ik op Prinsjesdag extra ter beschikking heb gesteld.7

Arbeidsmarkt

Uit Cultuur in Beeld 2016 blijkt dat het aantal banen bij structureel gesubsidieerde instellingen (door de fondsen en OCW) is afgenomen van 8.110 in 2010 tot 7.120 in 2015. Dit is een afname van 12 procent. Dit is vergelijkbaar met de ontwikkeling in de gehele culturele en creatieve sector. De gegevens van 2014 en 2015 bevestigen het beeld dat eerder is vastgesteld: in de culturele en creatieve sector komen er steeds minder banen en komen er meer zelfstandigen bij.8 Inkomens in de culturele en creatieve sector liggen gemiddeld, vergeleken met andere sectoren, gemiddeld altijd al lager. De SER en de Raad voor Cultuur wijzen er in echter op dat de inkomens verder onder druk zijn komen te staan.

Net als de Raad en uw Kamer maak ik mij zorgen over de arbeidsmarktpositie van kunstenaars. In mijn brief van 31 mei 2016 heb ik een aantal maatregelen aangekondigd om de arbeidsmarktpositie van kunstenaars te versterken.9 Ik heb het advies van de Raad voor Cultuur overgenomen om € 2 miljoen te besteden aan maatregelen met een duurzame werking. Die maatregelen gaan over drie zaken: versterking van de arbeidsmarktpositie, betere beloning en ondersteuning van kleinschalig ondernemerschap, vooral voor zzp’ers. De sector heeft een eigen verantwoordelijkheid op deze punten. Ik ondersteun hen hierbij.

In mijn brief van Prinsjesdag heb ik bekend gemaakt voor een eventueel vervolg van deze activiteiten € 500.000 te reserveren. Een keuze over de besteding van dit bedrag maak ik mede op grond van de eerste resultaten en ervaringen. Ik heb in mijn brief van 31 mei toegezegd uw Kamer te informeren over het vervolg. Intussen zijn Kunsten »92 en de cultuurfondsen van het rijk begonnen met de door hen voorgenomen activiteiten. De cultuursector heeft de Raad voor Cultuur en de SER gevraagd om een vervolg op hun verkenning. Ik kijk hier met belangstelling naar uit. In reactie op de motie van de leden Monasch en Van Dijk treed ik in overleg met de Autoriteit Consument & Markt en belanghebbenden over versterking van de onderhandelingspositie van zelfstandigen in de culturele sector.10 Ik zal de Kamer voor het eind van dit jaar informeren over de voortgang van dit overleg en over de mogelijkheden die kunstenaars binnen de wet hebben om samen te werken. Ook op de conferentie Cultuur in Beeld is de arbeidsmarkt voor de culturele en creatieve sector een belangrijk thema.

Tot slot

Met deze brief heb ik uw Kamer geïnformeerd over de publicatie Cultuur in Beeld, en ben ik ingegaan op een drietal actuele beleidsthema’s. Ik kijk met plezier uit naar de conferentie Cultuur in Beeld, waar ik als hoofdthema het onderwerp diversiteit heb geagendeerd.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Raad voor Cultuur, Advies basisinfrastructuur 2017–2020,2016, mei 2016,

http://bis2017–2020.cultuur.nl

X Noot
3

Kamerstuk 32 820, nr. 209, p. 29.

X Noot
4

NOS, Nationale Opera jaar lang beste gezelschap ter wereld, 15 mei 2016, http://nos.nl/artikel/2105243-nationale-opera-jaar-lang-beste-gezelschap-ter-wereld.html.

X Noot
5

Commissie Ter Horst, Over het voetlicht. Naar een groter en diverser toneelpubliek, 2015.

X Noot
6

Zie Cultuur in Beeld 2016, hoofdstuk 3

X Noot
7

Brief besluiten culturele basisinfrastructuur 2017–2020, Kamerstuk 32 820, nr. 211

X Noot
8

Raad voor Cultuur, SER, Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, 2016, https://www.ser.nl/nl/actueel/nieuws/2010–2019/2016/20160122-verkenning-arbeidsmarkt-cultuursector.aspx.

X Noot
9

Brief beleidsreactie op de verkenning arbeidsmarkt cultuur en advies versterking arbeidsmarktpositie kunstenaars, Kamerstukken 29 544 en 32 820, nr. 721

X Noot
10

Kamerstuk 32 820, nr. 194

Naar boven