32 813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid

BM VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 19 augustus 2025

De vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Klimaat en Groene Groei over het definitief ontwerp-Klimaatplan 2025–2035. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 24 juni 2025.

  • De antwoordbrief van 21 juli 2025.

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, Karthaus

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN / KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Minister van Klimaat en Groene Groei

Den Haag, 24 juni 2025

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 27 mei 2025 over het definitieve ontwerp-Klimaatplan 2025–2035.2 De leden van de fracties van de BBB en PvdD hebben naar aanleiding hiervan een aantal nadere vragen en opmerkingen. Het fractielid van OPNL sluit zich graag aan bij de gestelde vragen door de fractieleden van de BBB.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De fractieleden van de BBB stellen dat hoewel u in totaal 5,6 miljard euro aan uitvoeringsmiddelen heeft uitgetrokken voor gemeenten en provincies (2023–2030), de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) constateert dat een toename van 45% nodig is met betrekking tot de capaciteit. U maakt voor provincies 50 miljoen euro beschikbaar (2026–2030), maar voor gemeenten zijn «geen aanvullende middelen beschikbaar gesteld,» terwijl de kortingen op de Specifieke Uitkeringen (SPUK's) doorgevoerd worden.3 De fractieleden van de BBB vragen hoe u verwacht dat gemeenten hun fors toegenomen en complexe klimaat- en energietaken, inclusief die vanaf 2026, effectief kunnen uitvoeren zonder extra financiering. En hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot vertraging of verminderde kwaliteit van de uitvoering van het Klimaatplan?

Capaciteit is nu al een probleem bij de gemeenten, terwijl er dus 45% capaciteit extra nodig is voor uw plannen. Wat kunt u nu al doen om toekomstige capaciteitsproblemen bij de uitvoering van het Klimaatplan bij gemeenten te voorkomen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD

De fractieleden van de PvdD vragen of het bekend is hoeveel «duurzame» luchtvaartbrandstoffen (ook wel Sustainable Aviation Fuels, SAF) sinds de bijmengplicht zijn gebruikt in Europa en Nederland.

Hoeveel (op EU en Nederlands niveau) van dit totaal aan SAF zijn biogrondstoffen versus synthetische kerosine?

Hoeveel (op EU en Nederlands niveau) van de voor SAF gebruikte biogrondstoffen hebben een dierlijke versus een plantaardige oorsprong?

Volgens de informatie bekend bij de fractieleden van de PvdD mogen de volgende dierlijke biogrondstoffen worden gebruikt als SAF (of andere biobrandstof of biogas):

  • Part A van Annex ix van de RED Directive4, namelijk:

    • D. biomass fraction of industrial waste not fit for use in the food or feed chain, including material from retail and wholesale and the agro-food and fish and aquaculture industry

    • F. Animal manure and sewage sludge

  • Part B van Annex ix van de RED Directive, namelijk

    • «animal fats classified as categories 1 and 2 in accordance with Regulation (EC) No 1069/2009».

Klop dit of zijn er nog andere dierlijke biogrondstoffen die als SAF (of andere biobrandstof of biogas) mogen worden gebruikt?

Kunt u de lijsten van categorieën 1 en 2 van Regulation (EC) No 1069/2009 die mogen worden gebruikt als SAF of andere biobrandstof of biogas opnoemen? In een ander schriftelijk overleg en een eerder debat in de EK was er namelijk verwarring tussen de categorieën (1,2 en 3) die kunnen worden gebruikt voor biobrandstoffen.5

Is er verschil tussen de dierlijke biogrondstoffen die voor SAF mogen worden gebruikt versus andere biobrandstof of biogas?

Welke dierlijke biogrondstoffen worden in de EU en in Nederland voornamelijk gebruikt als biobrandstof en biogas?

Ten slotte vragen de fractieleden van de PvdD wat de herkomst is van de dierlijke en plantaardige biogrondstoffen. Met andere woorden: wordt hierin gehandeld?

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, S.M. Kluit

BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 juli 2025

Hierbij zend ik u de antwoorden op de nadere vragen van de fracties van de BBB en PvdD over het definitief ontwerp-Klimaatplan 2025–2035 (kenmerk 177404, ingezonden op 24 juni 2025).

De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de BBB

1

De fractieleden van de BBB stellen dat hoewel u in totaal 5,6 miljard euro aan uitvoeringsmiddelen heeft uitgetrokken voor gemeenten en provincies (2023–2030), de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) constateert dat een toename van 45% nodig is met betrekking tot de capaciteit. U maakt voor provincies 50 miljoen euro beschikbaar (2026–2030), maar voor gemeenten zijn «geen aanvullende middelen beschikbaar gesteld,» terwijl de kortingen op de Specifieke Uitkeringen (SPUK's) doorgevoerd worden. De fractieleden van de BBB vragen hoe u verwacht dat gemeenten hun fors toegenomen en complexe klimaat- en energietaken, inclusief die vanaf 2026, effectief kunnen uitvoeren zonder extra financiering. En hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot vertraging of verminderde kwaliteit van de uitvoering van het Klimaatplan?

Antwoord:

De gereserveerde middelen voor 2026 t/m 2030 zijn inderdaad volgens het genoemde ROB-advies onvoldoende voor gemeenten en provincies om alle huidige wettelijke klimaat- en energietaken uit te kunnen voeren. Momenteel zijn Rijk, provincies en gemeenten in gesprek om inzicht te krijgen in de precieze gevolgen van het tekort en om een eventuele prioritering aan te brengen in de wettelijke uitvoeringstaken van medeoverheden.

In het ontwerp-Klimaatplan wordt gesproken over meerjarig beleid, onder meer gericht op het doel van klimaatneutraliteit in 2050. Om dat doel te behalen, zal nieuw beleid ingevoerd worden dat in sommige gevallen door decentrale overheden uitgevoerd zal worden. Het Rijk en medeoverheden blijven in gesprek over de voor de uitvoering noodzakelijk randvoorwaarden, zoals uitvoeringsmiddelen. Om inzicht te verkrijgen in de noodzakelijk uitvoeringsmiddelen voor de jaren 2031 t/m 2035 zal het Rijk de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) op korte termijn verzoeken hier onderzoek naar te doen.

2

Capaciteit is nu al een probleem bij de gemeenten, terwijl er dus 45% capaciteit extra nodig is voor uw plannen. Wat kunt u nu al doen om toekomstige capaciteitsproblemen bij de uitvoering van het Klimaatplan bij gemeenten te voorkomen?

Antwoord:

Het Rijk is momenteel in gesprek met provincies en gemeenten om te bekijken hoe de beschikbare uitvoeringsmiddelen zo efficiënt mogelijk ingezet kunnen worden. Een mogelijke conclusie van deze gesprekken is ook dat de ambities moeten worden bijgesteld om toekomstige capaciteitsproblemen bij de uitvoering van het Klimaatplan bij gemeenten te voorkomen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van PvdD

1

De fractieleden van de PvdD vragen of het bekend is hoeveel «duurzame» luchtvaartbrandstoffen (ook wel Sustainable Aviation Fuels, SAF) sinds de bijmengplicht zijn gebruikt in Europa en Nederland. Hoeveel (op EU en Nederlands niveau) van dit totaal aan SAF zijn biogrondstoffen versus synthetische kerosine? Hoeveel (op EU en Nederlands niveau) van de voor SAF gebruikte biogrondstoffen hebben een dierlijke versus een plantaardige oorsprong?

Antwoord:

Het is op dit moment nog niet bekend hoeveel SAF er sinds het in werking treden (vanaf 2025) van de bijmengverplichting is gebruikt. Brandstofleveranciers rapporteren in 2026 over de volumes van 2025. Het is daarom nog niet bekend hoeveel daarvan bestaat uit biokerosine en synthetische kerosine, en welke type grondstoffen hiervoor worden gebruikt. De bijmengverplichting voor SAF bedraagt op dit moment 2%. Er geldt nog geen sub-verplichting voor synthetische kerosine, deze treedt per 2030 in werking.

2

Volgens de informatie bekend bij de fractieleden van de PvdD mogen de volgende dierlijke biogrondstoffen worden gebruikt als SAF (of andere biobrandstof of biogas):

  • Part A van Annex ix van de RED Directive, namelijk:

    • D. biomass fraction of industrial waste not fit for use in the food or feed chain, including material from retail and wholesale and the agro-food and fish and aquaculture industry

    • F. Animal manure and sewage sludge

  • Part B van Annex ix van de RED Directive, namelijk

    • «animal fats classified as categories 1 and 2 in accordance with Regulation (EC) No 1069/2009».

Klop dit of zijn er nog andere dierlijke biogrondstoffen die als SAF (of andere biobrandstof of biogas) mogen worden gebruikt?

Antwoord:

Het klopt dat volgens Annex IX deze drie categorieën biogrondstoffen van dierlijke oorsprong geldig zijn binnen de Richtlijn hernieuwbare energie (RED). Daarnaast mogen «andere biobrandstoffen» voor de luchtvaart dan Annex IXA/B (Artikel 4 lid 3 ReFuelEU Aviation) meetellen en onder deze categorie kunnen onder voorwaarden categorie 3 vetten ingezet worden. Voor ReFuelEU is deze categorie als geheel gelimiteerd: deze mag ten hoogste 3% van de totaal geleverde luchtvaartbrandstoffen uitmaken.

3

Kunt u de lijsten van categorieën 1 en 2 van Regulation (EC) No 1069/2009 die mogen worden gebruikt als SAF of andere biobrandstof of biogas opnoemen? In een ander schriftelijk overleg en een eerder debat in de EK was er namelijk verwarring tussen de categorieën (1,2 en 3) die kunnen worden gebruikt voor biobrandstoffen.

Antwoord:

Dierlijke bijproducten worden door de EU onderverdeeld in drie categorieën, op basis van de risico’s op het overdragen van ziektes. De categorieën 1 en 2 mogen op die grond niet in de voedselketen terechtkomen. Dit is vastgelegd in de Verordening (EG) nr. 1069/20096 en de Verordening (EU) nr. 142/20117. Omdat categorie 1 en 2 dierlijke bijproducten geen toepassing hebben in de voedsel- of voederproductie, zijn deze te gebruiken voor de productie van biobrandstoffen. Welke dierlijke grondstoffen vallen onder categorie 1,2- en 3 is terug te vinden in artikel 8, 9 en 10 van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

4

Is er verschil tussen de dierlijke biogrondstoffen die voor SAF mogen worden gebruikt versus andere biobrandstof of biogas? Welke dierlijke biogrondstoffen worden in de EU en in Nederland voornamelijk gebruikt als biobrandstof en biogas?

Antwoord:

Er is geen verschil tussen de dierlijke biogrondstoffen die voor SAF mogen worden gebruikt en die voor biobrandstof of biogas. De huidige SAF productie in Nederland is voor het overgrote deel gebaseerd op grondstoffen uit afvalstromen8.

5

Ten slotte vragen de fractieleden van de PvdD wat de herkomst is van de dierlijke en plantaardige biogrondstoffen. Met andere woorden: wordt hierin gehandeld?

Antwoord:

De herkomst van dierlijke en plantaardige biogrondstoffen is onderdeel van een mondiale markt. Als zodanig wordt hier ook in gehandeld. De import en inzet van biogrondstoffen is onderhevig aan strikte Europese duurzaamheidscriteria- en wetgeving. De Nederlandse Emissieautoriteit ziet als toezichthouder toe op naleving in de waardeketen.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Gasteren (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Oplaat (BBB), Panman (BBB), Crone (GroenLinks-PvdA), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Vos (GroenLinks-PvdA), Van Ballekom (VVD), Straus (VVD), Petersen (VVD), Bovens (CDA), Prins (CDA), Aerdts (D66), Dittrich (D66), Van Strien, (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Baumgarten (JA21), Van Aelst-den Uijl (SP), Holterhues (ChristenUnie), Dessing (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL), Kemperman (Fractie- Kemperman)

X Noot
2

Kamerstukken I 2024/25 32 813, BI.

X Noot
3

Kamerstukken I 2024/25 32 813, BI, p. 11.

X Noot
4

Richtlijn 2018/200, 11 december 2018, geraadpleegd op: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:32018L2001.

X Noot
5

Kamerstukken I 2024/25 32 813, BI, p. 14; Begrotingen Economische Zaken, Klimaat Eerste Kamer en Groene Groei en Klimaatfonds 2025, 11 februari 2025, p. 11, 12 en 27.

X Noot
8

Eerste resultaten hernieuwbare energie voor vervoer in Nederland 2024 | Publicatie | Nederlandse Emissieautoriteit

Naar boven