Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 februari 2026
Op woensdag 28 januari 2026 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de door
Greenpeace Nederland aangespannen procedure tegen de Nederlandse Staat over klimaatverandering
op Bonaire. Dit is een belangrijke uitspraak met gevolgen voor de inwoners van Caribisch
Nederland en Europees Nederland, en voor de inwoners van Bonaire in bijzonder. Met
deze brief informeert het kabinet de Kamer over deze uitspraak en geeft het een eerste
duiding. Hiermee wordt tevens voldaan aan de toezegging tijdens het Commissiedebat
Mijnbouw van 29 januari jl. om de Kamer zo spoedig mogelijk een eerste analyse van
de uitspraak van de rechtbank Den Haag te doen toekomen.1
De rechtbank oordeelt dat de Staat met het huidige klimaatmitigatiebeleid voor Europees
Nederland en het klimaatadaptatiebeleid voor Bonaire in strijd handelt met verplichtingen
die voortvloeien uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens
de rechtbank weerspiegelt het huidige klimaatmitigatiebeleid geen eerlijke bijdrage
van Nederland aan de mondiale inspanningen om de temperatuurstijging te beperken tot
1,5 °C. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat onvoldoende tijdige en passende maatregelen
zijn genomen om de inwoners van Bonaire te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering.
Ook heeft de Staat de inwoners van Bonaire onvoldoende geïnformeerd over de gevolgen
van klimaatverandering en hen onvoldoende bij de besluitvorming over maatregelen betrokken.
Dit acht de rechtbank in strijd met het recht op eerbiediging van het privé, familie-
en gezinsleven.
Ook oordeelt de rechtbank dat de inwoners van Bonaire bij het nemen van adaptatiemaatregelen
anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland, zonder goede redenen
waaruit volgt dat die afwijkende behandeling passend, noodzakelijk en evenredig is.
Dat is in strijd met het verbod op discriminatie.
De rechtbank heeft de Staat bevolen om binnen achttien maanden in nationale regelgeving
absolute emissiereductiedoelstellingen voor de gehele economie vast te leggen voor
de periode tot 2050, inclusief tussentijdse doelstellingen en reductietrajecten. Deze
emissiereductiedoelstellingen dienen te voldoen aan de in VN-verband gemaakte klimaatafspraken.
De Staat moet ook de resterende emissieruimte (met een koolstofbudget of op andere
wijze) voor Nederland inzichtelijk maken. Daarnaast heeft de rechtbank de Staat bevolen
om uiterlijk in 2030 een klimaatadaptatieplan vast te stellen en uit te voeren dat
erop is gericht Bonaire ook weerbaar te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat het instellen van hoger beroep
de werking van het oordeel en de opgelegde bevelen niet opschort.
De uitspraak vraagt om een nadere en zorgvuldige bestudering. Tegelijkertijd is duidelijk
dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de tot op heden getroffen maatregelen ter bescherming
van de inwoners van Bonaire tegen klimaatverandering onvoldoende zijn. Er zullen nadere
stappen moeten worden gezet. Het volgende kabinet zal moeten besluiten over de precieze
invulling. Dit geldt ook over het al dan niet instellen van hoger beroep. Ook Greenpeace
Nederland kan tegen de uitspraak hoger beroep instellen. Indien hoger beroep wordt
ingesteld, zal de Kamer hierover worden geïnformeerd.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S.T.M. Hermans
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
R. Tieman
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
E. van Marum