Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201532813 nr. 102

32 813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid op weg naar 2020

Nr. 102 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 juli 2015

Tijdens de regeling van werkzaamheden op 17 juni jl. heeft uw Kamer mij verzocht om een reactie op de voortgangsrapportage 2013/2014 van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) over de richtlijn hernieuwbare energie (Handelingen II 2014/15, nr. 97). Hierbij voldoe ik aan dit verzoek.

Samenvatting voortgangsrapportage 2013/2014

De Commissie brengt tweejaarlijks een voortgangsrapportage uit over de richtlijn hernieuwbare energie. De gegevens waarop deze voortgangsrapportage is gebaseerd dateren van eind 2013.

In de voortgangsrapportage concludeert de Commissie dat de EU als geheel op koers ligt om de doelstelling van 20% hernieuwbare energie in het finale energiegebruik in 2020 te halen. In 2013 bereikte het aandeel hernieuwbare energie voor de EU als geheel 15% en dit zou volgens de verwachtingen zijn opgelopen tot 15,3% in 2014. De Commissie concludeert verder dat 26 lidstaten hun interim-doel voor 2011/2012 hebben gehaald en 25 lidstaten hun interim-doel voor 2013/2014 waarschijnlijk halen.

Uit de rapportage blijkt dat de Europese energieconsumptie in 2013 voor 46% gebruikt werd voor warmte- en koudevoorziening, voor 30% voor transport en voor 24% voor elektriciteit. Van de warmte- en koudevoorziening kwam 17% uit hernieuwbare bronnen, met name biomassa en in mindere mate warmtepompen. De inzet van deze hernieuwbare bronnen nam de afgelopen jaren sterk toe. De Commissie verwacht echter dat de groei de komende jaren zal afnemen en stelt dat om die reden het gebruik van groen gas, zonthermie en geothermie versneld moet worden.

Energieconsumptie voor transportdoeleinden kwam in 2013 voor 6% uit hernieuwbare bronnen, met name biodiesel. Voor de transportsector heeft de EU zich gecommitteerd aan een doel van 10% hernieuwbare energie in 2020. De Commissie verwacht dat deze niet gehaald zal worden vanwege de discussie over de daadwerkelijke CO2-reductie van biobrandstoffen en achterblijvende ontwikkeling van tweede generatie biobrandstoffen.

In 2013 kwam 26% van de elektriciteit in Europa uit hernieuwbare bronnen en de Commissie verwacht dat dit zal doorgroeien naar 34%. Waterkracht leverde in 2013 verreweg het grootste aandeel hernieuwbare energie in de EU met 43%, gevolgd door windenergie, zonne-energie en vaste biomassa. De Commissie constateert dat in de EU vooral windenergie op zee in 2013 nog sterk achter lag ten opzichte van de verwachtingen. Zonthermie en mariene energie hadden nog altijd moeite om op de markt door te breken. De Commissie stelt dat het cruciaal zal zijn voor het realiseren van de 2020-doelen dat de stimulering van de meest kosteneffectieve technologieën wordt voortgezet en er in het bijzonder voor windenergie op zee betere uitrolkaders worden gecreëerd.

De Commissie stelt dat in de hele EU extra inzet nodig is om de Europese en nationale doelen te bereiken, omdat groei de komende jaren moeilijker zal worden. Dit heeft onder andere te maken met niet-financiële barrières, zoals ruimtelijke ordeningsproblemen en vergunningstrajecten. De Commissie kondigt daarom aan een studie te zullen starten naar de administratieve procedures die nodig zijn voor het realiseren van hernieuwbare energieprojecten. Ook stelt de Commissie dat het gebruik van samenwerkingsmechanismen tussen lidstaten nodig is voor lidstaten om de nationale doelen halen.

Op basis van een evaluatie van de richtlijn hernieuwbare energie concludeert de Commissie dat de richtlijn goed werkt. De richtlijn heeft volgens de Commissie bijgedragen aan het verhogen van de hernieuwbare energieproductie. De bindende nationale doelen uit de richtlijn hebben ook lidstaten gestimuleerd die minder geneigd waren uit zichzelf in te zetten op hernieuwbare energie. De Commissie is tevreden over de effectiviteit en doelmatigheid van de richtlijn. Wel acht de Commissie het belangrijk voor de effectiviteit om tijdig stabiel beleid te ontwikkelen voor de periode na 2020.

Appreciatie

Nederland scoort in deze voortgangsrapportage niet goed. Het door de Commissie voor Nederland berekende indicatieve pad voor 2011/2012 van 4,5% is niet gerealiseerd. De Commissie ziet als reden hiervoor de onzekerheid over het stimuleringsinstrumentarium voor hernieuwbare energieprojecten op dat moment. Ook voor 2013/2014 ligt Nederland volgens de Commissie met twee andere lidstaten niet op koers om het indicatieve pad te halen. Wel lag Nederland met veertien andere lidstaten voor op het pad voor het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Ook op het gebied van transport ligt Nederland op schema. Het aandeel geavanceerde biobrandstoffen neemt jaarlijks toe. De Commissie concludeert op basis van de gegevens voor deze Voortgangrapportage dat Nederland een versterkte inzet zal moeten plegen om het doel van 14% hernieuwbare energie in 2020 te halen.

Die versterkte inzet hebben we met het Energieakkoord in gang gezet. De effecten van het Energieakkoord, dat in oktober 2013 is afgesloten, zijn niet meegenomen in de voortgangsrapportage van de Commissie. Met het Energieakkoord pakken we een groot aantal van de knelpunten aan die de Commissie signaleert voor de verdere ontwikkeling van hernieuwbare energie. Zo geeft het Energieakkoord een forse impuls aan de ontwikkeling van windenergie op zee de komende jaren. De nieuwe uitrolstrategie die we hiervoor hanteren sluit ook aan bij de door de Commissie genoemde aandachtspunten. Met de maatregelen die ik in de Warmtevisie heb aangekondigd, zetten we een beweging in gang naar de verduurzaming van de warmtevoorziening en het realiseren van een volwaarde plek voor warmte in ons energiesysteem naast gas en elektriciteit. Zonthermie, groen gas en geothermie spelen hierbij een belangrijke rol.

De administratieve barrières die de Commissie constateert bij de uitrol van hernieuwbare energieprojecten worden in Nederland effectief aangepakt. De Rijkscoördinatieregeling wordt in dit verband door de Commissie genoemd als voorbeeld van een effectieve regeling om vergunningstrajecten te stroomlijnen. Ook provincies en gemeenten hebben de bevoegdheid om ruimtelijke inpassing en alle vergunningaanvragen tegelijkertijd in procedure te brengen. Verder worden met de Omgevingswet regels vereenvoudigd en samengevoegd waardoor het straks ook makkelijker is om hernieuwbare energieprojecten te starten.

Volgens de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek was het aandeel hernieuwbare energie in het eindverbruik in 2014 5,6%. Dat is een groei van 0,8% ten opzichte van 2013. Die groei is in lijn met de verwachting uit de Nationale Energieverkenning (NEV) 2014 dat er tot en met 2016 sprake zal zijn van een gematigde groei van het aandeel hernieuwbare energie, waarna een forse groeispurt volgt doordat dan veel hernieuwbare energieprojecten naar verwachting in productie komen. De NEV 2015 zal een meer actueel beeld geven van de voortgang die we maken richting de doelen uit het Energieakkoord en de Europese doelstelling.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp