32 805 Hulpmiddelenbeleid in de gezondheidszorg

Nr. 141 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR LANGDURIGE ZORG EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 mei 2022

In mijn brief van 26 april jl.1 heb ik uw Kamer laten weten dat Deloitte Forensic and Dispute Services B.V. (hierna: het onderzoeksbureau) en ik op 10 mei met elkaar in gesprek zouden gaan over de voortgang van het onderzoek.

Inmiddels kan ik u melden dat ik op 10 mei jl. een constructief gesprek heb gevoerd met het onderzoeksbureau. In dit gesprek heeft het onderzoeksbureau op bestuurlijk niveau laten weten dat het alles op alles zet om het eerste deelrapport – dat ziet op de overeenkomst met Relief Goods Alliance B.V. (RGA) – zo snel als mogelijk op te leveren.

Het onderzoeksbureau heeft mij echter nadien, op 11 mei jl., gemeld dat een betrokken partij heeft aangegeven mogelijk meer tijd nodig te hebben voor het hoor- en wederhoorproces waardoor oplevering voor het zomerreces niet langer haalbaar is. Hoewel het onderzoeksbureau betrokken partij heeft verzocht binnen twee weken het wederhoorproces te voltooien, geeft het onderzoeksbureau tevens aan dat deze termijn met twee weken kan worden verlengd indien partijen hiervoor meer tijd nodig hebben. Het onderzoeksbureau heeft dit als volgt nader aan mij toegelicht. Bij onderzoeken als het onderhavige is wederhoor een basisrecht van de betrokkenen en een basisverplichting voor de onderzoeker. Dat ligt vast in beroepsregels en in jurisprudentie van de tuchtrechter. De termijn voor wederhoor moet een redelijke termijn zijn. Wat redelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden en daarmee van de aard en omvang van hetgeen in wederhoor moet worden beoordeeld. De onderzoeker bepaalt de termijn van wederhoor.

Op 13 mei jl. heeft het onderzoeksbureau mij laten weten dat na overleg met de betrokken partij op 12 mei jl. vast is komen te staan dat onder de huidige omstandigheden de periode van wederhoor inderdaad in redelijkheid moet worden verlengd. In het geval dat zich momenteel voordoet, is sprake van wat men noemt een objectieve verhindering.

Het onderzoeksbureau heeft tevens laten weten dat de betreffende partij wil meewerken aan wederhoor en ook het belang ziet om dit zo spoedig mogelijk te doen.

Ik heb van het onderzoeksbureau begrepen dat indien de betrokken partij gebruik zal maken van de hiervoor verlengde termijn van wederhoor, het onderzoeksbureau het eerste deelrapport niet voor de start van het zomerreces van uw Kamer aan mij ter beschikking kan stellen. Het betreffende rapport van het onderzoeksbureau betreft een feitenrelaas zonder conclusies. In de nadien op te stellen reactie zal het kabinet conclusies trekken op basis van het feitenrelaas.

Gegeven de situatie die helaas is ontstaan zie ik een aantal mogelijkheden. Òf ik stuur het rapport van het onderzoeksbureau nadat ik dit heb ontvangen zonder kabinetsreactie aan uw Kamer. Naar verwachting zal dit aan het begin van het zomerreces zijn. Òf ik stuur het rapport inclusief een kabinetsreactie aan uw Kamer. Dit kan mogelijk op een later moment in het reces van uw Kamer zijn of na het zomerreces.

Wanneer duidelijk is dat de verlengde termijn voor wederhoor inderdaad geëffectueerd wordt, informeer ik uw Kamer nader.

De Minister voor Langdurige Zorg en Sport, C. Helder


X Noot
1

Kamerstuk 32 805, nr. 140.

Naar boven