Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2010-201132797 nr. A

32 797 EU-verslag: Evaluatie van de richtlijn dataretentie (Richtlijn 2006/24/EG) – COM(2011)225

A VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 29 juni 2011

De toenmalige vaste commissies voor de JBZ-Raad en voor Justitie hebben met belangstelling, maar vooral ook met teleurstelling kennis genomen van het rapport van de Europese Commissie met een evaluatie van de richtlijn dataretentie (Richtlijn 2006/24/EG).1 De commissies vinden het rapport niet bevredigend. Naar aanleiding daarvan hebben zij de minister van Veiligheid en Justitie op 31 mei 2011 een brief gestuurd.

De minister heeft op 27 juni 2011 gereageerd.

De huidige vaste commissies voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad2 en voor Veiligheid en Justitie3 brengen hierbij verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier voor dit verslag,

Kim van Dooren

BRIEF AAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Den Haag, 31 mei 2011

De vaste commissies voor de JBZ-Raad en voor Justitie hebben met belangstelling, maar vooral ook met teleurstelling kennis genomen van het rapport van de Europese Commissie met een evaluatie van de richtlijn dataretentie (Richtlijn 2006/24/EG).4 De commissies vinden het rapport niet bevredigend. Zij missen vooral een overtuigende analyse van de noodzaak («pressing social need») van de richtlijn en zijn van mening dat het rapport onvoldoende aandacht besteedt aan de proportionaliteit van dataretentie zoals geregeld in de richtlijn. Verder gaat het rapport niet in op de vele mogelijkheden die er zijn om de bewaarplicht te omzeilen, waardoor ook inzake de effectiviteit van de richtlijn dataretentie bij de commissies nog steeds vele vragen leven.

Hoofdstuk 5 van het rapport heeft betrekking op de rol die bewaarde data spelen in het strafrecht en de rechtshandhaving. De commissies vinden dit hoofdstuk niet bevredigend. Zij wijzen in dit verband op het feit dat de bewijsvoering die in het rapport is gehanteerd, methodologisch aanvechtbaar is. Zo is er niet aangetoond dat in de aangehaalde casusposities bewaargegevens een rol spelen waarvoor de richtlijn dataretentie is bedoeld en dat deze juist beschikbaar waren vanwege de (wettelijk voorgeschreven) bewaartermijn. Dit geldt in het bijzonder voor de door Nederland aangevoerde 24 gevallen. In dit verband wordt bovendien gesproken van het opleveren van «bewijs», terwijl bewaargegevens niet meer kunnen zijn dan een opsporingsmiddel dat aanleiding geeft om tot bewijs te komen. Deze casusposities hebben trouwens alleen betrekking op vaste telefonie, een communicatiemiddel dat zijn betekenis spoedig zal hebben verloren.

Bovendien waren de historische gegevens die naar aanleiding van de aanslagen in Londen en Madrid zijn gehanteerd onafhankelijk van de wettelijke bewaartermijn al beschikbaar voor gericht onderzoek.

De commissies vinden verder dat de Europese Commissie wel erg gemakkelijk heenstapt over de uitspraken die de constitutionele hoven in Duitsland, Tsjechië en Roemenië hebben gedaan. Deze hebben de implementatiewetgeving in strijd met hun nationale constituties verklaard.

Ook over een aantal andere onderdelen van het rapport leven bij de commissies diverse vragen. Waarom is de Commissie bijvoorbeeld niet opgetreden tegen lidstaten die de richtlijn niet (correct) hebben geïmplementeerd door onvoldoende toezicht te houden op de opslag van de bewaarde gegevens? Het zou inmiddels meermalen zijn voorgekomen dat gegevens niet zijn verwijderd als de bewaartermijn is verstreken en er zijn lidstaten die bij bedrijven in het eigen land telefoongegevens opvragen uit andere landen zonder de daartoe voorgeschreven internationale bevragingsprocedures te hanteren. Bovendien, waarom is er niet expliciet ingegaan op de bezwaren die door de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en door de Eerste Kamer (zie de motie-Franken c.s., Kamerstukken I 2008/09, 31 145, N) aan de orde zijn gesteld?

Deze bezwaren zijn door de regering expliciet onder de aandacht van de Commissie gebracht.

Op grond van het voorgaande willen de commissies uitdrukkelijk de vraag aan de orde stellen of intrekking van de richtlijn moet worden overwogen. Zij ontvangen uw reactie op hun vragen en opmerkingen graag binnen 4 weken en vragen u tijdens de komende JBZ-Raad van 9 en 10 juni 2011 nog geen definitief standpunt over nut en noodzaak van de richtlijn in te nemen, maar dit pas te doen nadat het overleg met deze Kamer is afgerond.

De voorzitter van de vaste commissie voor de JBZ-Raad,

M. J. M. Kox

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

R. H. van de Beeten

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 juni 2011

Bij brief van 31 mei 2011 hebben de vaste commissies voor de JBZ-Raad en voor Veiligheid en Justitie hun teleurstelling uitgesproken over het rapport van de Europese Commissie met een evaluatie van de richtlijn dataretentie (Richtlijn 2006/24/EG). De commissies vinden het rapport niet bevredigend, missen een overtuigende analyse van de noodzaak van de richtlijn en zijn van mening dat het rapport onvoldoende aandacht besteedt aan de proportionaliteit van dataretentie. Ook inzake de effectiviteit van de richtlijn, vanwege de mogelijkheden om de bewaarplicht te omzeilen, leven nog steeds vele vragen bij de commissies.

Op 18 april 2011 heeft de Europese Commissie een evaluatierapport gepubliceerd over de richtlijn dataretentie (COM (2011) 225 final). Vastgesteld wordt dat de evaluatie heeft uitgewezen dat de bewaring van telecommunicatiegegevens een waardevol instrument is voor de rechtshandhaving in de EU. De bijdrage van de richtlijn aan de harmonisatie van de dataretentie is echter beperkt op het gebied van, bijvoorbeeld, de doelbinding, de bewaartermijnen, en ook de vergoeding van de kosten voor de aanbieders. Vanwege de implicaties en risico’s voor de interne markt en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, dient de Europese Unie door middel van gemeenschappelijke regels te verzekeren dat hoge standaarden gelden voor de opslag, het verwerken en het gebruik van telecommunicatiegegevens. In het licht van deze conclusies is de Commissie voornemens aanpassingen van de richtlijn voor te stellen, gebaseerd op een impact assessment. Het impact assessment biedt de gelegenheid om de dataretentie in de Europese Unie te onderzoeken in het licht van de noodzaak en proportionaliteit, de belangen van interne veiligheid, het functioneren van de interne markt en de versterking van het fundamentele recht op bescherming van persoonsgegevens.

De volgende stap is dat verschillende opties voor de aanpassing van de richtlijn, in samenwerking met de betrokken partijen (rechtshandhavingsdiensten, rechterlijke macht, industrie en consumentengroepen, gegevensbeschermingsautoriteiten en maatschappelijke organisaties), zullen worden uitgewerkt. De opties zullen in een impact assessment worden getoetst, dat ten grondslag zal liggen aan een voorstel van de Commissie tot herziening van de richtlijn.

Voorzover de vragen en opmerkingen van de leden van uw commissies betrekking hebben op het evaluatierapport van de Europese Commissie of op het optreden van de Europese Commissie jegens de lidstaten, wil ik mij van een reactie daarop onthouden omdat ik mij dan op een terrein zou begeven waarop de Europese Commissie bevoegd is. Daarom geef ik de leden van de vaste commissies in overweging deze vragen en opmerkingen rechtstreeks ter kennis te brengen van de Europese Commissie of het Europese Parlement. Deze vragen en opmerkingen zouden door hen in het hierboven geschetste vervolgtraject betrokken kunnen worden. Zoals ik eerder in mijn brief van 24 maart jl. (Kamerstukken I 2010/11, 31 145, T) aan uw Kamer heb meegedeeld zal de regering met een standpunt komen op het moment dat de Europese Commissie voorstellen zal doen om de richtlijn dataretentie aan te passen. Dit zal gebeuren middels een BNC-fiche (beoordelingen nieuwe commissievoorstellen) waarbij u gelegenheid heeft om hierop te reageren. Daarnaast heb ik in dezelfde brief aangegeven dat de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens voorziet in een evaluatie die voor 1 september 2012 moet zijn afgerond. In deze evaluatie zullen de aspecten effectiviteit en efficiency aan de orde komen.

In uw brief wordt de vraag aan de orde gesteld of intrekking van de richtlijn moet worden overwogen. Tijdens de JBZ-Raad van 9 en 10 juni 2011 heb ik geen standpunt ingenomen over nut en noodzaak van de richtlijn; dit onderwerp is tijdens die Raad niet aan de orde geweest. De Nederlandse regering is van oordeel dat de bewaarplicht voor telecommunicatiegegevens, zoals die voortvloeit uit de richtlijn dataretentie, een belangrijke bijdrage vormt voor de opsporing en vervolging van ernstige misdrijven. De bevindingen van de Commissie geven naar mijn mening geen aanleiding om dit standpunt te herzien.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


X Noot
1

Het comdocument is bij dit verslag gevoegd. Zie tevens dossier E110022 op www.europapoort.nl

X Noot
2

Samenstelling Immigratie en Asiel/JBZ-Raad:

Holdijk (SGP), Broekers-Knol (VVD), Slagter-Roukema (SP), Franken (CDA), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA), Duthler (VVD), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Meurs (PvdA), (voorzitter), Strik (GL), Vliegenthart (SP), K.G. de Vries (PvdA), Knip (VVD), Lokin-Sassen (CDA), Scholten (D66), Th. de Graaf (D66), De Boer (GL), De Lange (OSF), Beuving (PvdA), Schrijver (PvdA), M. de Graaf (PVV), (vice-voorzitter), Reynaers (PVV), Popken (PVV), Schouwenaar (VVD) en Swagerman (VVD).

X Noot
3

Samenstelling Veiligheid en Justitie:

Holdijk (SGP), Broekers-Knol (VVD), (voorzitter), Kneppers-Heynert (VVD), Kox (SP), Engels (D66), Franken (CDA), Thissen (GL), Nagel (50PLUS), Ruers (SP), Van Bijsterveld (CDA), (vice-voorzitter), Duthler (VVD), Koffeman (PvdD), Kuiper (CU), Quik-Schuijt (SP), Strik (GL), K.G. de Vries (PvdA), Knip (VVD), Hoekstra (CDA), Lokin-Sassen (CDA), Scholten (D66), De Boer (GroenLinks), De Lange (OSF), Beuving (PvdA), Koole (PvdA), Schrijver (PvdA), Reynaers (PVV), Popken (PVV), Frijters-Klijnen (PVV) en Swagerman (VVD).

X Noot
4

COM(2011)225. Zie tevens dossier E110022 op www.europapoort.nl