Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201732793 nr. 255

32 793 Preventief gezondheidsbeleid

Nr. 255 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 januari 2017

Op mijn verzoek zijn de Gezondheidsraad (GR) en het Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) in het najaar van 2014, voor een periode van twee jaar, gestart met een samenwerkingsverband1. De aanleiding hiervoor was dat mogelijk gezondheidswinst blijft liggen doordat vaccins onvoldoende benut worden2. Op de markt toegelaten vaccins waren niet vanzelfsprekend beschikbaar voor de diegenen die daar belang bij hebben.

Samenvatting

De samenwerking tussen de GR en het Zorginstituut is beproefd en zal worden voortgezet. Om het proces verder te stroomlijnen gaat de GR volgens een werkagenda adviseren (zie bijlage)3. Dit biedt helderheid over wanneer welke adviezen worden opgeleverd.

De advisering door de GR en het Zorginstituut is onafhankelijk. De GR adviseert op basis van een adviesaanvraag van de Minister of op eigen initiatief. Voor de volgorde van de adviezen vindt minimaal twee keer per jaar overleg plaats tussen de GR, het Zorginstituut en het RIVM. Objectieve criteria, zoals de maatschappelijke en individuele ziektelast van de aandoening, de vaccins en de vaccinatie komen hierbij aan de orde. Dit zijn dezelfde criteria die door de GR bij de advisering worden gehanteerd.

Nieuwe vraagstukken kunnen worden gemeld bij het RIVM. Deze vraagstukken worden meegenomen in het halfjaarlijkse overleg tussen het RIVM, de GR en het Zorginstituut. Op basis van de uitkomsten doet de Minister vervolgens een adviesaanvraag.

Na een advies van de GR en het Zorginstituut besluit de Minister van VWS over de positionering van de vaccinatie, dat wil zeggen over de wijze waarop de vaccinatie aangeboden en/of gefinancierd moet worden.

Terugblik

Uitgangspunt bij de start van de samenwerking waren de bestaande beoordelingskaders. Voor de GR gaat het om de advisering door de Commissie Vaccinaties aan de hand van het beoordelingskader uit het advies van de GR uit 20134. Dit beoordelingskader biedt de mogelijkheid om te beoordelen of een vaccinatie in het Rijksvaccinatieprogramma (publiek belang) opgenomen moet worden en biedt ook ruimte om te bezien of een vaccinatie als essentiële zorg voor een bepaalde doelgroep (collectief belang) dan wel als individuele zorg (individueel belang) aangemerkt moet worden.

Voor het Zorginstituut geldt, dat het op basis van de pakketcriteria (noodzakelijkheid, effectiviteit, kosteneffectiviteit en uitvoerbaarheid) het vaccin beoordeelt en aan de Minister adviseert of een vaccin tot het verzekerde pakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw) moet behoren. Belangrijk daarbij is de vraag of sprake is van een op de persoon herleidbaar risico (geïndiceerde preventie) en dat het zorggerelateerde preventie betreft.

De GR en het Zorginstituut hebben elk hun eigen werkwijze en doorlooptijd. Voor het Zorginstituut geldt dat het moet reageren binnen een vastgestelde tijd. Bij de GR is de tijd die nodig is voor een advies afhankelijk van verschillende factoren, zoals beschikbaarheid van epidemiologische gegevens en de maximaal beschikbare capaciteit die van de vrijwillige Gezondheidsraadleden gevraagd kan worden.

Met in achtneming van deze kaders en werkwijzen zijn de organisaties aan de slag gegaan met de advisering over de vaccinatie tegen kinkhoest, gordelroos en tegen pneumokokken. Deze samenwerking resulteert, naast de afzonderlijke adviezen van de GR en het Zorginstituut5, in een gezamenlijke oplegnotitie waarin alle overwegingen ten aanzien van de betreffende vaccinatie worden opgenomen. Op basis van deze adviezen en de oplegnotitie kan ik een besluit nemen over de positionering van het vaccin of de vaccinatie in het zorgstelsel.

Evaluatie

In maart en april 2016 is deze werkwijze geëvalueerd (zie bijlage)6. Uit deze evaluatie is gebleken dat de respondenten (RIVM, Holland Bio, GR, Zorginstituut en VWS) vinden dat de samenwerking nuttig is en meerwaarde heeft, maar ook dat er verschil bestaat in de verwachting en de definitie van de samenwerking. Een belangrijk punt hierbij zijn de termijnen van advisering door de GR en het Zorginstituut.

Naar aanleiding van de evaluatie stellen de GR en het Zorginstituut voor de huidige samenwerking voort te zetten7. Ten behoeve van een verdere optimalisatie van het proces rond advisering over vaccins en vaccinaties heeft de commissie vaccinaties van de GR haar vergaderfrequentie verhoogd naar eenmaal per zes weken. Tevens heeft het secretariaat van de commissie met het centrum infectieziektebestrijding van het RIVM afgesproken dat voorafgaand aan de start van een adviestraject de bij het RIVM beschikbare data en de voor Nederland relevante wetenschappelijke literatuur met het secretariaat worden gedeeld. Het RIVM zal dit doen in de vorm van een openbaar basisdocument.

Daarnaast hebben beide partijen voor een goede implementatie nog de volgende aandachtspunten:

  • 1. Het is van belang dat er één loket komt voor fabrikanten en andere belanghebbenden;

  • 2. Ten behoeve van de prioritering van de onderwerpen dient een werkagenda voor de komende jaren opgesteld te worden. De prioritering wordt door het Ministerie van VWS, in overleg met de GR, het Zorginstituut en het RIVM, vastgesteld;

  • 3. Het Ministerie van VWS dient over de inzet en capaciteit van het secretariaat van de GR en het Zorginstituut met beide organisaties afspraken te maken.

Vooruitblik

Ik acht het van groot belang dat de basis van de advisering over vaccins en vaccinaties, te weten onafhankelijke advisering van zowel de GR als het Zorginstituut gehandhaafd blijft.

Voor de benodigde afstemming tussen de GR en het Zorginstituut zie ook ik meerwaarde in de gekozen samenwerking met wederzijdse waarnemers. Ten aanzien van de oplegnotities verwacht ik dat daarin alle relevante aspecten van het betreffende vaccin of vaccinatie in kaart zijn gebracht, zodat ik op grond daarvan een besluit kan nemen over de positionering van het vaccin of de vaccinatie in het zorgstelsel. Ik maak daarvoor met beide organisaties goede afspraken over de benodigde inzet en capaciteit.

Werkagenda

De afgelopen maanden is in afstemming met het Ministerie van VWS door de GR, het Zorginstituut en het RIVM gewerkt aan een werkagenda van de commissie vaccinaties van de GR voor de komende drie jaar. Deze werkagenda treft u in de bijlage bij deze brief. De werkagenda beslaat een periode van drie jaar en wordt jaarlijks vastgesteld.

Tijdens het halfjaarlijks overleg tussen de GR, het Zorginstituut en het RIVM wordt de werkagenda besproken, waarbij gelet wordt op de voortgang, de actualiteit en mogelijk nieuwe vaccinatievraagstukken. Objectieve criteria, zoals ook gehanteerd door de GR, als de maatschappelijke en individuele ziektelast van de aandoening en de beschikbaarheid van nieuwe wetenschappelijke kennis over de aandoening, de vaccins en de vaccinatie komen hierbij aan de orde. Ontwikkelingen binnen deze criteria kunnen de volgorde beïnvloeden en daarmee aanpassing van de werkagenda noodzakelijk maken. Zoals gebruikelijk worden alle vaccinatievraagstukken wanneer ze zijn opgenomen op de werkagenda vooraf gegaan door een adviesaanvraag vanuit het Ministerie van VWS. Het is immers de Minister die formeel aan de GR advies kan vragen.

Loket

De genoemde werkagenda biedt duidelijkheid over de advisering op het terrein van vaccins en vaccinaties in de komende drie jaar.

Voor nieuwe vaccinatievraagstukken, waarvan het op voorhand niet duidelijk is of deze door de GR en/of het Zorginstituut beoordeeld moeten worden, wordt een loket ingericht bij het RIVM. Tijdens het eerstvolgende halfjaarlijkse overleg tussen de GR, het Zorginstituut en het RIVM wordt op grond van genoemde criteria beoordeeld welk adviestraject (door de GR en/of door het Zorginstituut) het meest geëigend is en wordt de prioritering voor de werkagenda vastgesteld. Op deze manier komen alle vaccinatievraagstukken op de juiste agenda. Na het overleg informeert het RIVM de indiener over de wijze waarop met het vraagstuk wordt omgegaan.

Publieksvoorlichting en deskundigheidsbevordering «vaccinaties op maat»

Vooruitlopend op de advisering door de GR en het Zorginstituut is het afgelopen anderhalf jaar door het RIVM gewerkt aan publieksvoorlichting en deskundigheidsbevordering over de vaccins die wel zijn toegelaten tot de markt maar niet via van een programma vanuit de rijksoverheid worden aangeboden.

Op de website www.rivm.nl/vaccinaties staat publieksinformatie die makkelijk vindbaar is met zoekmachines. Voor en met professionals zijn factsheets ontwikkeld waarin naast informatie over de ziekte, de beschikbare vaccins en vaccinatieschema’s, ook informatie over risicogroepen en indicatiestelling is opgenomen.

Na publicatie van een advies van de GR en het Zorginstituut wordt de informatie geactualiseerd en afgestemd op de doelgroep.

Met bovenstaande activiteiten wordt ingezet op het goed informeren van publiek en professionals over vaccinaties. In 2017 zal de effectiviteit van deze activiteiten worden geëvalueerd.

Rol van de overheid na advisering

De onafhankelijke advisering door de GR en het Zorginstituut kan op grond van hun beoordelingskaders leiden tot de volgende uikomsten:

  • a. Vaccinatie dient een maatschappelijk belang, te weten bescherming van de bevolking en het maatschappelijk leven tegen ernstige infectieziekten;

  • b. Vaccinatie dient voor een bepaalde doelgroep aangemerkt te worden als essentiële zorg;

  • c. Vaccinatie draagt bij aan de bescherming van individuen;

  • d. Vaccinatie dient geen belang.

Zo’n advies zal gecombineerd zijn met een advies van het Zorginstituut of het vaccin in het verzekerde pakket van de Zvw past.

Op grond van de overwegingen uit de adviezen en de gezamenlijke oplegnotitie besluit ik over de positionering van de betreffende vaccinatie in het zorgstelsel. Het kan hierbij gaan om opname in een rijksvaccinatieprogramma, vergoeding op grond van de Zvw of zorg voor eigen rekening.

Conclusie

Door de GR en het Zorginstituut is in overleg met het RIVM en het Ministerie van VWS veel in gang gezet. Iedere adviesaanvraag op het terrein van vaccins en vaccinaties kan in de volle breedte worden beoordeeld. Door het opstellen van een werkagenda voor de komende drie jaar is transparant welke adviezen wanneer aan de orde zullen komen en bestaat inzicht in de criteria die voor bij het bepalen van de volgorde een rol spelen.

De inspanningen van alle betrokken partijen zijn erop gericht om de planning in de werkagenda waar te maken, zodat in de komende drie jaar voor iedereen duidelijk wordt welke vaccinaties er zijn en hoe deze aangeboden en gefinancierd worden.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers


X Noot
1

Kamerstuk 32 793, nr. 151

X Noot
2

Gezondheidsraad, Het individuele, collectieve en publieke belang van vaccinatie. Den Haag, 2013, publicatienummer 2013/21

X Noot
3

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
4

Zie noot 2

X Noot
5

Kamerstukken 32 793 en 29 477, nr. 212, Kamerstuk 32 793, nr. 232 en Kamerstuk 32 793, nr. 238. Het advies over pneumokokkenvaccinatie bij ouderen wordt in het tweede kwartaal van 2017 verwacht.

X Noot
6

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
7

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl