Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201332757 nr. 62

32 757 Bouwbesluit 2012

Nr. 62 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 25 april 2013

In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over haar brief van 7 december 2012 inzake Brandveiligheid in zorginstellingen (Kamerstuk 32 757, nr. 48).

De op 4 februari 2013 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de minister bij brief van 24 april 2013 toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Neppérus

De griffier van de commissie, Teunissen

I Inbreng vanuit de fracties

Inbreng VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de brief over brandveiligheid in zorginstellingen. Genoemde leden hebben nog enkele vragen en opmerkingen.

Brandveiligheid is de primaire verantwoordelijkheid van de bestuurder van de instelling. Toezicht wordt gehouden door het bevoegd gezag. De rijksoverheid neemt een ondersteunende rol in. Dit is de verantwoordelijkheidsverdeling zoals beschreven in de brief. De leden van de VVD-fractie vragen hoe deze verantwoordelijkheidsverdeling eruit ziet wanneer er iets mis gaat. Wordt op dat moment ook de bestuurder verantwoordelijk gehouden, of komt deze te liggen bij de toezichthouder wanneer deze onvoldoende toezicht heeft gehouden op de situatie? Welke sancties kunnen worden getroffen bij instellingen die (eventueel meerdere malen) hun verantwoordelijkheid niet blijken te nemen?

In haar ondersteunende rol heeft de rijksoverheid verschillende activiteiten ingezet, zoals de ontwikkeling van een objectief digitaal beoordelingsinstrument, instrumenten voor cliëntenraden, een roadmap en een handreiking om de mate van zelf(on)redzaamheid van de cliëntpopulatie in beeld te brengen. In hoeverre hebben instellingen (mede) een verantwoordelijkheid genomen in deze activiteiten, zowel qua mee helpen bij de ontwikkeling als mede dragen van de kosten?

Verschillende ministeries werken samen aan een AMvB voor basishulpverlening, bedoeld voor bescherming van werknemers, cliënten, patiënten en bezoekers. Wordt hierbij ook specifiek rekening gehouden met de situatie dat in instellingen mogelijk meerdere personen verblijven die een bepaalde mate van zelfonredzaamheid hebben?

Kan de minister aangeven of in de gebruiksvergunning rekening gehouden wordt met de personele bezetting in instellingen tijdens dag, nacht en weekend en de aanwezige BHV organisatie?

Inbreng van de PvdA-fractie

De leden van de fractie van de PvdA zijn geschrokken van de brief van de minister. Uit de brief blijkt dat er nog te veel problemen zijn met de brandveiligheid in zorginstellingen. Zij zien een drievoudig probleem. De brandveiligheid en het integraal toezicht hierop schieten tekort. Daarnaast wordt de politieke controle via de gemeenteraden ondermijnd. Dit zorgt voor een kwetsbare situatie. De leden van de fractie van de PvdA hopen dat de minister urgent zal handelen.

De leden van de fractie van de PvdA schrikken van de constatering dat sommige zorginstellingen onvoldoende de brandveiligheidsmaatregelen afstemmen op de mate van zelf(on)redzaamheid van hun patiënten en cliënten. Zij verwachten – zeker van zorginstellingen – dat bij brandveiligheid voldoende rekening wordt gehouden met deze zwakkere groepen. Een onderdeel hiervan is dat mensen die fysiek moeilijkheden ondervinden gemakkelijk de zorginstelling moeten kunnen verlaten. Het lid Bouwmeester heeft hier 18 juni 2012 al vragen over gesteld. De reactie hierop was dat de primaire verantwoordelijkheid bij de bestuurder van de instelling blijft liggen en dat er wel een aantal maatregelen worden genomen, o.a. een sluitend toezichtsysteem. Nu wordt er bericht dat er te weinig integraal toezicht is. De leden van de fractie van de PvdA maken zich zorgen over deze ontwikkeling. Gaat de minister deze misstanden zo snel mogelijk aanpakken, ondanks dat zij vindt dat de primaire verantwoordelijkheid bij de bestuurder van de instelling ligt? Kan de minister aangeven wat zij gaat doen om de brandveiligheid beter op de zelf(on)redzaamheid van de patiënten af te stemmen, en wanneer dit tot resultaten zal leiden?

Er wordt aangegeven dat de bouwkundige brandveiligheid van zorggebouwen en de organisatie van de bedrijfshulpverlening in veel gevallen te kort schiet. De leden van de fractie van de PvdA vinden ook dat de primaire verantwoordelijkheid voor brandveiligheid bij de bestuurder van de instelling ligt, maar zien een gevaar dat dergelijke dure oplossingen – zoals aanpassingen aan een gebouw – om financiële redenen uitgesteld of verzuimd worden. De Onderzoeksraad concludeert dat zorginstellingen vaak zonder onderbouwing verwijzen naar de afweging tussen het investeren in veiligheid en het investeren in de kwaliteit van zorg en leefbaarheid, de randveiligheid een structureel veiligheidsprobleem vormt. De minister gaf eerder aan bestuurders hierop aan te spreken. Dit heeft volgens deze leden te weinig opgeleverd. Wat gaat de minister doen om te verzekeren dat zorginstellingen voldoende in brandveiligheid investeren, ook als het gaat om dure ingrepen? Het verbouwen van zorggebouwen kost veel geld. Om dergelijke situaties te voorkomen willen de leden van de fractie van de PvdA dat bij de nieuwbouw van zorggebouwen al op de tekentafel getoetst moet worden op alle aspecten BTB. Kan de minister toezeggen dat dit voldoende gebeurt?

De leden van de fractie van de PvdA zijn tevreden met de maatregelen die genomen worden door de minister om het bewustzijn van de bestuurders van zorginstellingen wat betreft de brandveiligheid te verbeteren. Dit geeft echter geen garanties dat de aanbieders deze instrumenten ook voldoende gebruiken. Hoe ziet de minister hierop toe? De leden van de fractie van de PvdA vragen of er inmiddels duidelijkheid is of het toezicht op de bouwkundige, gebruiks- en organisatorische brandveiligheidsaspecten bij één toezichthouder geconcentreerd zal worden. Wanneer zal er sprake zijn van een sluitend toezichtsysteem?

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat te veel gemeenten onvoldoende aandacht besteden aan brandveiligheid Voorbeelden zijn de lage frequentie van inspectie, het missen van tekeningen van brandscheidingen en gemeenteraden die hier niet of «mager» over worden geïnformeerd. Dit is pas duidelijk geworden nadat de Kamer heeft gevraagd naar de inspectie-frequentie. Deze leden vragen waarom het toezicht dit niet eerder heeft geconstateerd. Is de minister het met de leden van de fractie van de PvdA eens dat er een rol is weggelegd voor het Rijk, ongeacht dat de primaire verantwoordelijkheid bij bestuurders van zorginstellingen ligt, gezien gemeenteraden worden ondermijnd? Wat zal de minister hierop ondernemen?

Inbreng van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben met grote onvrede kennis genomen van de stand van zakenbrief Brandveiligheid in zorginstellingen. Zij zijn erg geschokt dat de brandveiligheid nog steeds niet op orde gebracht is. Sinds 2005 zijn er 28 mensen overleden ten gevolge van een brand in een zorggebouw. Sinds 2005 zijn er 7.035 branden in zorggebouwen in Nederland geweest, waarvan de schade 127.805.000 euro bedroeg. Gemeenten doen te weinig aan brandveiligheid, evenals de bestuurders van zorginstellingen. Deze leden merken op dat elke dode, elke brand er een teveel is, zeker als het gaat om mensen die al in een kwetsbare positie zitten omdat zij zorgafhankelijk zijn. Met name maken deze leden zich grote zorgen over de brandveiligheid van mensen die zeer slecht, of niet ter been zijn en voor mensen die op een gesloten afdeling verblijven. Zij willen van de minister weten in hoeverre de brandveiligheid voor deze mensen momenteel wordt verbeterd. Tevens willen zij dat de minister de voortgang van brandveiligheid in de zorg gaat monitoren. Daarbij willen zij weten welke stappen genomen zijn om de brandveiligheid in de zorg te verbeteren voor minder redzame mensen sinds de brand in Rivierduinen. Hoewel niet elke brand te voorkomen is, is het echter van groot belang dat er prioriteiten gesteld worden aan de veiligheid van mensen. Zij vinden dat de voortgang om te streven naar een brandveilige situatie in de zorg, te langzaam verloopt. Er moeten snellere stappen, beter toezicht en concrete maatregelen genomen worden.

De minister heeft een aantal actiepunten medegedeeld waaraan bestuurders activiteiten om de brandveiligheid op orde te hebben kunnen regelen. De leden van de SP-fractie hebben daar een aantal vragen over.

  • De minister geeft in haar brief aan dat er een objectief digitaal beoordelingsinstrument wordt aangereikt aan bestuurders, dat de brandveiligheid van een zorggebouw meet. Deze leden willen weten hoe dit beoordelingsinstrument eruit ziet en wat er voornamelijk in wordt getoetst. Tevens willen zij weten wanneer deze applicatie opgeleverd gaat worden en of bestuurders verplicht gesteld worden, om aan deze applicatie te voldoen.

  • Het LOC Zeggenschap ontvangt financiële ondersteuning voor het ontwikkelen van instrumenten waarmee cliëntenraden zich een beeld kunnen vormen over brandveiligheid. Het is de leden van de SP-fractie onduidelijk wat voor instrumenten dit precies zijn, hoe dit precies werkzaam is en welk doel dit heeft voor de cliëntenraden.

  • Vervolgens noemt de minister de ontwikkeling van een roadmap voor een regel-gerichte en risicogerichte brandveiligheidsbenadering. Genoemde leden willen weten wat nu precies die roadmap inhoudt, het is onduidelijk wat dit precies inhoudt en wat het doel hiervan is. Zij vragen daarom een uitgebreide analyse wat de inhoud en totstandkoming van de roadmap precies inhoudt.

  • Verder noemt de minister een handreiking die eind 2013 beschikbaar moet worden, die de mate van zelf(on)redzaamheid bepaald van mensen. De leden van de SP-fractie willen weten wie deze handreiking heeft ontwikkeld, en of bestuurders verplicht worden deze handreiking te hanteren.

  • In de brief van de minister wordt aangegeven dat zorginstellingen zelf bezig zijn met initiatieven. De leden van de SP-fractie vinden dit een positief punt. Zij vragen daarom de minister te noemen welke zorginstellingen, maar vooral welke initiatieven zorginstellingen nemen om de brandveiligheid te waarborgen.

  • De minister wil dat koepels brandveiligheid stimuleren, door goede voorbeelden te verspreiden. De leden van de SP-fractie zijn het er niet mee eens dat dit door koepels dient te gebeuren. De overheid heeft de verantwoordelijkheid als het gaat om brandveiligheid in de zorg. Het zou positief zijn als de minister dit zelf oppakt, en vragen de minister hierop te reageren.

  • Voorts geeft de minister aan dat zij met de brancheorganisaties (BoZ) in gesprek is om te kijken hoe via maatwerkoplossingen een bijdrage geleverd kan worden ten opzichte van brandveiligheid. Genoemde leden willen weten welke maatwerkoplossingen de minister hier precies bedoelt.

De leden van de SP-fractie zijn geschokt dat de brandveiligheid in een aantal gemeenten niet op orde is, alleen al het handhavingsplan is bij 28 van de 413 gemeenten niet aanwezig en bij 51 niet actueel. Hoewel de minister aangeeft dat gemeenten voldoende prioriteit uitoefenen, vragen zij wat de minister bedoelt met «voldoende», zeker gezien de frequentie op toezicht die in de praktijk vaak lager ligt dan door de gemeenten wordt vastgelegd. Genoemde leden keuren af dat gemeenten het Besluit omgevingsrecht niet aan de gemeenteraad rapporteert. Hoe kan dat en waarom wordt dat niet gedaan, zo vragen de leden van de SP-fractie.

Voorts willen zij van de minister weten welke maatregelen zij gaat stellen bij gemeenten die in gebreke blijven.

De minister geeft in haar brief aan dat bij 80% van de gemeenten in interviews is aangegeven dat bij de brandveiligheidscontroles vrijwel nergens structureel aandacht wordt besteed aan het doorvoeren van brandwerende scheidingen boven plafonds en leidingschachten. Ook blijkt dat tekeningen van brandscheidingen ontbreken in gemeentelijke dossiers. Zeker doordat het rapport; «Gemeentelijk toezicht op de brandveiligheid van zorginstellingen» door de Inspectie leefomgeving en transport aangeeft dat zonder dergelijke tekeningen adequate controle van de bouwkundige brandveiligheid niet of nauwelijks mogelijk is. De leden van de SP-fractie vinden dit bericht uitermate schokkend, en vragen welke maatregelen de minister per direct gaat treffen, om te zorgen dat gemeenten consequent bezig gaan met de brandveiligheid van zorggebouwen. Zij wijzen op het Efectis-rapport «Vluchtcondities bij toepassing van brandwerende binnenwanden met brandbare isolatiematerialen indien toegepast in gebouwen met minder zelfredzame mensen». In dit rapport beveelt Efectis aan aanvullende eisen te stellen aan binnenwanden met brandbare isolatiematerialen, indien toegepast in gebouwen met minder zelfredzame personen. Hoewel het besluit over het opnemen van voorschriften voor de toepassing van brandbare isolatiematerialen in binnenwanden pas in 2014 behandeld zal worden door het ministerie van BZK, vragen deze leden of dit voor de zorg al eerder mogelijk is.

De minister gaat in haar brief in over de verantwoording van het Rijk. Zij geeft aan dat er zorg gedragen moet worden voor een heldere en dekkende regelgeving. Hoewel de leden van de SP-fractie daar mee eens zijn, merken zij op dat dit een enorm complexe uitdaging is, zeker doordat het beleid omtrent brandveiligheid versnipperd is. Zo zijn zorginstellingen, de brandweer, de gemeente, de VROM-inspectie, het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het ministerie van Binnenlandse Zaken en het ministerie van Veiligheid en Justitie bezig de brandveiligheid te waarborgen. Deze leden zien dat er problemen zijn met de uitvoering van regels en normen, doordat het onduidelijk wordt, wie nu precies wat moet doen. Zij vragen de minister hierop te reageren in een uitgebreide analyse.

Inbreng van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie maken zich ernstig zorgen of er wel voldoende aandacht van de raden van bestuur is voor brandveiligheid in hun zorginstellingen. Tevens vinden zij de staat van de handhaving door gemeenten onder de maat.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een brief aan de bestuurders van zorginstellingen gestuurd met het verzoek de brandveiligheid van zorginstellingen te verbeteren. Heeft de minister er voldoende vertrouwen in dat hiermee voldoende aandacht is ontstaan?

De minister haalt de uitkomsten aan uit het rapport van de gezamenlijke Rijksinspecties en het recent uitgebrachte rapport van de OVV over de brand bij de GGZ-instelling Rivierduinen in Oegstgeest. Daaruit blijkt onder meer dat er een discrepantie is tussen het beeld dat bestuurders en medewerkers hebben van de brandveiligheid van hun instelling en de daadwerkelijke brandveiligheid. Brandveiligheidsmaatregelen worden niet of onvoldoende afgestemd op de mate van zelf(on)redzaamheid van de patiënt.

De minister geeft aan dat dit de primaire verantwoordelijkheid van de bestuurder van de instelling is. Er wordt een aantal instrumenten opgesomd waarmee bestuurders aan de slag kunnen. In de periode 2012–2015 komen deze instrumenten beschikbaar. Op welke manier wil de minister dit onder de aandacht brengen van zorginstellingen en hoe vrijblijvend of verplichtend zijn deze instrumenten? Waarom komen deze instrumenten niet veel eerder beschikbaar? Heeft de minister een overzicht welke zorginstellingen zich niet houden aan de van toepassing zijnde brandveiligheidseisen?

De minister neemt daarmee vooral enkele structuurmaatregelen om brandveiligheid tussen de oren van de bestuurders te krijgen. Welke mogelijkheden ziet de minister om de instelling jaarlijks tot een calamiteitenoefening te verplichten? Tevens heeft LOC zeggenschap in Zorg met financiële ondersteuning van VWS en WenR instrumenten ontwikkeld waarmee cliëntenraden een beeld van de brand(on)veiligheid van de instelling kunnen vormen. Is een dergelijk instrument ook beschikbaar voor de leden van de Verpleegkundig Advies Raad die dagelijks met «boots on the ground» staan?

Nu blijkt uit het onderzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) dat het toezicht van het bevoegd gezag ook onder de maat is. Handhaving en controle vinden onvoldoende plaats. 79 van de 385 gemeenten hebben hun handhavingsbeleidsplan onvoldoende op orde. Dat is 19% van alle gemeenten. Daarnaast is bij 55% van de gemeenten geen onderscheid in het toezicht gemaakt tussen zorginstellingen voor ambulante zorg en residentiële zorg. Bij 120 gemeenten is het uitvoeringsprogramma voor 2012 niet aanwezig.

Zorginstellingen zouden twee keer per jaar gecontroleerd moeten worden. Dat is bij 324 van de 409 gemeenten niet het geval. Dat is 79% van alle gemeenten.

De leden van de CDA-fractie vinden dit een verontrustende conclusie. Eind 2011 al concludeerden de gezamenlijke inspecties dat de brandveiligheid in zorginstellingen flink tekortschoot en dat het gemeentelijk toezicht zowel kwantitatief als kwalitatief onvoldoende was. De ILT komt nu tot dezelfde conclusie. Inmiddels zijn we meer dan een jaar verder na de eerste verontrustende onderzoeksresultaten. In 2011 waren er zeven doden te betreuren door branden in zorginstellingen. Is de minister nog steeds voornemens om, indien nodig, gebruik te maken van haar interventiemogelijkheden? Hoe dan, en wanneer? Heeft de minister hier tot op dit moment al gebruik van gemaakt, bijvoorbeeld richting gemeenten waarvan gebleken is dat zij niet aan de wettelijke rapportageplicht voldoen? Waarom wil de minister wachten tot gemeenten op de onderzoeksresultaten hebben kunnen reageren? Wanneer komt de ILT met een eindoverzicht per gemeente? Kan de Kamer dit overzicht voor het debat over dit onderwerp ontvangen?

Welke daadwerkelijk mogelijkheden heeft de minister om gemeenten te dwingen de van toepassing zijnde bouwregelgeving op het gebied van brandveiligheid toe te passen, en zo nodig de zorginstellingen op te dragen zich te houden aan desbetreffende regelgeving?

Het is ook nog niet controleerbaar, omdat de helft van de gemeenten niet aan de gemeenteraad rapporteert over de uitvoering van het handhavingsbeleid. Welke maatregelen neemt de minister nog meer om de gemeenten te activeren hun toezicht op orde te krijgen? Op welke wijze is de minister al met de VNG in contact getreden om een aanvalsplan te maken?

Daarbij geeft de minister aan dat zij wel de gemeenten heeft gevraagd een reactie te geven op het feit dat er niet voldaan is aan de wettelijke rapportageplicht aan de gemeenteraad. Deze leden verzoeken de minister het opgestelde eindoverzicht ook aan de vaste commissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan te bieden.

Ten slotte willen de leden van de CDA-fractie graag weten wanneer er een volgend onderzoek plaats zal vinden naar de brandveiligheid in zorginstellingen, zodat bekeken kan worden of de genoemde maatregelen effect hebben gehad.

Inbreng van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met bezorgdheid kennisgenomen van de brief over de stand van zaken omtrent de maatregelen ter bevordering van de brandveiligheid in zorginstellingen. Deze leden hebben grote zorgen over het feit dat de brandveiligheid van zorginstellingen nog steeds onder de maat is en dat de situatie sinds 2004 nauwelijks verbeterd is. Zij hebben daarover verscheidene vragen en opmerkingen.

De minister somt een aantal activiteiten op die er aan bij moeten dragen dat de brandveiligheid in zorginstellingen verbetert. Een van deze activiteiten betreft het ondersteunen van bestuurders van instellingen. De minister was voornemens hen eind 2012 het «Firefish» beoordelingsinstrument aan te reiken, waarmee de brandveiligheid van een zorggebouw in beeld kan worden gebracht. Is dit reeds bij alle bestuurders onder de aandacht gebracht en hoe hebben zij daarop gereageerd? Naast bestuurders dienen ook cliëntenraden meer instrumenten te krijgen voor het in beeld brengen van de brandveiligheid in instellingen. Kan de minister aangeven of in dat kader het Actieprogramma brandveiligheid wordt doorgezet? Zo ja, hoeveel middelen worden hiervoor beschikbaar gesteld? De kwetsbare positie van cliënten die in zorginstellingen verblijven, maakt het borgen van de brandveiligheid extra belangrijk. In dat perspectief achten deze leden het bijzonder nuttig wanneer instellingen de mate van zelf(on)redzaamheid in kaart brengen. In dat kader wordt momenteel gewerkt aan een handreiking die dat moet bevorderen. Waarom is deze handreiking pas eind 2013 gereed? Is het mogelijk dit proces te versnellen? Waakzaamheid omtrent de brandveiligheid moet uiteindelijk vanuit de instellingen zelf komen. Deze leden constateren dat er instellingen zijn die daartoe zelf initiatieven ontwikkelingen. Op welke wijze stimuleert de minister dat goede voorbeelden worden verspreid, en in welke mate is daar nu al sprake van?

De leden van de D66-fractie delen de mening van de minister dat gemeenten een belangrijke verantwoordelijkheid hebben bij het toezicht op brandveiligheid in zorginstellingen. Deze leden zijn geschrokken van de lage prioriteit en beperkte inspectie-frequentie die een groot aantal gemeenten ten toon spreidt, als het gaat om het toezicht op de brandveiligheid. Deze leden vinden het vanzelfsprekend dat de ILT de gemeenten daarop een brief heeft gestuurd met daarin de bevindingen voor de desbetreffende gemeente. Daar waar niet is voldaan aan de wettelijke rapportageplicht aan de gemeenteraad, zijn brieven in afschrift naar de gemeenteraad verzonden. Deze leden vernemen graag welke acties de gemeenten naar aanleiding van de verzonden brieven hebben genomen? Welke acties neemt het ILT wanneer gemeenten niet reageren op de verzonden brieven, of wanneer acties uitblijven? Deze leden vragen de minister voorts of het opvragen van de prioriteit en inspectiefrequentie van het toezicht op de brandveiligheid over drie jaar herhaald wordt, en of er verscherpt toezicht is ingevoerd daar waar grote omissies zijn aangetroffen? De hier aan het woord zijnde leden vernemen ook graag op welke wijze de VNG betrokken is bij het onderwerp brandveiligheid in zorginstellingen. Bieden zij gemeenten informatie en ondersteuning op dit punt?

De leden van de D66-fractie benadrukken dat naast zorgaanbieders en gemeenten ook het Rijk een belangrijke verantwoordelijkheid heeft in het borgen van de brandveiligheid in zorginstellingen. De onderzoekers van het rapport «Brandveiligheid van zorginstellingen» achten het toezicht op brandveiligheid door verschillende diensten onwenselijk. Zij doen de aanbeveling het toezicht bij «»en toezichthouder te beleggen. Deze leden vernemen graag of de minister de intentie heeft deze aanbeveling over te nemen. Welke toezichthouder achten zij hier het beste voor geschikt? Deelt de minister de opvatting van de D66-fractie dat daarbij het beste kan worden aangesloten bij een van de bestaande toezichthouders? Deze leden vragen de minister ten slotte wanneer de ingezette acties, die beogen de brandveiligheid in zorginstellingen te verbeteren, worden geëvalueerd. Welke resultaten moeten er dan naar mening van de minister zijn geboekt?

II Antwoord van de minister

Algemene reactie

In de Kabinetsbrief van 7 december 2012 heb ik uw Kamer, mede namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geïnformeerd over de maatregelen die het Kabinet neemt om de brandveiligheid in zorginstellingen op orde te krijgen en te houden. Voor de in te zetten activiteiten geldt dat de primaire verantwoordelijkheid voor het op orde brengen en houden van de brandveiligheid bij de bestuurder van de instelling ligt. Het bevoegd gezag ziet toe op de naleving van wet- en regelgeving. Deze verantwoordelijkheidsverdeling is en blijft ten principale leidend voor de door het Kabinet in te zetten activiteiten om de brandveiligheid te verbeteren. Met inachtneming van deze verantwoordelijkheidsverdeling, ga ik namens het Kabinet hierna op uw vragen in.

Reactie op de inbreng van de VVD-fractie

In de brief van 7 december 2012 is aangegeven dat de primaire verantwoordelijk-heid voor de brandveiligheid ligt bij de bestuurder van de instelling. Het bevoegd gezag ziet toe op de naleving van wet- en regelgeving. De Rijksoverheid neemt hier een ondersteunende rol in.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af hoe de verantwoordelijkheidsverdeling eruit ziet wanneer er iets mis gaat en sprake is van onvoldoend toezicht. Wordt op dat moment ook de bestuurder verantwoordelijk gehouden, of komt deze dan te liggen bij de toezichthouder wanneer deze onvoldoende toezicht heeft gehouden op de situatie?

De formele verantwoordelijkheden liggen helder vast. De eigenaar van de voorziening(en) is primair verantwoordelijk voor de bouwkundige staat van het bouwwerk en dus voor het voldoen aan de daarvoor geldende voorschriften. De gebruiker van de voorziening is verantwoordelijk voor het brandveilig gebruik en de veiligheid van de bij hem in zorg zijnde patiënten/cliënten/bewoners. De gemeenten houden toezicht op de naleving van de bouw- en gebruiksvoorschriften krachtens de Woningwet. De Inspectie SZW is toezichthouder op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet. De bestuurder van de zorginstelling is verantwoordelijk voor de naleving van de wetgeving, de toezichthouder voor de wijze van het toezicht. De bestuurder en de toezichthouder kunnen ten alle tijden op hun verantwoordelijkheid worden aangesproken.

In dit kader wordt uw fractie verder verwezen naar de antwoorden op de vragen 9, 11 en 33 van uw Kamer over brandveiligheid bij zorginstellingen (Kamerstuk 32 757, nr. 34).

De leden VVD-fractie vragen welke sancties kunnen worden getroffen bij instellingen die (eventueel meerdere malen) hun verantwoordelijkheden niet blijken te nemen.

Zowel het college van burgemeester en wethouders alsmede de Inspectie SZW en de Inspectie voor de Gezondheidszorg kunnen sancties opleggen als instellingen de regelgeving niet naleven. Voor de op te leggen sancties verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 14 van uw Kamer over brandveiligheid zorginstellingen (vergaderjaar 2011–2012, 32 757, nr. 34).

De ondersteunende rol van de rijksoverheid wordt op verschillende activiteiten ingezet. De leden van de VVD- fractie vragen zich af in hoeverre instellingen (mede) een verantwoordelijkheid hebben genomen in deze activiteiten, zowel qua mee helpen bij de ontwikkeling alsmede het dragen van de kosten.

Zoals in de stand-van-zakenbrief van 7 december 2012 is gemeld ben ik met de brancheorganisaties Zorg (BoZ) in goed gesprek hoe zij, namens haar leden, een bijdrage kunnen leveren bij het op orde brengen van de brandveiligheid. BoZ heeft aangegeven dat zorginstellingen hierbij hun verantwoordelijkheid willen en zullen nemen. Zowel als het gaat om de bestuurlijke, de inhoudelijke evenals de financiële en organisatorische kant.

Verschillende departementen werken samen aan een AMvB voor basishulpverlening, bedoeld voor bescherming van werknemers, cliënten en bezoekers. De leden van de fractie van de VVD vragen zich af of hierbij specifiek rekening wordt gehouden met de situatie dat in instellingen mogelijk meerdere personen verblijven die verschillende mate van zelfonredzaamheid hebben?

Bij de inrichting van basishulpverlening moet rekening worden gehouden met de aanwezige risico’s. Deze kunnen bijvoorbeeld samenhangen met de aard van het gebouw en de inrichting, maar ook met de mate van zelfredzaamheid van cliënten, bezoekers en werknemers.

De leden van de VVD-fractie vragen de minister aan te geven of in de gebruikersvergunning rekening gehouden wordt met de personele bezetting in instellingen tijdens dag, nacht en weekend en de BHV organisatie?

In de gebruiksvergunning worden door gemeenten geen voorwaarden gesteld aan de personele bezetting en aanwezige BHV-organisatie tijdens de nacht en in de weekenden. De instelling dient zelf op basis van de vigerende regelgeving een Risicoinventarisatie en -evaluatie de omvang van de BHV-organisatie te bepalen.

Reactie op inbreng van de PvdA-fractie

De leden van de fractie van de PvdA zijn geschrokken van de stand van de brandveiligheid in zorginstellingen. Leden van de fractie van de PvdA zien een drievoudig probleem. De brandveiligheid en het integraal toezicht daarop (eerste- en tweedelijns toezicht) schieten tekort. Daarnaast wordt de politieke controle vanuit de betrokken gemeenteraad ondermijnd. Dit zorgt voor een kwetsbare situatie. De leden van de fractie van de PvdA hopen dat de minister urgent zal handelen.

Zoals in de brief van 7 februari 2012 (vergaderjaar 2011–2012, 32 757, nr. 34) aan uw Kamer is aangegeven, is het van groot belang dat brand wordt voorkomen en dat bij een brand patiënten, bewoners, bezoekers en medewerkers het pand veilig kunnen verlaten. Vooral omdat het hier kan gaan om patiënten of bewoners die niet of minder zelfredzaam zijn als gevolg van een lichamelijke, geestelijke, psychiatrische of gedragsproblemen. Deze groep is uiterst kwetsbaar. Het Kabinet vindt het daarom belangrijk dat de patiënten, cliënten, bezoekers en werknemers kunnen vertrouwen op een brandveilige leef-en werkomgeving. Het Kabinet is zich dan ook terdege van bewust van de urgentie van deze situatie. Het Kabinet heeft daarom de betreffende koepels en aanbieders direct na het verschijnen van betreffende rapporten op de hoogte gebracht van de bevindingen en hen, naast de aankondiging van de door het Kabinet te entameren activiteiten, expliciet gewezen op hun verantwoordelijkheid in dezen.

De leden van de PvdA-fractie schrikken van de constatering dat sommige zorginstellingen onvoldoende de brandveiligheidsmaatregelen afstemmen op de mate van zelf(on)redzaamheid van de patiënten en cliënten. Hierover heeft het lid Bouwmeester (PvdA) op 18 juni 2012 al vragen gesteld (2012Z08657). De reactie hierop was dat de primaire verantwoordelijkheid bij de bestuurder van de instelling lag en dat er wel een aantal maatregelen worden genomen, onder andere een sluitend toezichtsysteem. Nu wordt bericht dat er te weinig integraal toezicht is.

De leden van de PvdA-fractie maken zich zorgen over deze ontwikkeling. De leden van de PvdA-fractie vragen de minister deze misstanden zo snel mogelijk aan te pakken, ondanks dat zij vindt dat de primaire verantwoordelijkheidbij de bestuurder van de instelling ligt.

Zoals eerder op een van uw vragen is opgemerkt hoeft een sluitend systeem van toezicht niet per definitie bij één toezichthouder te worden geconcentreerd en kan dit op verschillende manieren worden gerealiseerd, bijvoorbeeld door het maken van goede afspraken tussen toezichthouders. Het aspect van samenloop van toezicht is nadrukkelijk onderwerp van overleg bij de ontwikkeling van regels voor basishulpverlening en evacuatie van minder zelfredzame personen. Ondermeer in dit verband wordt bezien welk samenstel van regels, in termen van lasten en effectiviteit, passend is.

De leden van PvdA-fractie vragen de minister wat zij gaat doen om de brandveilig-heid beter op de zelf(on)redzaamheid van patiënten af te stemmen, en wanneer dit tot resultaten zal leiden.

Zoals uw Kamer in het antwoord op de vragen 2 en 3 van het lid Bouwmeester (PvdA) is geantwoord is de centrale boodschap uit de beide rapporten over de brandveiligheid in de zorg dat brandveiligheid – zowel op de afzonderlijke onderdelen (gebouw, gebruik, organisatie en beleid) als brandveiligheidsbeleid in den brede vraagt om een integraal risicomanagement. Door onvoldoende afstemming op de patiëntenpopulatie en de verblijfsomgeving gaat de bestuurder vaak uit van onjuiste uitgangspunten waardoor tekort wordt geschoten bij het in kaart brengen van de «restrisico’s».

Als reactie hierop wordt de bestuurder zoveel mogelijk ondersteund bij het opzetten van een systeem van integraal risicomanagement. Daarbij wordt, zoals eerder gemeld, ingezet op het ontwikkelen van roadmap en een handreiking om de mate van zelf(on)zaamheid van de cliëntpopulatie transparant in beeld te brengen. Met deze instrumenten is de instelling beter in staat zijn risico’s te benoemen en vervolgens daarvoor uit hoofde van hun primaire verantwoordelijkheid adequate maatregelen te nemen. Het bevoegd gezag ziet toe op de naleving van wet- en regelgeving.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de bouwkundige brandveiligheid van zorggebouwen en de organisatie van de BHV in veel gevallen tekort schieten. De leden van de PvdA-fractie vinden dat de primaire verantwoordelijkheid bij de

bestuurder van de instelling ligt, maar ziet het gevaar dat ingrijpende bouwkundige aanpassingen vanwege financiële redenen worden uitgesteld of daarvan wordt afgezien. In een circulaire is de bestuurder tot actie gemaand maar volgens de leden van de PvdA-fractie heeft dit onvoldoende effect gesorteerd. Wat gaat de minister doen om te verzekeren dat de instellingen voldoende doen om tot een brandveilig gebouw te komen, ook als het gaat om dure ingrepen. Belangrijk vinden de leden van de PvdA-fractie hierbij is dat bij het ontwerpen van een gebouw al op de tekentafel wordt getoetst op alle aspecten van (brand)veiligheid. Kan de minister toezeggen dat dit voldoende gebeurt?

In eerste instantie wordt opgemerkt dat met mijn circulaire van 10 juli 2012 alle voorzitters van de Raad van Toezicht en de Raad van Bestuur van de instelling direct zijn opgeroepen hun verantwoordelijkheid te nemen en alles in het werk te stellen de brandveiligheid op orde te brengen en te houden. Budgettaire argumenten mogen nooit een reden zijn om onveilige situaties te doen laten ontstaan dan wel niet aan te pakken.

Voor hulp bij het invullen van hun verantwoordelijkheden is geadviseerd contact op te nemen met de betrokken toezichtshouder(s) en of de koepels.

Uit contacten uit het veld wordt geconstateerd dat er sindsdien meer aandacht voor brandveiligheid is gekomen en dat er steeds meer instellingen zijn die tot actie overgaan om de brandveiligheid (samen met de locale brandweer) te verhogen. In mijn brief van 7 december 2012 werd u verwezen naar initiatieven in de veiligheidsregio Amsterdam/Amstelland.

ActiZ en VGN starten samen met Brandweer Nederland in 2013 met een nieuwe aanpak brandveiligheid, onder de noemer «Geen nood bij brand». Dit initiatief is gestart in de veiligheidregio Gelderland-Midden en krijgt nu een verdere landelijke uitrol. Ik ben dan ook van mening dat de genoemde circulaire een bijdrage heeft gegeven aan de brandveiligheid.

Als het gaat om aandacht voor brandveiligheid bij het ontwerp en de (ver)bouw van het zorggebouw merk ik in eerste instantie op dat het Kabinetsbeleid met de intrekking van het bouwregiem uit de WTZi per 1 januari 2009 gewijzigd is. Dit houdt onder meer in dat het Kabinet geen nadere voorwaarden meer stelt als het om de bouwkundige kwaliteit van zorggebouwen gaat.

Zoals eerder is opgemerkt, is het aan de toezichthouder om er op toe te zien dat het gebouw voldoet aan de brandveiligheidvoorschriften.

De leden van de PvdA-fractie zijn tevreden met de maatregelen die zijn genomen om het bewustzijn van de bestuurders van zorginstellingen te verbeteren. Dit geeft volgens de leden van de PvdA-fractie echter geen garanties dat de aanbieders deze instrumenten ook voldoende gebruiken. De leden van de PvdA-fractie vragen de minister hoe zij hierop toeziet?

De door de overheid aangereikte/aan te reiken instrumenten hebben tot doel de bestuurder van de instelling te ondersteunen bij het op orde brengen en houden van de brandveiligheid in zijn instellingen. Er zijn echter ook andere mogelijkheden/instrumenten om tot het beoogde brandveiligheidniveau te komen. Het is aan de instelling zelf een eigen afweging te maken of zij de aangereikte of andere instrumenten inzet om aan zijn verantwoordelijkheden te voldoen. Het is vervolgens aan de toezichthouder(s) om er op toe te zien dat er sprake is van een voldoende naleving van de regelgeving.

De leden van de PvdA-fractie vragen of er nu duidelijkheid is of het toezicht op de bouwkundige, gebruiks- en organisatorische brandveiligheidsaspecten bij één toezichthouder geconcentreerd zal worden. De leden van de PvdA-fractie vragen wanneer er sprake zal zijn van een sluitend toezichtsysteem.

Zoals eerder op een van uw vragen is opgemerkt hoeft een sluitend systeem van toezicht niet per definitie bij één toezichthouder te worden geconcentreerd en kan dit op verschillende manieren worden gerealiseerd, bijvoorbeeld door het maken van goede afspraken tussen toezichthouders. Het aspect van samenloop van toezicht is nadrukkelijk onderwerp van overleg bij de ontwikkeling van regels voor basishulpverlening en evacuatie van minder zelfredzame personen. Ondermeer in dit verband wordt bezien welk samenstel van regels, in termen van lasten en effectiviteit, passend is.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat teveel gemeenten onvoldoende aandacht besteden aan de brandveiligheid in zorginstellingen. Voorbeelden zijn de lage frequentie van inspecties, het ontbreken van tekeningen van brandscheidingen en gemeenteraden die niet adequaat worden geïnformeerd door de eigen gemeente. Dit is pas duidelijk geworden nadat de Kamer heeft gevraagd naar de inspectiefrequentie. De leden van de PvdA-fractie vragen waarom het toezicht dit niet eerder heeft geconstateerd. Is de minister het met de leden van de PvdA-fractie eens dat er een rol is weggelegd voor het Rijk, ongeacht dat de primaire verantwoordelijkheid bij de bestuurder van de zorginstelling ligt, gezien gemeenteraden worden ondermijnd? De leden van de PvdA-fractie vragen wat de minister hierop gaat ondernemen.

Zoals in eerdere kabinetsreacties naar aanleiding van onderzoek naar de brandveiligheid in de zorg is benadrukt, is de zorginstelling zelf primair verantwoordelijk voor de naleving van de voorschriften voor het brandveilig bouwen en gebruiken van de (zorg)gebouwen. Deze voorschriften zijn neergelegd in de bouwregelgeving. Het eerstelijns toezicht hierop ligt bij gemeenten. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) concludeert in haar onderzoek (dat werd uitgevoerd in 2011 en 2012 en op 7 december 2012 aan uw Kamer is toegezonden (Kamerstuk 32 757, nr. 48)) dat dit gemeentelijk toezicht op verschillende punten tekortschiet. In haar rol als tweedelijns toezichthouder heeft de ILT aanvullend onderzoek verricht en de betrokken gemeenten hierop aangesproken en hen om een reactie gevraagd. De reacties van de gemeenten zijn verwerkt in een eindrapportage.

De ILT heeft deze eindrapportage met daarin de resultaten per gemeente aangeboden aan het ministerie van BZK. De minister van Wonen en Rijksdienst heeft dit rapport onlangs naar de Tweede Kamer gestuurd, alsmede onder de aandacht gebracht van de Colleges van Gedeputeerde Staten. De ILT zal de gemeenten zelf op de hoogte stellen van het eindrapport. Dit eindrapport bevat tevens een overzicht van de bevindingen per gemeente.

Met het in werking treden van de Wet revitalisering generiek toezicht per 1 oktober 2012 is het tweedelijns toezicht op de bouwregelgeving inmiddels overgegaan van het rijk (de ILT) naar de provincies. Hiermee is de rol van interbestuurlijk toezicht expliciet belegd bij de provincies. Onder de nieuwe wet heeft het rijk dus geen mogelijkheid om gemeenten aan te dwingen adequaat te handhaven. Een herhalingsonderzoek naar het gemeentelijk toezicht op de brandveiligheid van zorginstellingen, zoals door een aantal fracties gevraagd, ligt om die reden niet voor de hand.

Reactie op de inbreng van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben met grote onvrede kennis genomen van de stand-van-zakenbrief Brandveiligheid in zorginstellingen. De leden van de SP-fractie zijn erg geschokt dat de brandveiligheid nog steeds niet op orde gebracht is. De leden van de SP-fractie constateren dat sinds 2005 28 mensen zijn overleden ten gevolge van een brand in een zorggebouw. De leden van de SP-fractie constateren dat gemeenten te weinig doen aan brandveiligheid, evenals de bestuurders van zorginstellingen. De leden van de SP-fractie merken op dat elke dode, elke brand er één teveel is, zeker als het gaat om mensen die al in een kwetsbare positie zitten omdat zij zorgafhankelijk zijn. De leden van de SP-fractie maken zich grote zorgen over de brandveiligheid van zorginstellingen voor mensen die zeer slecht, of niet ter been zijn en voor mensen die op een gesloten afdeling verblijven. De leden van de SP-fractie willen van de minister weten in hoeverre de brandveiligheid voor deze mensen momenteel wordt verbeterd en hoe zij de voortgang van de brandveiligheid gaat monitoren.

De leden van de SP-fractie willen weten welke stappen genomen zijn om de brandveiligheid in de zorg te verbeteren voor minder zelfredzame mensen sinds de brand in Rivierduinen. Hoewel niet elke brand te voorkomen is, is het echter voor de leden van de SP-fractie van groot belang dat er prioriteiten worden gesteld aan de veiligheid van mensen. De leden van de SP-fractie vinden dat de voortgang om te streven naar een brandveilige situatie in de zorg, te langzaam verloopt. De leden van de SP-fractie vinden dat er snelle snellere stappen moeten worden gezet, er beter toezicht moet zijn en concrete maatregelen genomen moeten worden.

Ook het Kabinet is bezorgd over de stand van zaken van de brandveiligheid van zorginstellingen en delen de stelling dat ieder slachtoffer uit hoofde hiervan er één te veel is. Het kabinet wil verantwoordelijke partijen daarbij ondersteunen om de brandveiligheid zo spoedig mogelijk op orde te hebben.

Bij de oplevering van nieuwe producten (zoals genoemd in de Kabinetsbrief van 7 december 2012) wordt de bestuurder van de instelling daar direct over geïnformeerd en zal daarbij worden benadrukt alles in het werk te stellen om de brandveiligheid op orde te brengen.

De minister heeft in de brief van 7 december 2012 een aantal actiepunten opgesomd waarmee de bestuurder van de instelling de brandveiligheid op orde kan brengen. De leden van de SP-fractie hebben daar de volgende vragen over.

De minister stelt een objectief digitaal beoordelingsinstrument beschikbaar (Firefish). De leden van de SP-fractie willen weten hoe dit beoordelingsinstrument eruit ziet en wat er voornamelijk mee wordt getoetst. Tevens vragen de leden van SP-fractie wanneer de applicatie beschikbaar is en/of de bestuurder verplicht gesteld kan worden deze applicatie te gebruiken.

Met Firefish kan de instelling digitaal een brandveiligheidscan van zijn zorggebouwen maken. Het resultaat is een rapport met inzicht in de mate van brand(on)veiligheid van het gebouw en de geconstateerde tekorten. Firefish is opgenomen in een Apple App. Deze is gratis te downloaden. Voor nadere informatie worden de leden van de SP-fractie verwezen naar de site van TNO (Firefish).

De door de overheid aangereikte/aan te reiken instrumenten hebben tot doel de bestuurder van de instelling te ondersteunen bij het op orde brengen van de brandveiligheid in zijn instellingen. Er zijn echter ook andere mogelijkheden/instrumenten om tot het voorgeschreven brandveiligheidniveau te komen. Het is aan de instelling zelf een eigen afweging te maken of zij de aangereikte of andere instrumenten inzet. Het is vervolgens aan de toezichthouder(s) om er op toe te zien dat er sprake is van een voldoende naleving van de regelgeving.

De leden van de SP-fractie constateren dat het LOC Zeggenschap in Zorg financiële ondersteuning ontvangt voor het ontwikkelen van instrumenten waarmee cliëntenraden zich een beeld kunnen vormen over de mate van brand(on)veiligheid bij de instelling. Bij de leden van de SP-fractie bestaat onduidelijkheid over deze instrumenten, hoe deze werken en welk doel dit heeft voor de cliëntenraden.

Op dit moment wordt met LOC Zeggenschap in Zorg gesproken op welke wijze zij de cliëntenraden het best kan ondersteunen. Inmiddels heeft het Rode Kruis Nederland zich bij ons gemeld om hier ook een inspanning voor te leveren. Ik wil hun bijdrage bezien in samenhang met de aangegeven activiteiten van het LOC.

De leden van de SP-fractie hebben geen duidelijk beeld wat de roadmap en de handreiking van de mate van zelf(on)redzaamheid inhoudt en wat het doel daarvan is. De leden van de SP-fractie vragen daarom om een analyse wat de inhoud en de tot standkoming precies inhoudt en of de bestuurder verplicht wordt deze instrumenten te gaan hanteren.

Zoals het kabinet in de stand-van-zakenbrief van 7 december 2012 heeft aangegeven, wordt bij het ontwerp en gebruik van gebouwen te weinig aandacht besteed aan brandveiligheid. De inspanning zijn te eenzijdig gericht op het voldoen aan regels en voorschriften. Een risicobenadering (geoperationaliseerd met een instrument zoals de roadmap) benadrukt dat de gebouweneigenaar, de ontwerper en de gebruiker dient na te denken over de wijze waarop de brandveiligheid wordt bereikt en geborgd. Een instrument vanuit de risicobenadering met daarin opgenomen een handreiking om de mate van zelf(on)redzaamheid te bepalen is behulpzaam bij het in kaart brengen en het vergroten van de bewustwording van de brandveiligheid en het gebruik van het gebouw.

De leden van SP-fractie constateren dat zorginstellingen zelf initiatieven ondernemen op het terrein van brandveiligheid. De leden van de SP-fractie vindt dit een positief punt. Daarom vragen de leden van de SP-fractie naar deze instellingen en vooral welke initiatieven zij ondernemen om de brandveiligheid te waarborgen.

Uit contacten met het veld is gebleken dat voor brandveiligheid meer aandacht is gekomen en dat er steeds meer instellingen zijn die nu tot actie overgaan om samen met de locale brandweer de brandveiligheid in de instelling te verhogen. In de brief van 7 december 2012 werd al verwezen naar initiatieven in de veiligheidsregio Amsterdam/Amstelland.

ActiZ en VGN starten samen met Brandweer Nederland in 2013 met een nieuwe aanpak brandveiligheid onder de noemer «Geen nood bij brand». Dit initiatief is gestart in de veiligheidregio Gelderland-Midden en krijgt nu een verdere landelijke uitrol. Daarvoor gaan zorgorganisaties van ActiZ en VGN vanaf nu nauw samenwerken met de locale brandweer. Doel is dat instellingen samen met de brandweer afspraken maken over brandveiligheid. Ik ben dan ook van mening dat mijn circulaire een bijdrage heeft gegeven om de brandveiligheid nu serieus te nemen en over te gaan tot actie.

De minister wil dat koepels brandveiligheid stimuleren bij haar leden door goede voorbeelden te verspreiden. De leden van de SP-fractie zijn het daar niet mee eens omdat de overheid daarvoor verantwoordelijk is. De leden van de SP-fractie zouden het positief vinden als de minister dit zelf oppakt en de minister wordt gevraagd hier op te reageren.

Zoals eerder is aangegeven is de bestuurder van de instelling primair zelf verantwoordelijk voor het op orde hebben en houden van de brandveiligheid in zijn instelling. Het zoeken naar en onderling uitwisselen van goede voorbeelden hoort daarbij. Wel is het Kabinet bereid de bestuurder te ondersteunen met een programma ondermeer gericht op het verspreiden van goede voorbeelden om de brandveiligheid snel op orde te kunnen krijgen. In dat kader wordt besproken hoe brandveiligheid het best kan worden opgenomen in het actieprogramma «In voor zorg».

De leden van de SP-fractie zijn benieuwd naar de maatwerkoplossingen waarover de minister in gesprek is met de betrokken brancheorganisaties (BoZ). De leden van de SP-fractie vragen wat de minister hier precies mee bedoelt.

Er wordt thans gesproken met de brancheorganisatie Zorg (BoZ), hoe zij, namens haar leden, een (maatwerk)bijdrage kunnen leveren bij het op orde brengen van de brandveiligheid.

De leden van de SP-fractie zijn geschokt dat de brandveiligheid in een aantal gemeenten niet op orde is, alleen al het handhavingsplan is bij 28 van de 413 gemeenten niet aanwezig en bij 51 niet actueel. Hoewel de minister aangeeft dat gemeenten voldoende prioriteit uitoefenen, vragen zij wat de minister bedoelt met «voldoende», zeker gezien de frequentie op toezicht die in de praktijk vaak lager ligt dan door de gemeenten wordt vastgelegd.

Hiermee wordt bedoeld dat de betrokken gemeente zich een zodanig beeld kunnen vormen waarmee zij een afdoende uitspraak kunnen doen over de kwaliteit van het brandveiligheidbeleid.

De leden van de SP-fractie keuren af dat gemeenten het Besluit omgevingsrecht niet aan de gemeenteraad rapporteert. De leden van de SP-fractie vragen zich af hoe dit kan en waarom dat niet wordt gedaan. Voorts willen de leden van de SP-fractie van de minister weten welke maatregelen zij gaat stellen bij gemeenten die in gebreke blijven.

Op grond van artikel 7.7 van het Besluit omgevingsrecht dienen burgemeester en wethouders periodiek te rapporteren over de doelen en activiteiten in het kader van de handhaving. Tevens dienen burgemeester en wethouders jaarlijks te evalueren of de voorgenomen handhavingactiviteiten ook zijn uitgevoerd. De Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) schrijft voor dat beide rapportages aan de gemeenteraad bekend worden gemaakt. Uit het onderzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) blijkt dat een deel van de gemeenten niet aan hun plicht op dit punt hebben voldaan. Uit het aanvullende onderzoek dat onlangs aan uw Kamer is aangeboden (Kamerstuk 26 956, nr. 154) blijkt dat dit deels komt doordat handhavingsbeleidsplannen nog niet zijn vastgesteld en dat evaluaties sinds de invoering van de wettelijke plicht nog niet zijn uitgevoerd.

Zoals de minister voor Wonen en Rijksdienst in de brief bij de aanbieding van het onderzoek «Vervolgonderzoek gemeentelijk toezicht op de brandveiligheid van zorginstellingen» heeft geschreven, ligt het als gevolg van de Wet revitalisering generiek toezicht per 1 oktober 2012 niet in de rede dat gemeenten door mij worden gewezen op een juiste taakuitvoering. Gedeputeerde Staten van de provincies hebben de taak toe te zien op de taakuitvoering door gemeenten. Gedeputeerde staten van alle provincies zijn inmiddels van de resultaten van dit onderzoek op de hoogte gesteld.

De minister geeft in haar brief aan dat bij 80% van de gemeenten in interviews is aangegeven dat bij de brandveiligheidscontroles vrijwel nergens structureel aandacht wordt besteed aan het doorvoeren van brandwerende scheidingen boven plafonds en leidingschaften. Ook blijkt dat tekeningen van brandscheidingen ontbreken in gemeentelijke dossiers. Zeker doordat het rapport; «Gemeentelijk toezicht op de brandveiligheid van zorginstellingen» door de Inspectie leefomgeving en transport aangeeft dat zonder dergelijke tekeningen adequate controle van de bouwkundige brandveiligheid niet of nauwelijks mogelijk is. De leden van de SP-fractie vinden dit bericht uitermate schokkend, en vragen welke maatregelen de minister per direct gaat treffen, om te zorgen dat gemeenten consequent bezig gaan met de brandveiligheid van zorggebouwen.

Zoals in eerdere kabinetsreacties naar aanleiding van onderzoek naar de brandveiligheid in de zorg is benadrukt dat de zorginstelling zelf primair verantwoordelijk is voor de naleving van de voorschriften voor het brandveilig bouwen en gebruiken van de (zorg)gebouwen. Deze voorschriften zijn neergelegd in de bouwregelgeving. Het eerstelijns toezicht hierop ligt bij gemeenten. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) concludeert in haar onderzoek (dat werd uitgevoerd in 2011 en 2012 en op 7 december 2012 aan uw Kamer is toegezonden) dat dit gemeentelijk toezicht op verschillende punten tekortschiet. In haar rol als tweedelijns toezichthouder heeft de ILT een aanvullend onderzoek verricht en de betrokken gemeenten hierop aangesproken en hen om een reactie gevraagd. De reacties van de gemeenten zijn verwerkt in een eindrapportage. De ILT heeft deze eindrapportage met daarin de resultaten per gemeente aangeboden aan het ministerie van BZK. De minister van Wonen en Rijksdienst heeft u onlangs dit rapport naar de Tweede kamer gestuurd, alsmede onder de aandacht gebracht van de Colleges van Gedeputeerde Staten. De ILT zal de gemeenten zelf op de hoogte stellen van het eindrapport. Dit eindrapport bevat tevens een overzicht van de bevindingen per gemeenten.

Met het in werking treden van de Wet revitalisering generiek toezicht per 1 oktober 2012 is het tweedelijns toezicht op de bouwregelgeving inmiddels overgegaan van het rijk (de ILT) naar de provincies. Hiermee is de rol van interbestuurlijk toezicht expliciet belegd bij de provincies. Onder de nieuwe wet heeft het rijk dus geen mogelijkheid om gemeenten aan te sporen adequaat te handhaven. Een herhalingsonderzoek naar het gemeentelijk toezicht op de brandveiligheid van zorginstellingen, zoals door een aantal fracties gevraagd, ligt om die reden niet voor de hand.

De leden van de SP-fractie wijzen op het Efectis-rapport «Vluchtcondities bij toepassing van brandwerende binnenwanden met brandbare isolatiematerialen indien toegepast in gebouwen met minder zelfredzame mensen». In dit rapport beveelt Efectis aan aanvullende eisen te stellen aan binnenwanden met brandbare isolatiematerialen, indien toegepast in gebouwen met minder zelfredzame personen. Hoewel het besluit over het opnemen van voorschriften voor de toepassing van brandbare isolatiematerialen in binnenwanden pas in 2014 behandeld zal worden door het ministerie van BZK, vragen de leden van de SP- fractie of dit voor de zorg al eerder mogelijk is.

Op 1 november 2012 heeft de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie uw Kamer geïnformeerd over dit Efectis-rapport. Deze brief (Kamerstuk 32 757, nr. 46) is vervolgens door uw Kamer besproken met de minister voor Wonen en Rijksdienst bij het Algemeen Overleg Bouwregelgeving en Brandveiligheid van 6 december 2012 (Kamerstuk 32 757, nr. 56). In de brief en bij dit overleg is aangegeven waarom pas in 2014 een beslissing zal worden genomen over eventuele aanpassing van de bouwregelgeving. Kortheidshalve verwijs ik de leden van uw fractie naar de genoemde Kamerstukken.

De minister gaat in haar brief in over de verantwoording van het Rijk. Zij geeft aan dat er zorg gedragen moet worden voor een heldere en dekkende regelgeving. Hoewel de leden van de SP-fractie daar mee eens zijn, merken zij op dat dit een enorm complexe uitdaging is, zeker doordat het beleid over brandveiligheid versnipperd is. Zo zijn zorginstellingen, de brandweer, de gemeente, de VROM-inspectie, het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het ministerie van Binnenlandse Zaken en het ministerie van Veiligheid en Justitie bezig de brandveiligheid te waarborgen. De leden van de SP-fractie zien dat er problemen zijn met de uitvoering van regels en normen, doordat het onduidelijk wordt, wie nu precies wat moet doen. Zij vragen de minister hierop te reageren in een uitgebreide analyse.

De formele verantwoordelijkheden voor het op orde hebben en houden van de brandveiligheid bij een instelling liggen helder vast. Er zijn verschillende organisaties betrokken het toezicht op brandveiligheid. De verantwoordelijkheden van de verschillende instanties sluiten op elkaar aan. De eigenaar van de voorziening(en) is primair verantwoordelijk voor de bouwkundige staat van het bouwwerk en dus het voldoen aan de daarvoor geldende voorschriften. De gebruiker van de voorziening is verantwoordelijk voor het brandveilig gebruik en de veiligheid van de bij hem in zorg zijnde patiënten/cliënten/bewoners. De gemeenten houden toezicht op de naleving van de bouw- en gebruiksvoorschriften krachtens de Woningwet. De Inspectie SZW is toezichthouder op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet. De bestuurder van de zorginstelling is verantwoordelijk voor de naleving van de wetgeving, de toezichthouder voor de wijze van het toezicht. De bestuurder en de toezichthouder kunnen op de eigen verantwoordelijkheid worden aangesproken.

Reactie op de inbreng van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie maken zich ernstig zorgen of er wel voldoende aandacht is bij de Raden van Bestuur voor brandveiligheid in hun zorginstellingen. Tevens vinden de leden van de CDA-fractie de staat van het handhaven door gemeenten onder de maat.

De leden van CDA-fractie geven aan dat de minister een brief naar de bestuurders van de zorginstellingen heeft gestuurd met het verzoek de brandveiligheid te verbeteren. De leden van de CDA-fractie vragen de minister of zij er voldoende vertrouwen in heeft dat hiermee voldoende aandacht is ontstaan voor brandveiligheid.

Uit contacten uit het veld wordt geconstateerd dat er sindsdien meer aandacht voor brandveiligheid is gekomen en dat er steeds meer instellingen zijn die tot actie overgaan om de brandveiligheid (samen met de locale brandweer) te verhogen. In mijn brief van 7 december 2012 werd uw Kamer verwezen naar initiatieven in de veiligheidsregio Amsterdam/Amstelland.

ActiZ en VGN starten samen met Brandweer Nederland in 2013 met een nieuwe aanpak brandveiligheid, onder de noemer «Geen nood bij brand». Dit initiatief is gestart in de veiligheidregio Gelderland-Midden en krijgt nu een verdere landelijke uitrol. Ik ben dan ook van mening dat de genoemde circulaire een bijdrage heeft gegeven aan het besef van de brandveiligheid.

De leden van de CDA-fractie geven aan dat vanuit de centrale overheid instrumenten aan de bestuurder van de instelling worden aangereikt. De leden van de CDA- fractie vragen op welke wijze deze instrumenten onder de aandacht van de bestuurder worden gebracht en hoe vrijblijvend en verplichtend zijn deze instrumenten. Waarom komen deze instrumenten niet eerder beschikbaar.

Bij de opleveringen van de aangeven instrumenten wordt de bestuurder daarover rechtstreeks geïnformeerd. De verantwoordelijkheden zijn helder. Er zijn al verschillende instrumenten voorhanden. Daaraan worden thans enkele instrumenten toegevoegd. Deze sluiten meer aan bij de belevingswereld van de zorgbestuurders en zorgverleners. Hierbij wordt onder meer een omslag gemaakt van regelgerichte naar een risicogestuurde omgeving. Het ontwikkelen van deze nieuwe instrumenten kost onder meer tijd, vanwege de hiermee samenhangende aanbestedingsprocedures.

Indien de bestuurder via andere wegen zijn verantwoordelijkheid waarmaakt, kan dat natuurlijk.

De leden van de CDA-fractie vragen of er een overzicht van instellingen bestaat die zich niet houden aan de voorgeschreven brandveiligheidseisen.

Het eerder genoemde eindrapport van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) dat onlangs naar de Tweede Kamer is gestuurd bevat tevens een overzicht van de bevindingen per gemeente.

De leden van CDA-fractie vragen welke mogelijkheden de minister heeft om instellingen te verplichten jaarlijks calamiteitenoefeningen te houden.

Er bestaat thans geen verplichting voor het uitvoeren van calamiteitenoefeningen. In opdracht van de minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid wordt een inventarisatie gemaakt van goede praktijken op het gebied van basishulpver-lening, waaronder praktijken in zorginstellingen. Onder meer deze inventarisatie zal partijen ondersteunen bij een adequate organisatie van hulpverlening in noodsituaties. Hieruit kan ook blijken of jaarlijkse oefeningen van belang zijn.

De minister van VWS zal hier bekendheid aan geven via het programma In voor Zorg. Op basis van de ontwikkelingen wil ik bezien welk samenstel van regels in termen van lasten en effectiviteit hier passend is.

De leden van de CDA-fractie vragen of de door het LOC zeggenschap in Zorg ontwikkelde instrumenten waarmee cliëntenraden een beeld van de brand(on)veiligheid van de instellingen kunnen vormen ook beschikbaar zijn voor de Verpleegkundig Advies Raad.

Deze instrumenten zijn voor een ieder beschikbaar, dus ook Verpleegkundige Advies Raad.

De leden van de CDA-fractie geven aan dat uit onderzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) dat het toezicht door het bevoegd gezag onder de maat is. De leden van de CDA-fractie verwijzen daarvoor naar het rapport van de ILT. De leden van het CDA-fractie vinden dit een verontrustende conclusie. De leden van de CDA-fractie vragen de minister of deze voornemens is gebruik te maken van zijn interventiemogelijkheden? Hoe dan en wanneer. Vervolgens

vragen zij de minister of deze al van zijn interventiemogelijkheden gebruik heeft gemaakt, bijvoorbeeld richting gemeenten waarvan is gebleken dat zij niet aan de wettelijke rapportage voldoen. In dit kader vragen de leden van de CDA-fractie aan de minister waarom de minister wil wachten tot de gemeenten op de onderzoeksresultaten hebben kunnen reageren. De leden van de CDA-fractie vragen daarom wanneer het ILT met een overzicht per gemeente komt. Kan de Kamer dit overzicht voor het debat over dit onderwerp ontvangen.

Als gevolg van de Wet revitalisering generiek toezicht per 1 oktober 2012 ligt het niet meer in de rede dat gemeenten door het Rijk worden gewezen op een juiste taakuitvoering. Vanaf die datum is tevens de invorderingsbevoegdheid van de minister ingevolge artikel 5.24 van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) komen te vervallen. Aangezien de resultaten van het ILT-onderzoek van belang kunnen zijn voor het door de provincies gevoerde interbestuurlijke toezicht op de taakuitvoering door gemeenten in het kader van de Wabo, heeft de minister voor Wonen en Rijksdienst het rapport tevens aan de Colleges van Gedeputeerde Staten van alle provincies toegezonden. De gemeenten worden separaat door de ILT geïnformeerd over het vervolgonderzoek.

De leden van de CDA-fractie vragen welke mogelijkheden de minister heeft om gemeenten te dwingen adequaat te handhaven wanneer instellingen niet voldoen aan de relevante bouwkundige voorwaarden rond brandveiligheid. Welke maatregelen neemt de minister nog meer om gemeenten te activeren hun toezichtrol adequaat te laten uitvoeren en op orde te krijgen. Op welke wijze is de minister al met de VNG in overleg getreden om hiervoor een aanvalsplan te maken.

Als gevolg van de Wet revitalisering generiek toezicht per 1 oktober 2012 ligt het niet meer in de rede dat gemeenten door het Rijk worden gewezen op een juiste taakuitvoering.

De leden van de CDA-fractie verwijzen naar de reactie van de minister dat deze de gemeenten heeft gevraagd een reactie te geven op het feit dat niet is voldaan aan de wettelijke rapportageplicht aan de gemeenteraad. De leden van de CDA-fractie verzoeken de minister het opgestelde eindoverzicht ook aan de vaste commissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan te bieden.

Op grond van artikel 7.7 van het Besluit omgevingsrecht dienen burgemeester en wethouders periodiek te rapporteren over de doelen en activiteiten in het kader van de handhaving. Tevens dienen burgemeester en wethouders jaarlijks te evalueren of de voorgenomen handhavingactiviteiten ook zijn uitgevoerd. De Wabo schrijft voor dat beide rapportages aan de gemeenteraad bekend worden gemaakt. Uit het onderzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) blijkt dat een deel van de gemeenten niet aan hun plicht op dit punt hebben voldaan. Uit het aanvullende onderzoek dat onlangs aan uw Kamer is aangeboden blijkt dat dit deels komt doordat handhavingsbeleidsplannen nog niet zijn vastgesteld en dat evaluaties – sinds de invoering van de wettelijke plicht – nog niet zijn uitgevoerd.

De leden van de CDA-fractie vragen de minister wanneer er een vervolgonderzoek volgt naar brandveiligheid in zorginstellingen om het effect van de aangegeven maatregelen transparant in beeld te krijgen.

In de periode 2013–2015 stel ik instrumenten beschikbaar om de brandveiligheid bij de instelling te verhogen. De verwachting van het kabinet is dat de bestuurder van de instelling hiermee beter hun in staat is om te voldoen aan wet- en regelgeving. Het is vervolgens aan de eerdergenoemde toezichthouders om hierop toe te zien. Ik acht het dus niet aangewezen om hier door mij onderzoek naar te laten verrichten.

Reactie op de inbreng van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met bezorgdheid kennisgenomen van de brief over de stand van zaken over de maatregelen ter bevordering van de brandveiligheid van zorginstellingen. De leden van de D66-fractie hebben grote zorgen over het feit dat de brandveiligheid van zorginstellingen nog steeds onder de maat is en dat de situatie sinds 2004 nauwelijks is verbeterd.

De leden van D66-fractie geven aan dat de minister een aantal activiteiten opsomt die moeten bijdragen aan het verbeteren van de brandveiligheid in de zorginstelling. De leden van de D66-fractie vragen daarom of Firefish al onder de aandacht van bestuurders is gebracht en hoe hebben deze daarop gereageerd.

TNO heeft op verzoek van de betrokken instellingen op 25 locaties de stand van de brandveiligheid van het zorggebouw met de inzet van Firefish in beeld gebracht. De ervaringen zijn positief, maar ook is geconstateerd dat er nog een aantal verbeteringen moeten worden aangebracht om dit instrument breed te verspreiden. Het gaat dan vooral op een verbreding van de digitale platforms waarop Firefish moet kunnen draaien en de rapportage mogelijkheden. Ik ben met TNO daarover in gesprek om verbeteringen op dat terrein te realiseren. Hierbij zal ook aandacht worden besteed aan de aansluiting van dit instrument op de belevingswereld en de praktijkomstandigheden van de bestuurder en de werkers in de zorg. Na deze aanpassing wordt, zoals eerder is aangeven, verder in overleg getreden met de bestuurders van instellingen over de toepassing van dit instrument.

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat cliëntenraden over meer instrumenten moeten beschikken om de brandveiligheid in beeld te brengen. Daarom vragen de leden van de D66-fractie of de minister kan aangeven of in dat kader het Actieprogramma Brandveiligheid wordt doorgezet? Zo ja, hoeveel middelen worden hiervoor beschikbaar gesteld.

In het verleden heeft het ministerie van VWS onder de paraplu van het Actieprogramma Brandveiligheid daarvoor de benodigde financiële middelen beschikbaar gesteld. Daaruit zijn ondermeer de door het LOC zeggenschap in Zorg ontwikkelde instrumenten uit gefinancierd. Voor een verdere ontwikkeling van instrumenten voor cliëntenraden zal op een zelfde wijze financiering plaatsvinden. Voor 2013 is voor het gehele programma rond brandveiligheid in zorginstellingen van de zijde van VWS € 0,8 miljoen beschikbaar.

De kwetsbare positie van cliënten in zorginstellingen maken het borgen van brandveiligheid extra belangrijk. In dat kader achten de leden van de D66-fractie het bijzonder nuttig wanneer instellingen de mate van zelf(on)redzaamheid in kaart brengen. In dat kader wordt momenteel gewerkt aan een handreiking die dat moet bevorderen. De leden van de D66-fractie vragen zich af waarom die handreiking pas eind 2013 beschikbaar is. Is het mogelijk dit proces te versnellen.

In de circulaire aan de voorzitters van de Raden van Toezicht en Bestuur is nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de rapporten van de gezamenlijke Rijksinspecties en het rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV). In het rapport van de OVV is stilgestaan bij de gevolgen van het niet nemen van adequate maatregelen bij niet zelfredzame personen. In de circulaire zijn de bestuurders opgeroepen daarvoor nu al maatregelen te nemen. Instellingen zijn met de uitkomsten van deze rapportages geattendeerd op de geconstateerde tekortkomingen en moeten instaat zijn daaraan tegemoet te komen door het nemen van adequate maatregelen als het gaat om het inschatten van de mate van kwetsbaarheid.

Het Kabinet ondersteunt de instelling met instrumenten waaronder het inzichtelijk maken van de mate van zelfredzaamheid. Het ontwikkelen van deze instrumenten kost meer tijd, ondermeer vanwege de hiermee samenhangende aanbestedingsprocedures.

De leden van de D66-fractie vinden dat waakzaamheid over brandveiligheid uiteindelijk vanuit de instellingen zelf moet komen. De leden van de D66-fractie constateren dat er vanuit de instellingen daartoe initiatieven zijn ontwikkeld. De leden van de D66-fractie vragen de minister op welke wijze de minister stimuleert dat goede voorbeelden worden verspreid, en in welke mate dit al gebeurd.

Ik onderzoek hoe ik samen met Vilans het thema brandveiligheid het best kan opnemen in het actieprogramma «In voor zorg». In voor zorg richt zich op Raden van Bestuur, managers en medewerkers op de werkvloer in de langdurige zorg en helpt organisaties toekomstbestendig te worden.

In aanvulling daarop ondersteun ik de ontwikkeling van instrumenten door afzonderlijke instellingen (opdat deze ook weer ten dienste van de sector kunnen worden gebracht). Zo heeft instelling Careyn een integraal modelbrandveiligheid ontwikkeld.

De leden van de D66-fractie delen de mening van de minister dat gemeenten een belangrijke verantwoordelijkheid hebben bij het toezicht op de brandveiligheid in zorginstellingen. De leden van de D66-fractie zijn geschrokken van de lage prioriteit en de beperkte inspectiefrequentie die een groot aantal gemeenten ten toon spreidt, als het gaat om het toezicht op brandveiligheid. De leden van de D66-fractie vinden het vanzelfsprekend dat de ILT de gemeenten daarop een brief heeft gestuurd met daarin de bevindingen van de betreffende gemeente. De leden van de D66-fractie vernemen graag welke acties de gemeenten naar aanleiding van de verzonden brieven hebben genomen en welke acties de ILT neemt wanneer de betrokken gemeenten niet reageren op de verzonden brieven, of wanneer acties uitblijven.

De leden van de D66-fractie worden verwezen naar de uitkomsten van het vervolgonderzoek van het ILT dat uw Kamer onlangs is toegezonden. Hierin staan beschreven welke acties er door gemeenten zijn genomen.

De leden van de D66-fractie vragen de minister voorts of het opvragen van de prioriteit en de inspectiefrequentie van het toezicht op de brandveiligheid over drie jaar herhaald kan worden, en/of er verscherpt toezicht is ingevoerd daar waar grote omissie zijn aangetroffen. Ook vernemen de leden van de D66-fractie op welke wijze de VNG hierbij is betrokken en biedt de VNG informatie en ondersteuning aan op dit punt.

Als gevolg van de Wet revitalisering generiek toezicht per 1 oktober 2012 ligt het niet meer in de rede dat gemeenten door het Rijk worden gewezen op een juiste taakuitvoering. Er is geen contact met de VNG over dit onderwerp. De VNG heeft aangegeven voor dit onderwerp geen capaciteit vrij te kunnen maken.

De leden van de D66-fractie benadrukken dat naast zorgaanbieders en gemeenten ook het Rijk een belangrijke verantwoordelijkheid heeft in het borgen van de brandveiligheid in zorginstellingen. De onderzoekers van het rapport «Brandveiligheid van zorginstellingen» achten het toezicht op brandveiligheid door verschillende diensten onwenselijk. Zij doen de aanbeveling het toezicht bij een toezichthouder te beleggen. De leden van de D66-fractie vernemen graag of de minister de intentie heeft deze aanbeveling over te nemen. Welke toezichthouder achten zij hier het beste voor geschikt? Deelt de minister de opvatting van de leden van D66-fractie dat daarbij het beste kan worden aangesloten bij een van de bestaande toezichthouders? Deze leden vragen de minister ten slotte wanneer de ingezette acties, die beogen de brandveiligheid in zorginstellingen te verbeteren, worden geëvalueerd. Welke resultaten moeten er dan naar mening van de minister zijn geboekt?

Zoals eerder op een van uw vragen is opgemerkt hoeft een sluitend systeem van toezicht niet per definitie bij één toezichthouder te worden geconcentreerd en kan dit op verschillende manieren worden gerealiseerd, bijvoorbeeld door het maken van goede afspraken tussen toezichthouders. Het aspect van samenloop van toezicht is nadrukkelijk onderwerp van overleg bij de ontwikkeling van regels voor basishulpverlening en evacuatie van minder zelfredzame personen. Ondermeer in dit verband wordt bezien welk samenstel van regels, in termen van lasten en effectiviteit, passend is.