Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132739 nr. 2

32 739 Schietincident Alphen aan den Rijn

Nr. 2 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 juli 2011

Op zaterdag 9 april jl. is Nederland geconfronteerd met een drama in winkelcentrum de Ridderhof in Alphen aan den Rijn. Hierbij waren zes dodelijke slachtoffers en zestien gewonden te betreuren.1 De dader heeft zichzelf van het leven beroofd. Met velen leeft het kabinet nog steeds mee met de slachtoffers en nabestaanden.

In mijn brief aan uw Kamer van 12 april jl. (kamerstuk 32 739, nr. 1) heb ik u gemeld dat het schietdrama in Alphen aan den Rijn aanleiding is geweest tot het instellen van een aantal onderzoeken. Doel en reikwijdte hiervan worden in deze brief uiteengezet. Een tweetal onderzoeken, het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoek van de Rijksrecherche, is thans afgerond. Met deze brief informeer ik u over de conclusies van beide onderzoeken.

1. Strafrechtelijk onderzoek

Direct na het incident is er een Team Grootschalig onderzoek opgestart onder leiding van het OM Den Haag. Dit onderzoek heeft zich in eerste instantie gericht op de vaststelling van de identiteit van de slachtoffers en de begeleiding van slachtoffers en nabestaanden. Daarnaast is er een reconstructie gemaakt van de gebeurtenissen van 9 april jl. Ook de achtergronden, het profiel van de dader en zijn leven zijn in kaart gebracht. Tevens is onderzocht of er sprake is geweest van mededaders en/of medeplichtigen, of er een persoon is geweest die de risico’s had moeten kunnen inschatten en of sprake was van een voorbereide actie.

Voor wat betreft de feiten die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, verwijs ik u naar bijlage I van deze brief.2

Er is vastgesteld dat er geen sprake was van mededaders danwel medeplichtigen bij het schietdrama. Tijdens het onderzoek is wel gebleken dat een persoon wetenschap had van het voornemen van de dader.

Aangezien het niet melden van het voornemen tot het plegen van bepaalde misdrijven (waaronder moord) in artikel 136 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar is gesteld, is hij als verdachte aangemerkt. Het OM heeft besloten dat deze persoon wordt vervolgd. Daarbij dient uitdrukkelijk opgemerkt te worden dat deze persoon verdacht wordt van het nalaten van het verstrekken van belangrijke informatie. Er is geen enkele aanwijzing dat deze verdachte hetzij als dader hetzij als medeplichtige iets te maken heeft met de schietdrama op 9 april jl.

2. Rijksrechercheonderzoek

De Rijksrecherche heeft in opdracht van het OM een onderzoek ingesteld naar de verstrekking van de wapenverloven aan de dader door het korps Hollands-Midden. Er is onderzoek gedaan naar de totstandkoming van de verlofverlening(en), de verlenging(en) daarvan en de controles op de door de dader gebruikte vuurwapens en de wapens welke in het bezit waren van zijn vader. Ook is onderzocht welke informatie omtrent de dader beschikbaar was bij het korps Hollands-Midden en of op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de geldende wet- en regelgeving.

Voor wat betreft de bevindingen van de Rijksrecherche verwijs ik u naar bijlage II.2

De belangrijkste conclusie die het OM uit het Rijksrechercherapport getrokken heeft, is dat in 2008 bij de beoordeling van de aanvraag voor een wapenverlof door de dader, de bij de politie Hollands-Midden aanwezige informatie uit 2006 (gedwongen opname van de dader in een GGZ inrichting) niet is betrokken. Ofwel de relevante informatie is door de infodesk niet verstrekt aan de behandelaar ofwel de behandelaar heeft de informatie over het hoofd gezien. Als de informatie wel was meegewogen had dit minimaal moeten leiden tot een vraag aan de dader om met een verklaring van een arts/psychiater te komen. Voor het nemen van de beslissing is de verklaring van een arts/psychiater in zo’n geval van essentieel belang.

3. Andere onderzoeken

Er lopen thans nog drie onderzoeken, een van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid, een van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid en een van de Inspectie Gezondheidszorg. De verwachting is dat deze onderzoeken in september worden afgerond. Een vierde onderzoek wordt uitgevoerd door de Politieacademie en start na de zomer. De afronding is eind van dit jaar gepland.

Onderzoeksraad voor Veiligheid

De Onderzoeksraad heb ik gevraagd onderzoek te doen naar het Nederlandse systeem ter beheersing van het legaal wapenbezit, om vast te stellen of het systeem voldoende functioneert en heeft gefunctioneerd in relatie tot dit schietdrama. De Onderzoeksraad richt zich hierbij zowel op de regelgeving als op de uitvoering en handhaving daarvan. Het rapport van de Rijksrecherche wordt beschikbaar gesteld aan de Onderzoeksraad opdat deze informatie meegenomen kan worden in het onderzoek.

Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV)

De IOOV is op verzoek van de driehoek Alphen aan den Rijn een onderzoek gestart naar de wijze waarop door de verschillende onderdelen van de crisisorganisatie invulling is gegeven aan hun taak met betrekking tot het schietdrama in Alphen aan den Rijn.

Er wordt ondermeer bezien hoe door de verschillende niveaus en betrokkenen binnen de crisisorganisatie uitvoering is gegeven aan hun taak en of dit conform de geldende regelgeving van de Wet en het Besluit Veiligheidsregio’s heeft plaatsgevonden.

Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ)

De IGZ laat onderzoek verrichten naar eventueel vermijdbaar en/of verwijtbaar handelen van zorgprofessionals of van het leveren van onvoldoende verantwoorde zorg binnen de GGZ-instelling Rivierduinen. Een externe onderzoekscommissie is hiertoe ingesteld die rapporteert aan de IGZ. Het inspectieoordeel van de IGZ zal naar verwachting in september gereed zijn.

Nederlande Politieacademie (NPA)

Op verzoek van de korpschef Hollands-Midden en met actieve steun van de gemeente Alphen aan de Rijn stelt de NPA een onderzoek in naar de dilemma's en keuzemomenten, die zich voor de verschillende professionals in situaties als in Alphen aan den Rijn kunnen voordoen bij de weging van meerdere en soms strijdige belangen van operationele, bestuurlijke en maatschappelijke aard.

4. Maatregelen

Toen na het incident bekend werd dat de dader mogelijk kampte met psychische problemen en tegelijkertijd de beschikking had over een wapenverlof hebben alle korpschefs direct besloten het toezicht te verscherpen op meldingen van vermeende psychische problematiek bij wapenverlofhouders. Dit behelst een controle van de informatie in politiesystemen en een eventuele extra huiscontrole.

Inmiddels hebben de korpschefs ook besloten tot uniformering en kwaliteitsverbetering van verlofverlening en toezicht binnen de gehele politieorganisatie. Concreet onderdeel van de kwaliteitsverbetering is het maken van risicoanalyses zodat toezicht en handhaving op wapenverlofhouders gerichter kan worden uitgevoerd in situaties met een verhoogd risico.

In het onderzoek van de Rijksrecherche wordt nu vastgesteld dat er informatie binnen het korps Hollands-Midden beschikbaar was die niet is betrokken in de beoordeling van de aanvraag tot verlofverlening. De korpschef Hollands-Midden heeft aangegeven dit tot zijn verantwoordelijkheid te rekenen. Om uit te kunnen sluiten dat bij meer beoordelingen van verlofaanvragen bij het korps beschikbare informatie buiten beschouwing is gelaten, heeft hij opdracht gegeven alle verleende wapenverloven waarbij meer informatie dan alleen de reguliere persoonsgegevens bij de politie voorhanden is (vgl. mutaties met betrekking tot assistentieverlening, antecedenten en geestelijke gesteldheid van de (aspirant)verlofhouder), opnieuw te bezien.

Naar aanleiding van de uitkomsten van het Rijksrechercheonderzoek zal een soortgelijke actie ook binnen de andere korpsen worden uitgevoerd.

Indien het rapport van de Onderzoeksraad of de bevindingen van de korpschefs daartoe aanleiding geven, zal ik uiteraard andere of verdergaande maatregelen nemen. Ik zal uw Kamer daarover zo spoedig mogelijk informeren.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten


X Noot
1

In de brief aan de Tweede Kamer van 12 april jl. is gelet op de op dat moment beschikbare informatie, ten onrechte vermeld dat er zeventien gewonden te betreuren waren.

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.