32 712 Wijziging van de Wet bodembescherming (Gebiedsgerichte aanpak van de verontreiniging van het diepere grondwater)

Nr. 14 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 maart 2013

Hierbij informeer ik uw Kamer over het overleg dat mijn ministerie op ambtelijk niveau met de Europese Commissie heeft gevoerd over de gebiedsgerichte aanpak van de sanering van het diepere grondwater. Aanleiding voor dit overleg was een toezegging van mijn ambtsvoorganger, gedaan tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet bodembescherming (Gebiedsgerichte aanpak van de verontreiniging van het diepere grondwater)1 op 18 januari 2012. Naar aanleiding van een uiteindelijk ingetrokken motie van het lid Van Veldhoven2 heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd dat mijn ministerie met de Europese Commissie in contact zou treden over de staatssteunaspecten van de gebiedsgerichte aanpak. Hiermee werd beoogd ondernemers vooraf zoveel mogelijk rechtszekerheid over de gebiedsgerichte aanpak te geven, naast de rechtszekerheid die de regeling in de Wet bodembescherming aan ondernemers geeft dat zij de publiekrechtelijke verantwoordelijkheid voor verontreinigingspluimen in het grondwater kunnen afkopen. Mijn ambtsvoorganger heeft tevens toegezegd uw Kamer te informeren over de uitkomsten van het overleg met de Europese Commissie.

Het overleg met de Europese Commissie heeft er niet toe geleid dat vooraf in algemene zin precies kan worden aangegeven wanneer in individuele gevallen van een gebiedsgerichte aanpak al dan niet sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Dit sluit aan bij de opmerkingen die mijn ambtsvoorganger tijdens het debat met uw Kamer heeft gemaakt, dat de specifieke afspraken die per gebied worden gemaakt bepalen of sprake is van onrechtmatige staatssteun. Het overleg met de Europese Commissie heeft wel duidelijkheid gebracht over de uitgangspunten die daarbij moeten worden gehanteerd.

Om staatssteun te voorkomen, is volgens de Europese Commissie het beginsel «de vervuiler betaalt» van belang. Dit brengt mee dat saneringsplichtige veroorzakers en eigenaren van historische verontreinigingen die hun (publiekrechtelijke) verantwoordelijkheid voor de sanering in het kader van de gebiedsgerichte aanpak aan de gebiedsbeheerder overdragen, de kosten van deze aanpak, die overeenkomen met hun gezamenlijke aandeel, volledig voor hun rekening nemen. De Richtlijn milieuaansprakelijkheid geeft een ruime definitie van het begrip kosten, waaronder bijvoorbeeld ook onderzoek en monitoring vallen. Ook moet er op worden gelet dat projectontwikkelaars geen ongeoorloofde staatssteun ontvangen.

De Europese Commissie heeft er begrip voor dat het in een gebied waar de verontreinigingen door elkaar lopen, niet mogelijk is ieders verantwoordelijkheid en aandeel in de kosten afzonderlijk te bepalen. Zij heeft tegen de Nederlandse aanpak op dit punt geen bezwaren uit een oogpunt van staatssteun.

Voor zover volgens het nationale recht niemand voor de verontreiniging verantwoordelijk kan worden gesteld, kunnen volgens de Europese Commissie de kosten van de gebiedsgerichte aanpak door de gebiedsbeheerder worden gedragen, zoals de kosten van sanering van de meeste verontreinigingen die voor 1975 zijn ontstaan.

Met het voorgaande hoop ik uw Kamer naar tevredenheid te hebben geïnformeerd over de Europese aspecten van de financiering van de gebiedsgerichte aanpak van grootschalige verontreiniging van het diepere grondwater.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld


X Noot
1

Kamerstukken II, 32 712

X Noot
2

Kamerstukken II 2011/12, 32 712 , nr. 12.

Naar boven