Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201732698 nr. 35

32 698 Hoogwaterbeschermingsprogramma

Nr. 35 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 6 juni 2017

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur en Milieu over de brief van 30 maart 2017 inzake 11e voortgangsrapportage (VGR11) van het Tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP-2) met peildatum 31 december 2016 (Kamerstuk 32 698, nr. 33).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 2 juni 2017. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie, Van Veldhoven

De adjunct-griffier van de commissie, Jansma

Vraag 1

Wat betekent de nieuwe normering, die nog niet volledig is uitgewerkt, precies voor projecten binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma-2 (HWBP2)?

Antwoord 1

Projecten binnen HWBP-2 zijn of worden versterkt op basis van de «oude normering». In de periode tussen 2014 en 2016 is voor de projecten die zich in de planfase bevonden middels consequentieanalyses de impact van de nieuwe normering bepaald. Doel hiervan was om te kunnen bepalen of er sprake was van een grote onder- of overinvestering indien het project zou uitgaan van de nieuwe normen. Bij één project (Waddenzeedijk Texel) heeft dit geleid tot een tweetal verzwaringen van ontwerpoplossingen zodat na versterking er geen vroegtijdige afkeuring op basis van de nieuwe norm zal plaats vinden.

Bij projecten waarbij de vaststelling van het Projectplan Waterwet na het in werking treden van de nieuwe normering op 1-1-2017 plaatsvindt, wordt van de nieuwe normen uitgegaan. Binnen het HWBP2 is het project Markermeerdijken het enige project dat op basis van de nieuwe norm wordt gerealiseerd.

Vraag 2

Kunt u aangeven bij welke projecten de risico’s, zowel op financieel als beleidsmatig terrein, zijn toegenomen ten opzichte van de vorige voortgangsrapportage?

Antwoord 2

De risico’s zijn over het geheel aan projecten afgenomen ten opzichte van de vorige VGR (zie: VGR tabel 11) (Kamerstuk 32 698, nr. 33, bijlage p. 24). In tabel 5 en 6 van de VGR11 (Kamerstuk 32 698, nr. 33, bijlage p. 18 en 19) worden de toprisico’s binnen het programma met gevolgen in tijd en geld aangegeven. Deze toprisico’s spelen bij vijf projecten. Het gaat hier veelal om projecten die nog in realisatie zijn. Het betreft operationele informatie met een direct verband met financiële risico’s. Conform de afspraken over informatievoorziening Infrastructuur en Milieu (Kamerstuk 27 625, nr. 195), kan ik u geen details op projectniveau geven.

Vraag 3

Hoe groot zal het meerjarige kaseffect van de vertraging van het project Markermeerdijk Hoorn-Edam-Amsterdam zijn? Is hierbij alleen sprake van een vertraging of is er ook sprake van hogere of lagere kosten? Heeft dit gevolgen voor de programmaraming?

Antwoord 3

Er is op dit moment enkel sprake van een vertraging van de planprocedure. De vertraging heeft voor zover nu bekend geen gevolgen voor de programmaraming. Het meerjarig kaseffect op programmaniveau is inzichtelijk gemaakt in de VGR (zie: tabel 15) (Kamerstuk 32 698, nr. 33, bijlage p. 26).

Vraag 4

Wanneer zal de realisatiefase van het project Markermeerdijk Hoorn-Edam-Amsterdam starten? Wanneer zal het project worden afgerond? Is deze vertraging aanleiding om de mijlpaal Dijk Veilig 2021 los te laten?

Antwoord 4

De realisatie zal starten nadat de formele inspraakprocedure is doorlopen. Dat is voorzien in medio 2018. Vooralsnog is er op dit moment geen aanleiding om de mijlpaal 2021 «dijk veilig» los te laten.

Vraag 5

Waarom wordt de «Elastocoast», een nieuw, innovatief middel om dijken duurzaam te beschermen, nog niet op grote schaal bij dijkverbeteringsprojecten gebruikt?

Antwoord 5

Elastocoast is een innovatief materiaal dat een dijk duurzaam kan beschermen. Het is daarmee één van de mogelijke oplossingen die zou kunnen worden gebruikt om specifieke veiligheidstekorten van waterkeringen op te lossen. Wetterskip Fryslân heeft als eerste Elastocoast op grote schaal toegepast. De eigenschappen van Elastocoast pasten goed bij de specifieke situatie van deze waterkering. Gezien het innovatieve karakter van Elastocoast wordt het materiaal gemonitord en geëvalueerd.

Vraag 6

Wanneer komt er duidelijkheid over de grootte van de schade van loslatende bekleding bij de Waddenzeedijk Friese Kust? Kunt u inschatten hoe groot de kans is dat dit onder de garantiebepalingen van de aannemer valt of dat het tot financiële tegenvallers voor de overheid of waterschappen leidt? Indien het tot financiële tegenvallers leidt, wat is dan de omvang van deze tegenvallers?

Antwoord 6

Na de verslagleggingsperiode is gebleken dat bij delen van de Elastocoast bekleding sprake is van loslatende stenen. De aard en omvang hiervan wordt momenteel onderzocht. Indien er sprake is van (financiële) consequenties dan is de afwikkeling, tussen de aannemer, het waterschap en HWBP-2, afhankelijk van de resultaten van het onderzoek en van de contractuele verantwoordelijkheidsverdeling tussen de partijen.

Vraag 7

In hoeverre leidt de vertraging in de oplevering van de keersluis Meppelderdiep Zwartsluis tot extra kosten? Waarom kan hier de definitieve bediening nog niet worden geïnstalleerd?

Antwoord 7

De vertraging leidt niet tot extra kosten voor het HWBP-2. De realisatie van de definitieve bediening is inmiddels gerealiseerd. De opleveringstoets wordt deze zomer uitgevoerd.

Vraag 8

Kan worden toegelicht of het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) gebruik gaat maken van meefinanciering om zijn wensen ten opzichte van de Waddenzeedijk Texel te realiseren?

Antwoord 8

Het NIOZ en het NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) hebben kenbaar gemaakt bereid te zijn een groot deel van de meerkosten die worden gemaakt ten opzichte van de (subsidieerbare) kosten van de dijkversterking te financieren om haar wensen te bereiken. Recentelijk is gebleken dat, met hulp van andere partijen, waaronder mijn ministerie, er voldoende financiering is om de additionele wensen van alle betrokken partijen te realiseren. Hierdoor kan de voorlandkering nabij het NIOZ worden opgewaardeerd tot een primaire kering.

Vraag 9

Kunt u aangeven welke factoren er allemaal hebben meegespeeld waardoor de start van het project Markermeerdijk Hoorn-Edam-Amsterdam is vertraagd? Waarom moest er een nieuw omgevingsproces plaatsvinden en in hoeverre had hier eerder op geanticipeerd kunnen worden?

Antwoord 9

De omgeving van het project Markermeerdijk Hoorn-Edam-Amsterdam is zeer betrokken bij de nadere planuitwerking van het project. In het planvormingsproces is met joint fact finding een belangrijke stap gezet om het vertrouwen te vergroten en de omgeving constructief te betrekken bij het project. Als belangrijkste aandachtspunt zie ik de wens om samen met omwonenden aan goed inpasbare oplossingen te blijven werken, juist op die locaties waar historische en landschappelijke waarden onder druk staan. Om dit te borgen dient het zorgvuldige omgevingsproces onder regie van het hoogheemraadschap te worden voortgezet.

In het omgevingsproces dient tegelijkertijd aandacht te worden besteed aan realistische verwachtingen. De waterveiligheidsopgave zal onherroepelijk lastige keuzes vergen die gezamenlijk tegemoet getreden moeten worden. Op twee van de veertien deeltrajecten, te weten Uitdam en Durgerdam, vormt dit aanleiding om het participatieproces te verlengen in de verwachting daarmee een oplossing te vinden die breder draagvlak heeft. De start van de formele planprocedure van het project is daarvoor met zes maanden uitgesteld.

Vraag 10

Wat zijn precies de knelpunten bij de uitvoering van het project Markermeerdijk?

Antwoord 10

Tijdens de planvorming liggen de knelpunten in de uiteenlopende belangen vanuit waterveiligheid, bewoners op en naast de dijk, de monumentale status van de dijk en natuur- en recreatieve aspecten. Hierdoor komt de besluitvorming over het project onder druk. Voor de uitvoering van het project Markermeerdijken vergt het bouwen in de slappe ondergrond, de nabijheid van bebouwing en andere infrastructuur bijzondere aandacht.

Vraag 11

Kunt u aangeven wanneer welke besluitvorming over het project Markermeerdijk moet zijn afgerond en door wie dat moet gebeuren? Welke afspraken zijn hier concreet over gemaakt om de nieuwe prognose voor 2018 te halen?

Antwoord 11

Het hoogheemraadschap dient het (Ontwerp) Projectplan Waterwet (OPPW) vast te stellen. Vervolgens dient provincie Noord-Holland dit ter visie te leggen. Na het verwerken van de ingediende zienswijzen door het hoogheemraadschap dient de provincie Noord-Holland dit goed te keuren en de bijbehorende (ontwerp) vergunningen te verlenen. Voorzien is dat deze procedure medio 2018 is afgerond, waarna de realisatie gestart kan worden.

Vraag 12

In hoeverre hebben de veiligheidsnormen en regels met betrekking tot het HWBP2 geleid tot een vertraging in de start van het project Markermeerdijk?

Antwoord 12

Dit is niet van invloed op de planning. Het project Markermeerdijken past de nieuwe normering van 2017 reeds toe en daarover zijn met programmabureau HWBP2 in het kader van subsidieverlening passende afspraken gemaakt.

Vraag 13

Welke kosten zijn er gemoeid met de vertraging van het project Markermeerdijk? Heeft dit gevolgen voor de programmaraming?

Antwoord 13

Zie mijn antwoord op vraag 3. In lijn met mijn antwoord op vraag 2 stel ik geen (financiële) informatie op projectniveau beschikbaar.

Vraag 14

Hoe groot zijn de kansen dat de in het programma benoemde risico’s zich zullen manifesteren?

Antwoord 14

De kansen zijn op het niveau van de projecten gekwantificeerd. De kansen variëren per project en zijn daardoor niet zonder meer te vertalen naar een kans op programmaniveau.

Vraag 15

Bij welke projecten zijn de financiële en planningsrisico’s groter geworden ten opzichte van de vorige voortgangsrapportage?

Antwoord 15

Zie mijn antwoord op vraag 2.

Vraag 16

Wat is de omvang van de exogene risico’s voor het programma in tijd en geld? Zijn de exogene risico’s verwerkt in de risicoreservering?

Antwoord 16

Exogene risico’s zijn risico’s die buiten de scope (opdracht) van het programma vallen, maar wel gevolgen kunnen hebben voor de kosten of de planning van het programma. Deze risico’s zijn voor de volledigheid wel benoemd, maar worden conform de uitgangspunten in de basisrapportage (bijlage bij Kamerstuk 27 625, nr. 249), niet opgenomen in de programmaraming en -planning.

Vraag 17

Wanneer wordt duidelijk wat de gevolgen van de nieuwe normering zijn op de uitwerking van het project Markermeerdijk? Kunnen de mogelijke risico’s die hieraan verbonden zijn ook met terugwerkende kracht voor andere projecten gelden?

Antwoord 17

Project Markermeerdijken ontwerpt reeds met de nieuwe normering en de bijbehorende instrumenten. Voor de overige HWBP-2 projecten zijn Projectplannen Waterwet onherroepelijk vastgesteld. In deze projecten zijn de tijd of geld risico’s ten gevolge van de nieuwe normering niet meer aan de orde. Zie ook mijn antwoord op vraag 1.

Vraag 18

Wanneer verwacht u meer duidelijkheid te kunnen geven over de grootte van de verwachte vrijval van budget in de rijksbegroting voor 2018?

Antwoord 18

Evenals in 2015 en 2016 verwacht ik dat er als gevolg van de dalende trend in de programmaraming budget kan vrijvallen. Volgens de bestuurlijk afgesproken verdeelsleutel zal dit worden ingezet bij het Hoogwaterbeschermingsprogramma (2/3 deel) en voor de waterveiligheidsopgave in het Deltafonds (1/3 deel). Dit wordt aan u voorgelegd in de ontwerpbegroting 2018.

Vraag 19

Kunnen volgens de gemaakte afspraken over de Deltafonds-investeringsmiddelen voor water, ook personeelskosten voor het ministerie worden gefinancierd?

Antwoord 19

Dat is mogelijk. In de begroting van het Deltafonds op artikel 5.01 wordt de bijdrage aan de apparaatskosten van Rijkwaterstaat voor onder andere de waterveiligheidsprojecten en Staf Deltacommissaris jaarlijks verantwoord.

Vraag 20

Waarom kiest u ervoor om personele kosten voor Eenvoudig Beter deels te financieren vanuit de investeringsruimte voor (infrastructuur-) en waterprojecten?

Antwoord 20

De omvang van de investeringen van Eenvoudig Beter (EB) zijn dermate hoog dat hiervoor geen dekking op de IenM begroting beschikbaar is. Om deze reden zijn voor de eenmalige uitgaven ten behoeve van het programma Eenvoudig Beter middelen vrijgemaakt uit de investeringsruimten van het Infrafonds en van het Deltafonds. Voor een overzicht van de toegekende budgetten voor EB verwijs ik u naar de extracomptabele tabel bij artikel 13.05 van de begroting HXII.

Vraag 21

Hoe groot is de verwachte vrijval van budget die in de begroting voor 2018 zal worden verwerkt?

Antwoord 21

Zie mijn antwoord op vraag 18.

Vraag 22

Hoe verhoudt de voorziene budgetverlaging zich tot de programmaraming en de bandbreedtes hierbij? Wordt de kans op budgetoverschrijding hiermee wederom groter?

Antwoord 22

De grondslag voor de voorziene budgetverlaging is de programmaraming, waarbij het verschil tussen programmabudget en programmaraming in aanmerking komt voor vrijval. De verwachting is dat de raming nog verder zal dalen. Om deze redenen acht ik het verantwoord om bij de ontwerpbegroting 2018 een voorstel te doen voor budgetverlaging. Voor een verdere toelichting zie mijn antwoord op vraag 24.

Vraag 23

Klopt het dat de omvang van doorlopende verplichtingen voor 2029 en 2030 (nu geraamd op 1,8 miljard euro) nog verder toenemen? Zo ja, met welk bedrag en wanneer kunnen die doorlopende verplichtingen tegemoet gezien worden?

Antwoord 23

Er zijn geen verplichtingen in de jaren 2029 en 2030 voor het HWBP-2.

Vraag 24

Klopt het dat de verlaging van het budget met 327 miljoen euro een kans op budgetoverschrijding met zich mee brengt van meer dan 15% (gebaseerd op de bandbreedte van de programmaprogrammering)? Zo ja, kan worden toegelicht waarom ondanks het hogere overschrijdingsrisico toch gekozen is voor vrijval?

Antwoord 24

De probabilistische doorrekening van de raming leidt tot een bandbreedte op basis van een statistische bepaling van de programmaraming. De probabilistische doorrekening geeft aan dat met 85% zekerheid kan worden gesteld dat de programma-uitgaven binnen de bandbreedte zullen passen.

Dit is een andere benadering dan de inschatting van de programmaraming die elk kwartaal wordt gemaakt op basis van prognoses van projecten en programma. Daarnaast beschikt de raming over een risicoreservering op project- en programmaniveau. Op dit moment is de verwachting dat het programma HWBP-2 binnen de huidige programmaraming kan worden afgerond en ben ik van mening dat de doorgevoerde budgetverlaging verantwoord is.

Vraag 25

Is de programmaraming (gebaseerd op een overschrijdingsrisico van maximaal 15%) meegewogen in de bepaling van het nieuwe budget voor het HWBP2? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 25

Ja, de budgetvrijval en het nieuwe programmabudget is gebaseerd op de programmaraming, bestaande uit de raming van alle projecten inclusief de risicoreserveringen in de projecten en het programma. Zie ook mijn beantwoording van vraag 22 en 24.