Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201332698 nr. 10

32 698 Hoogwaterbeschermingsprogramma

Nr. 10 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 23 mei 2013

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister voor Infrastructuur en Milieu over de brief 26 maart 2013 over de 3e voortgangsrapportage van het tweede Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP-2) (Kamerstuk 32 698, nr. 9)

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 22 mei 2013. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Paulus Jansen

De adjunct-griffier van de commissie, Blacquière

Vraag 1

Op welke manier wordt rekening gehouden met cultuur, historische en economisch toeristische perspectieven bij de uitvoering van het Hoogwaterschermingsprogramma-2 (HWBP-2)?

Antwoord 1

Het borgen van andere belangen naast de waterveiligheid betreft lokaal en regionaal maatwerk. Dit vindt plaats in de (plan)uitwerking van de individuele projecten door de verantwoordelijke beheerders, waarbij belanghebbenden zijn betrokken.

Vraag 2

Wordt in de uitvoering gekeken naar economische kansen en toeristische mogelijkheden waarbij tevens oog is voor lokaal en regionaal maatwerk? Zo ja, worden deze mogelijkheden dan gekoppeld aan financiering uit (EU-)fondsen?

Antwoord 2

Op programmaniveau vindt geen structurele coördinatie plaats voor benutting van beschikbare (EU-) fondsen voor deze kosten. Vanuit HWBP-2 wordt subsidie verleend voor financiering van de waterveiligheid, met als basiscriteria «sober, robuust en doelmatig». Indien een project extra kosten maakt voor de realisatie of het behouden van een of meerdere andere (lokale of regionale) belangen, dan dient binnen het betreffende project gezorgd te worden voor de aanvullende financiering hiervan. De beheerder is hiervoor verantwoordelijk.

Zie ook het antwoord op vraag 1

Vraag 3

Wat zijn de gevolgen van de recente behandeling van de wijziging van de Waterwet inzake doelmatigheid en bekostiging hoogwaterbescherming (Kamerstuk 33 465) voor de uitvoering en financiering van het Hoogwaterbeschermingsprogramma-2?

Antwoord 3

Met het aannemen van het wetsvoorstel is de financiële dekking en daarmee de voortgang van HWBP-2 gewaarborgd. Wat betreft de subsidievoorwaarden, bepaalt het wetsvoorstel dat voor de HWBP-2 projecten 100% van de werkelijke kosten vergoed blijven worden. Daartoe wordt in het Waterbesluit een limitatieve lijst van HWBP-2 projecten opgenomen.

Vraag 4

Hoe groot acht u het risico dat nog meer projecten pas na 2017 zullen worden afgerond? Welke projecten – naast die waarvan het al is aangegeven – lopen het risico om na 2017 te worden afgerond? Wat gaat u doen om het risico dat meer projecten na 2017 worden afgerond te beheersen?

Antwoord 4

Op basis van de huidige inzichten zijn er thans geen aanwijzingen dat de planning zal uitlopen, anders dan aan uw Kamer gerapporteerd in VGR3. De planning van de projecten heeft bij beheerders en programmabureau de voortdurende aandacht. Dit geldt in het bijzonder voor projecten die volgens de planning in of na 2017 worden afgerond. De afgelopen periode zijn de planningen van de projecten waarvan dit jaar een voorkeursalternatief wordt vastgesteld geoptimaliseerd met behulp van experts en collegiale toetsing door beheerders. Daarnaast is de capaciteit bij het programmabureau vergroot, waardoor beheerders nog intensiever worden begeleid. Op deze wijze wordt het planningsrisico beheerst.

Vraag 5

Zijn er mogelijkheden om projecten uit het Hoogwaterschermingsprogramma-2 naar voren te halen of om te ruilen met projecten die pas na 2017 afgerond kunnen worden?

Antwoord 5

De beheerders zoeken actief naar mogelijkheden om projecten te versnellen. De mogelijkheden om projecten te versnellen worden al zoveel als mogelijk benut. Omruilen met projecten die na 2017 worden afgerond is niet mogelijk.

Vraag 6

Wat is de voortgang met betrekking tot het Volkerak-Zoommeer en de Grevelingen en de integrale aanpak van de Zuidwestelijke Delta?

Antwoord 6

Deze projecten maken geen onderdeel uit van HWBP-2. Over de voortgang van het Volkerak-Zoommeer is uw Kamer middels de VGR Ruimte voor de Rivier geïnformeerd. Over de integrale aanpak van de Zuidwestelijke Delta wordt u voor het zomerreces separaat geïnformeerd.

Vraag 7

Kunt u aangeven hoe het parallel schakelen van processen kan leiden tot het tijdig behalen van de geplande einddata, gelet op de kritiek in het accountantsrapport bij de vorige voortgangsrapportages?

Antwoord 7

Bij veel projecten zijn de verschillende stadia aanvankelijk volgordelijk (serieel) gepland. Door onderdelen gelijktijdig (parallel) uit te voeren kan veelal alsnog tijdwinst worden geboekt. Dit geldt in het bijzonder voor de laatste fase van de planvorming, die parallel kan lopen met een vroegtijdige marktbenadering.

Vraag 8

Kunt u toelichten op wat voor manier de interactie tussen de beheerders en het programmabureau verbeterd gaat worden?

Antwoord 8

De volgende activiteiten zijn in dit kader opgepakt. Ten eerste is het programmaplan van HWBP-2 geactualiseerd. Deze set met werkafspraken tussen programmabureau en beheerders is op onderdelen aangescherpt en deels al geïmplementeerd. Daarnaast zijn meer projectbegeleiders aangesteld, die fungeren als eerste aanspreekpunt tussen beheerders en het programmabureau. Tot slot wordt er geïnvesteerd in de uitwisseling van kennis en personeel.

Vraag 9

Wat houden de vastgestelde regels op basis waarvan beheerders voorstellen kunnen doen om aanspraak te maken op het binnen het Hoogwaterschermingsprogramma-2 beschikbare innovatiebudget van € 5 miljoen precies in?

Antwoord 9

De vastgestelde regels voor benutting van het innovatiebudget van € 5 miljoen zijn dat er sprake dient te zijn van een projectoverstijgend karakter en dat er een externe beoordeling plaatsvindt op onder andere inhoudelijke vernieuwing en meerwaarde voor de dijkversterking. Tevens moet er een breed draagvlak voor de innovatieve oplossing zijn.

Vraag 10

Kan u uitleggen hoe de aanbevelingen van de Auditdienst Rijk verder geconcretiseerd en geïmplementeerd zullen worden?

Antwoord 10

De voornaamste aanbeveling van de ADR betrof de beheersing op projectniveau. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij de beheerders. De afgelopen periode heeft het programmabureau ondersteuning aangeboden op dit punt. Gezamenlijke risicosessies hebben plaatsgevonden en afspraken over de afronding van de resterende voorkeursalternatieven zijn vastgelegd. Dit moet leiden tot een verdere stabilisering van de planning, eveneens een belangrijk aandachtspunt in het rapport van de ADR.

De aanbevelingen van de ADR zijn verder gebruikt bij het opstellen van het geactualiseerde programmaplan HWBP-2. De implementatie van deze afspraken is momenteel gaande, waarbij de ADR regelmatig wordt geconsulteerd. De monitoring van de implementatie vormt een nadrukkelijk onderdeel van de bestuurlijke overleggen tussen rijk en beheerders.

Vraag 11

Wat zijn de financiële consequenties van de vertraging van W2–014 IJsselmeer, kleibekleding en pipingmaatregelen?

Antwoord 11

De vertraging bij dit project ontstond toen bleek dat een integrale en daarmee complexere versterking benodigd was. Dit heeft tot gevolg dat de projectkosten naar verwachting circa 10 mln. euro hoger zullen uitvallen dan oorspronkelijk was voorzien. De stijging van deze projectkosten is reeds in de programmaraming van VGR3 verwerkt.

Vraag 12

Waarom wordt bij project R2–034 (Sluizencomplex Terneuzen) de aanleg van een nieuwe sluis in plaats van de geplande aanpassing van de Middensluis niet in het project betrokken, maar wordt het project als afgerond beschouwd? Wat zijn hiervan de verwachte kosten afgezet tegen de kosten van aanpassing?

Antwoord 12

Dit project bestond aanvankelijk uit een combinatie van diverse onderdelen (de Oosthavendijk en de buitenhoofden inclusief deuren van de drie sluizen: oost, midden en west). De Middensluis is het enige onderdeel dat nog niet is afgerond. Inmiddels is er een MIRT-besluit genomen om de Middensluis integraal te vervangen door een nieuwe grote zeesluis. Deze nieuwe zeesluis voorziet tevens in de hoogwaterveiligheid. Hierdoor is HWBP-2 project R2–034 eerder en tegen minder kosten afgerond dan oorspronkelijk voorzien. Vergelijking van de kosten van nieuwbouw en versterking is moeilijk te maken, aangezien het om twee onvergelijkbare projecten gaat. Bovendien worden de kosten van nieuwbouw in belangrijke mate gedragen door Vlaanderen.

Vraag 13

Welk beschermingsniveau is momenteel bij het Sluizencomplex Terneuzen gerealiseerd en wanneer wordt hier het gewenste beschermingsniveau gerealiseerd? Welke gevolgen heeft het niet aanpassen van de Middensluis voor het beschermingsniveau?

Antwoord 13

Alle onderdelen van het sluizencomplex Terneuzen zijn op het vereiste beschermingsniveau. Een uitzondering hierop is nu nog de Middensluis waarvoor het risico van overslag bestaat totdat de nieuwe zeesluis is gerealiseerd, naar verwachting in 2021. De beheerder beoordeelt dit risico als acceptabel.

Vraag 14

Hoe kan het dat drie projecten (WN-014b, WN-017 en WN-018) ineens aan de veiligheidsnorm voldoen?

Antwoord 14

Uit de derde wettelijke toetsing op veiligheid (2006 – 2011) bleek dat deze keringen in het achterland van de Maeslantkering aan de wettelijke norm voor waterveiligheid voldoen. De beheerders hebben daarom aangegeven dat geen verdere versterkingen nodig zijn. De basis voor deze beslissing komt voort uit nadere inzichten over de maatgevende omstandigheden (waterstanden) in dit gebied die in het instrumentarium voor de derde toetsronde zijn verwerkt.

Vraag 15

Wat is de reden dat de oplevering project W2–042 Merwededijk Werkendam is uitgesteld naar 2015? Wat hebben de aard en de omvang van het project te maken met deze vertraging?

Antwoord 15

Het dijkversterkingsplan voorziet in een rivierwaartse ophoging waarbij een omvangrijk grondlichaam moet worden aangebracht. De ondergrond van dit grondlichaam bevat slappe grondlagen die zich moeten aanpassen aan de nieuwe grondbelasting; de ondergrond moet de tijd krijgen om gecontroleerd samengedrukt te worden. Daarom is het nodig het nieuwe grondlichaam in een geleidelijk tempo aan te brengen. Uit berekeningen van uitvoeringsstabiliteit en zetting blijkt dat het wenselijk is hiervoor de uitvoeringsperiode te verlengen tot eind 2015.

Vraag 16

Wat is de reden dat het voorkeursalternatief voor het project W2–014 IJsselmeer, kleibekleding en pipingmaatregelen, nog niet is vastgesteld? Wanneer wordt dit nu wel vastgesteld? Wat zijn de financiële consequenties van de vertraging?

Antwoord 16

Het beoogde voorkeursalternatief wordt momenteel door de beheerder op enkele onderdelen nog nader uitgewerkt. De vaststelling van het voorkeursalternatief is in de zomer van 2013 voorzien.

Zie het antwoord op vraag 11 voor de financiële consequenties.

Vraag 17

Wat is de ernst van de afschuiving bij project W2–003 Markermeerdijk Enkhuizen-Hoorn? Wat zijn hier de consequenties van voor de planning? Heeft dit financiële gevolgen? Zo ja, wat zijn die gevolgen en wie gaat daarvoor opdraaien?

Antwoord 17

Over een zeer beperkte lengte is een afschuiving opgetreden. Deze heeft geen consequenties voor de veiligheid. Reparatie van de afschuiving zal voor de zomer gereed zijn. Pas als de reparatie voltooid is, kan de eindafrekening van dit project worden opgesteld. Op dat moment valt een definitief besluit over de subsidiabiliteit van de beperkte reparatiekosten. In de herziene subsidiebeschikking van eind 2012 is richting de beheerder aangegeven dat de geraamde kosten van de herstelwerkzaamheden van deze afschuiving tot op heden als niet subsidiabel zijn aangemerkt.

Vraag 18

Wat zijn de financiële consequenties van de mogelijke samenvoeging van de projecten WN-007 (Dijkversterking Eiland van Dordrecht West)?

Antwoord 18

Door de genoemde projecten samen te voegen wordt een efficiëntere uitvoering mogelijk, welke financiële voordelen kan opleveren.

Vraag 19

Wat zijn de meerkosten van project W2–036 Waddenzeedijk Texel?

Antwoord 19

De meerkosten hebben uitsluitend betrekking op de Prins Hendrikdijk. Daar is gekozen voor een zandige oplossing. In totaal gaat het om een bedrag van circa 15 mln. euro. Deze meerkosten zijn niet subsidiabel en worden gedragen door het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, de gemeente Texel, de provincie Noord-Holland en het Waddenfonds. De bestuurlijke afspraken hierover worden binnenkort middels een realisatieovereenkomst bekrachtigd.

Vraag 20

Is het feit dat het een Natura2000-gebied betreft de enige oorzaak voor het vertragen van project W2–082 Noorderstrand Schouwen? Wat zijn de mogelijke effecten op een Natura2000-gebied en eventuele natuurcompensatie, zoals genoemd?

Antwoord 20

Nee. De vertraging wordt mede veroorzaakt doordat de Commissie m.e.r. in haar toetsingsadvies een aantal opmerkingen heeft opgenomen waaraan het waterschap uit het oogpunt van zorgvuldigheid vervolgens invulling heeft gegeven. Op basis van het toetsingsadvies is een aantal externe onderzoeken uitgevoerd (o.a. naar bank- en slenkmorfologie en natuurmaatregelen) die de nodige tijd hebben gevraagd en hebben geleid tot aanvullingen en wijzigingen in het MER, het ontwerpprojectplan en de Natuurtoets. Op basis van deze onderzoeken heeft de commissie m.e.r. een positief aanvullend toetsingsadvies afgegeven. Voor een uitvoerige omschrijving van de mogelijke effecten op een Natura2000-gebied verwijs ik u naar het MER dat op 18 januari 2013 is vastgesteld.

Vraag 21

Wat zijn de financiële consequenties van de vertraging van de projecten W2–063 (Eemdijken en Zuidelijke Randmeren) en W2–082 (Noorderstrand Schouwen)?

Antwoord 21

Er zijn geen financiële consequenties van de vertraging van de kustversterking Noorderstrand Schouwen. Op dit moment is nog geen volledig inzicht beschikbaar in de financiële consequenties van de vertraging bij het project Eemdijken en Zuidelijke Randmeren. Deze worden momenteel nog in beeld gebracht.

Vraag 22

In hoeverre is het risicomanagement inmiddels verbeterd met de uitbreiding van het programmabureau HWBP-2?

Antwoord 22

Het risicomanagement is primair een verantwoordelijkheid van de beheerder. Het programmabureau ondersteunt daarbij. Het programmabureau heeft sinds enige tijd extra capaciteit beschikbaar op het gebied van risicomanagement. Beheerders kunnen hierdoor nog intensiever (gevraagd en ongevraagd) worden geadviseerd op het gebied van risicomanagement.

Vraag 23

Kunt u de periode «2017 en verder» uitsplitsen per jaar in de financiële tabellen? Kunt u dit in de volgende voortgangsrapportages standaard doen?

Antwoord 23

Hieronder treft u de budgetreeks en kasreeks voor de jaren 2017 en verder aan (peildatum 31 december 2012). In de volgende voortgangsrapportages zullen deze reeksen standaard voor alle uitvoeringsjaren worden uitgesplitst.

Budgetreeks

2017

2018

2019

2020

2021

VGR3

251,2

296,8

172,1

242,8

205,3

Waarvan:

         

Waterschapsprojecten

177,7

237,3

163,1

239,4

205,3

Rijksprojecten

70,0

56,4

7,0

0,0

0,0

Overige projectkosten

3,5

3,0

2,0

3,4

0,0

Kasreeks

2017

2018

2019

2020

2021

VGR3

326

224

102

53

455

Vraag 24

Wat veroorzaakt de verschuiving van de uitgaven naar de periode 2017 en verder? Kunt u deze verschuiving uitsplitsten naar individuele projecten?

Antwoord 24

Periodiek wordt de budgetreeks zoveel als mogelijk in overeenstemming gebracht met de planning en de benodigde kasreeks. Daarnaast is de post onvoorzien in latere jaren gezet, deze staat nu grotendeels in 2021. Tot slot betreft het eindafrekeningen van projecten. Deze zaken verklaren de verschuiving in de budgetreeks.

Zoals aangegeven in de reactie op de uitgangspuntennotitie van uw Kamer, wordt in verband met marktgevoeligheid geen gedetailleerde financiële informatie op projectniveau gegeven.

Vraag 25

Verwacht u dat de trend in de budgetreeks, waarin de uitgaven worden doorgeschoven naar de periode 2017 en verder, zich in de komende voortgangsrapportages zal voortzetten? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 25

De ervaring leert dat de grootste onzekerheid zich voordoet in de voorbereidingsfase van een project. De verwachting is dat eind 2013 alle voorkeursbesluiten binnen HWBP-2 zullen zijn genomen. De onzekerheid neemt daarmee af en de verwachting is dat de planningen stabieler zullen worden. Op dat moment zullen verschuivingen in de budgetreeks dan ook afnemen.