32 645 Kernenergie

W VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 30 juni 2026

De vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei over versnellen voortgang programma SMR’s op gemeentelijk niveau. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • • De uitgaande brief van 2 juni 2026.

  • • De antwoordbrief van 24 juni 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, Karthaus

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN / KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei

Den Haag, 2 juni 2026

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 21 april 2026 waarin u antwoord geeft op de eerder gestelde vragen omtrent de voortgang Programma SMR’s.2 De leden van de fractie van de BBB hebben naar aanleiding daarvan een aantal nadere vragen en opmerkingen. Het lid van de fractie-Beukering sluit zich bij de gesteld vragen aan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

U stelt dat de relatief grote ruimteclaim (10 tot 15 hectares voor de installatie en 20 tot 30 hectares voor het bouwterrein) gebaseerd is op grote SMR's, en dat kleine SMR's en micro-reactoren buiten de scope van de uitgevoerde studie vielen.3 Aangezien de lokaal beschikbare ruimte in gemeenten (zoals Opmeer) beperkt is, vragen de leden van de BBB-fractie zich af of u voornemens bent om de inzetbaarheid en ruimtelijke inpassing van deze kleinere micro-reactoren voor industriële clusters alsnog te onderzoeken? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.

U noemt dat gemeenten het bevoegd gezag zijn voor het vergunnen van datacenters en dat de bescherming van de lokale leefomgeving verloopt via kaders, zoals de Omgevingswet.4 Omdat u de realisatie van SMR's en de vergunningverlening voor hyperscales momenteel niet wenst te koppelen, vragen de leden van de BBB-fractie zich af hoe het Rijk landelijk gaat voorkomen dat gemeenten hyperscales blijven vergunnen, terwijl de gegarandeerde (toekomstige) stroomvoorziening, bijvoorbeeld via een SMR nog niet is gerealiseerd. Biedt het Rijk en/of de provincie aan gemeenten voldoende actieve expertise om de toekomstige impact hiervan adequaat te kunnen toetsen?

Voordat de provincie of het Rijk voor volgende SMR's als bevoegd gezag optreedt, wenst u te leren van het eerste project.5 Wat is de verwachte tijdlijn voor dit eerste project? Welke regio’s/gemeenten heeft u hiervoor op het oog? Hoeveel middelen zijn hiervoor beschikbaar en wanneer verwacht u de besluitvormingsstructuur voor volgende SMR's definitief te kunnen inrichten?

De leden van de BBB-fractie wijzen op gemeentegrensoverschrijdende effecten, zoals evacuatiegebieden. Op welke manier worden buurgemeenten en de veiligheidsregio's betrokken bij de besluitvorming, nu het Rijk voor de eerste SMR het bevoegd gezag op zich neemt?6

Bij eerdere vragen van de leden van de BBB-fractie is de overcapaciteit aan datacenters in Nederland aan de orde geweest. Onderschrijft u de stelling dat er sprake is van overcapaciteit? Zo ja, in hoeverre beïnvloedt dit de noodzaak om de bevoegdheid tot besluitvorming over het faciliteren van nieuwe hyperscales in gebieden waar nog geen SMR is gerealiseerd, bij gemeenten te laten berusten? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.

U schrijft dat de regierol van het Rijk bij het eerste project een kans biedt om versnellingsopties te vinden en knelpunten in kaart te brengen.7 Welke specifieke wettelijke of procedurele knelpunten ziet u momenteel als de grootste risico's voor vertraging bij de realisatie van SMR’s? Kunt u enig inzicht geven in het beoogde tijdpad van realisatie? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken.

Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, S.M. Kluit

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 juni 2026

Hierbij zend ik u, mede namens de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit, de antwoorden op de nadere vragen van de leden van de fractie van BBB, waar het lid van de fractie-Beukering zich bij heeft aangesloten, over het versnellen van de voortgang van het programma SMR’s, in het bijzonder project Opmeer nabij Hollands Kroon (kenmerknummer 181289, ingezonden op 2 juni 2026).

Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, J. de Bat

181289

1

U stelt dat de relatief grote ruimteclaim (10 tot 15 hectares voor de installatie en 20 tot 30 hectares voor het bouwterrein) gebaseerd is op grote SMR's, en dat kleine SMR's en micro-reactoren buiten de scope van de uitgevoerde studie vielen. Aangezien de lokaal beschikbare ruimte in gemeenten (zoals Opmeer) beperkt is, vragen de leden van de BBB-fractie zich af of u voornemens bent om de inzetbaarheid en ruimtelijke inpassing van deze kleinere micro-reactoren voor industriële clusters alsnog te onderzoeken? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.

Antwoord

Zoals aangegeven in de «Strategie voor kleine modulaire kernreactoren in Nederland»8 wordt onderscheid gemaakt in toepassingsgebieden voor SMR’s. Voor het beantwoorden van deze vraag zijn relevant: SMR’s in het nationale energiesysteem, SMR’s bij industrieclusters en kleinschalige SMR’s (microreactoren) voor bedrijfstoepassingen. In deze strategie staat dat financiële haalbaarheid en beschikbaarheid van microreactoren op de Nederlandse markt vooralsnog een aandachtspunt is om tot een initiatief te komen. Verder wordt in het Haskoning-rapport aangegeven waarom micro-reactoren niet relevant zijn voor grootschalige energieproductie bij een industrieel cluster. Om die reden zie ik vooralsnog geen aanleiding om de inzetbaarheid en ruimtelijke inpassing van deze kleinere micro-reactoren voor industriële clusters te onderzoeken. Wél heb ik afspraken gemaakt met provincies om regionale potentieonderzoeken uit te voeren, daar zou het nut van kleinere reactoren onderzocht kunnen worden op basis van de voorziene lokale toepassing.

2

U noemt dat gemeenten het bevoegd gezag zijn voor het vergunnen van datacenters en dat de bescherming van de lokale leefomgeving verloopt via kaders, zoals de Omgevingswet. Omdat u de realisatie van SMR's en de vergunningverlening voor hyperscales momenteel niet wenst te koppelen, vragen de leden van de BBB-fractie zich af hoe het Rijk landelijk gaat voorkomen dat gemeenten hyperscales blijven vergunnen, terwijl de gegarandeerde (toekomstige) stroomvoorziening, bijvoorbeeld via een SMR nog niet is gerealiseerd. Biedt het Rijk en/of de provincie aan gemeenten voldoende actieve expertise om de toekomstige impact hiervan adequaat te kunnen toetsen?

Antwoord

In beginsel doet een datacenter een aanvraag voor een aansluiting bij een netbeheerder. Die bepaalt of stroom beschikbaar is. Het stellen van regels en voorwaarden voor het verkrijgen van toegang tot het elektriciteitsnet is de exclusieve bevoegdheid van de onafhankelijk toezichthouder de Autoriteit Consument en Markt (ACM). In het prioriteringskader van de ACM vallen datacenters niet onder de geprioriteerde categorieën en krijgen dus geen voorrang, tenzij ze volledig nodig zijn voor bijvoorbeeld scholen of ziekenhuizen. Voor de realisatie van nieuwe hyperscale datacenters geldt dat beperkingen gelden als wordt voldaan aan twee cumulatieve criteria: 1) een bebouwd oppervlak van >10ha en 2) een elektrisch vermogen van >70MW.

3

Voordat de provincie of het Rijk voor volgende SMR's als bevoegd gezag optreedt, wenst u te leren van het eerste project. Wat is de verwachte tijdlijn voor dit eerste project? Welke regio’s/gemeenten heeft u hiervoor op het oog? Hoeveel middelen zijn hiervoor beschikbaar en wanneer verwacht u de besluitvormingsstructuur voor volgende SMR's definitief te kunnen inrichten?

Antwoord

De tijdlijn van het eerste project zal afhankelijk zijn van het initiatief dat een aanvraag zal indienen voor een Rijksprojectprocedure. Daarmee wil ik op voorhand niet bepalen welke gemeenten en regio’s betrokken zijn, dat zal afhangen van het eerste formele initiatief. Voor het doorlopen van de eerste projectprocedure zullen geen additionele middelen nodig zijn. Er zal immers, zoals gebruikelijk, met een anterieure overeenkomst met het coördinerend bevoegd gezag en met leges voor vergunningverlening een dekkende financiering zijn.

Het definitief inrichten van de besluitvormingsstructuur voor SMR’s wil ik laten afhangen van de lessen die zullen worden geleerd tijdens de eerste projectprocedure. Vanuit de huidige middelen uit het SMR-programma kan ik deze lerende omgeving opzetten. Zodra ik duidelijkheid kan geven over de definitieve inrichting van de besluitvormingsstructuur zal ik ook de Eerste Kamer informeren.

4

De leden van de BBB-fractie wijzen op gemeentegrensoverschrijdende effecten, zoals evacuatiegebieden. Op welke manier worden buurgemeenten en de veiligheidsregio's betrokken bij de besluitvorming, nu het Rijk voor de eerste SMR het bevoegd gezag op zich neemt?

Antwoord

Bij de start van een projectprocedure worden alle bevoegde gezagen voor vergunningen betrokken en stelt de initiatiefnemer een participatieplan op. Participatie is een belangrijk onderdeel van de Rijksprojectprocedure en betekent actief betrekken van belanghebbenden. De manier waarop participatie wordt ingevuld zal met een participatieplan bij de start het project ter inzage worden gelegd, zodat belanghebbenden ook de mogelijkheid hebben om te reageren op de wijze van participatie. Daarin zal ik ook ondersteunen. Zoals aangegeven in de «Strategie voor kleine modulaire kernreactoren in Nederland»9 ontwikkelt het kabinet participatie-instrumenten voor initiatiefnemers. Dat vul ik in met het opstellen van een participatiehandboek.

5

Bij eerdere vragen van de leden van de BBB-fractie is de overcapaciteit aan datacenters in Nederland aan de orde geweest. Onderschrijft u de stelling dat er sprake is van overcapaciteit? Zo ja, in hoeverre beïnvloedt dit de noodzaak om de bevoegdheid tot besluitvorming over het faciliteren van nieuwe hyperscales in gebieden waar nog geen SMR is gerealiseerd, bij gemeenten te laten berusten? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.

Antwoord

In de regel is de beschikbare ruimte van een datacenter bij oplevering niet volledig gevuld. In de loop van de tijd worden zogenaamde racks (server-kasten) bijgeplaatst, totdat een datacenter zijn maximale capaciteit heeft bereikt. Dit is nodig om aan de vraag van de gebruikers van het datacenter naar meer server-capaciteit te kunnen voldoen. Het is dus onjuist dit vraag-gedreven bedrijfsmatige proces als overcapaciteit te karakteriseren. Voor hyperscale datacenters gelden met ingang van 2024 specifieke beperkingen via het Besluit kwaliteit leefomgeving. Datacenters groter dan 10 hectare met een aansluitvermogen van minimaal 70 MW worden als hyperscale gedefinieerd. Verdere ontwikkeling van deze datacenters is beperkt tot twee gebieden in Nederland (de gemeenten Hollands Kroon en Het Hogeland). Dit regelgevende kader voorziet niet in een koppeling aan de realisatie van SMR’s.

6

U schrijft dat de regierol van het Rijk bij het eerste project een kans biedt om versnellingsopties te vinden en knelpunten in kaart te brengen. Welke specifieke wettelijke of procedurele knelpunten ziet u momenteel als de grootste risico's voor vertraging bij de realisatie van SMR’s? Kunt u enig inzicht geven in het beoogde tijdpad van realisatie? Deze leden ontvangen hierop graag een toelichting.

Antwoord

Een belangrijke belemmering die vaak wordt genoemd is de financiering van SMR’s; daartoe is een marktconsultatie gestart. Ik zal de Tweede Kamer later dit jaar informeren over de uitkomsten van de marktconsultatie.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-den Uijl (SP), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Holterhues (ChristenUnie), Karaaslan (D66), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Kroon (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Van Meenen (D66), Panman (BBB), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Steenkamp (CDA), Straus (VVD), Van Strien (PVV), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 32 645, V.

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 32 645, V, p. 4.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26, 32 645, V, p. 4–5.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/26, 32 645, V, p. 5.

X Noot
6

Kamerstukken I 2025/26, 32 645, V, p. 5.

X Noot
7

Kamerstukken I 2025/26, 32 645, V, p. 5.

X Noot
8

Bijlage bij Kamerstuk II 2025/26, 32 624, nr. 162, blz. 18

X Noot
9

Bijlage bij Kamerstuk II 2025/26, 32 624, nr. 162, blz. 18

Naar boven