Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201232637 nr. 20

32 637 Bedrijfslevenbeleid

Nr. 20 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID EN VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 januari 2012

De heer Van Hijum (CDA) heeft op 15 september jongstleden het kabinet verzocht een nadere toelichting te verstrekken omtrent de passage in de Bedrijfslevenbrief over de voorgenomen aanpassing van de ketenbepaling (Handelingen II, 2011/12, nr. 107, item 5, blz. 39). Met deze brief komen wij aan dat verzoek tegemoet.

Onze arbeidsmarkt kent korte tijdelijke contracten en contracten voor onbepaalde tijd. Het is op dit moment mogelijk om een langdurig tijdelijk contract te sluiten zonder dat een contract voor onbepaalde tijd ontstaat. Deze langdurige tijdelijke contracten komen nauwelijks voor en lijken voor werkgevers een weinig aantrekkelijke optie omdat zij veelal eerst een kortdurend contract aangaan. Vandaar dat in de Bedrijfslevenbrief is voorgesteld om de ketenbepaling zodanig aan te passen dat het mogelijk wordt om een langdurig tijdelijk contract te sluiten na een kortdurend tijdelijk contract, zonder dat een contract voor onbepaalde tijd ontstaat.

De ketenbepaling (art. 7:668a BW) bepaalt dat als meer dan drie tijdelijke contracten zijn aangegaan met tussenpozen van minder dan drie maanden, het vierde contract wordt aangemerkt als een vast contract. Op grond van de ketenbepaling geldt echter ook dat als ten minste twee tijdelijke contracten elkaar met tussenpozen van minder dan drie maanden opvolgen en een periode van 36 maanden hebben overschreden, het laatste contract vanaf die overschrijding als een contract voor onbepaalde tijd wordt aangemerkt.

Het voordeel van langdurige tijdelijke contracten ten opzichte van kortdurende tijdelijke contracten is dat er een sterkere prikkel ontstaat bij werkgevers om te investeren in scholing en training. Werkgevers investeren immers meer in werknemers die voor langere duur verbonden zijn aan de onderneming door de langere terugverdientijd van deze investeringen. De investeringsbereidheid van werkgevers vanwege de langere terugverdientijd en de eindigheid van het langdurige tijdelijke contract maken het ook voor werknemers makkelijker en aantrekkelijker om te investeren in hun eigen inzetbaarheid. Dit bevordert de duurzame inzetbaarheid van werknemers die daardoor wendbaarder worden op de arbeidsmarkt en zo hun talent over de hele loopbaan optimaal kunnen ontplooien. Langdurige tijdelijke contracten sluiten daarmee goed aan bij de huidige arbeidsmarkt waarin mensen geen baan voor het leven meer hebben.

Een kortdurend contract gevolgd door een langdurig tijdelijk contract, biedt de werknemer meer zekerheid dan drie opeenvolgende tijdelijke contracten van bijvoorbeeld een jaar. In die zin biedt het voorstel ten opzichte van de huidige situatie ruimere mogelijkheden voor werkenden die niet in aanmerking komen voor een contract voor onbepaalde tijd en derhalve zijn aangewezen op elkaar opvolgende tijdelijke contracten van kortere duur.

De voorgestelde aanpassing respecteert de rechten en plichten van werknemers en werkgevers. Eveneens blijft het karakter van de ketenbepaling, te weten driekwartdwingend recht, onveranderd. Dat wil zeggen dat er bij cao van kan worden afgeweken. Met het aanpassen van de ketenbepaling wordt slechts een extra mogelijkheid gecreëerd om het gebruik van langdurige tijdelijke contracten te vergemakkelijken. Bij langdurige tijdelijke contracten geldt, net als bij andere contractvormen, dat deze alleen met goedvinden van zowel werkgever als werknemer kunnen worden afgesloten.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werkt nog aan de uitwerking van dit voorstel. Daarbij worden ook alternatieven betrokken. In de bijlage1 bij deze brief treft u aan de antwoorden op de vragen die in reactie op de Bedrijfslevenbrief door leden van uw Kamer over dit onderwerp zijn gesteld.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H. G. J. Kamp

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, M. J. M. Verhagen


X Noot
1

De bijlage, de vragen 129 t/m 142 en de daarop gegeven antwoorden, is reeds gepubliceerd in Kamerstuk 32 637, nr. 18 Lijst van vragen en antwoorden.