Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201532637 nr. 157

32 637 Bedrijfslevenbeleid

Nr. 157 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 november 2014

De vaste commissie voor Financiën heeft mij verzocht om een overzicht van de instrumenten die De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) ter beschikking staan en van de voorschriften die zijn uitgevaardigd richting banken om «excessieve kredietverlening» tegen te gaan. Middels deze brief geef ik gehoor aan dit verzoek.

Alvorens deze instrumenten te bespreken, wil ik opmerken dat het primair aan de banken zelf is om tot een adequate inschatting van kredietrisico’s te komen en excessieve kredietverlening tegen te gaan. Lange tijd hebben banken te grote risico’s geaccepteerd. In reactie op de financiële crisis zijn banken echter terecht kritischer naar nieuwe kredietaanvragen gaan kijken. Dit hangt mede samen met de financiële positie van met name het mkb, dat hard geraakt is door een terugval van de binnenlandse vraag. Daarbij is het belangrijk dat er voor bedrijven met een goed perspectief voldoende toegang tot krediet blijft bestaan. Het kabinet heeft daarom maatregelen genomen om de kredietverlening aan zulke bedrijven te ondersteunen. Hiervoor verwijs ik naar de Kabinetsbrief «Aanvullend actieplan mkb-financiering» van 8 juli 2014.1

Instrumenten DNB

Recentelijk zijn nieuwe instrumenten ontwikkeld die DNB in staat stellen nog explicieter invulling te geven aan haar macro-prudentiële taak om zo de opbouw van financiële onevenwichtigheden tegen te gaan. Het gaat daarbij onder andere om een kapitaalbuffer voor systeembanken en een contracyclische buffer. Met deze instrumenten kan DNB een actieve bijdrage leveren aan de stabiliteit van het Nederlandse financiële stelsel.

Bezien vanuit het thema «excessieve kredietgroei» is met name de contracyclische buffer van belang. Deze buffer is ontwikkeld door het Bazels Comité en is in Europa opgenomen in het CRD IV/CRR raamwerk.2

De contracyclische buffer maakt de kapitaaleisen voor banken afhankelijk van de kredietgroei en kan door DNB worden ingezet om een rem te zetten op de kredietgroei in Nederland. In tijden waarin zowel de economie als de kredietverlening een sterke groei doormaken, kan een bank via de contracyclische buffer worden verplicht om extra kapitaal aan te houden. Dit vergroot niet alleen de weerbaarheid van banken, maar draagt door het afremmen van de kredietverlening ook bij aan het voorkomen van de (verdere) opbouw van onevenwichtigheden. Wanneer het economische tij vervolgens keert en het juist weer wenselijk is om de kredietgroei te stimuleren, kan DNB het bufferpercentage stapsgewijs verlagen en op die manier banken toestaan om in te teren op het kapitaal dat ten behoeve van deze buffer wordt aangehouden.

De contracyclische buffer heeft in principe een omvang van 0% tot 2,5% van de naar risicogewogen activa van een bank en kan vanaf 2016 stapsgewijs ingezet worden. Het uitgangspunt is dat deze buffer, wanneer daar aanleiding toe is, op nationaal niveau aan alle banken wordt opgelegd. De omvang van de totale buffer kan daarmee per bank verschillen, afhankelijk van de situatie in de landen waarin de betreffende bank actief is. Een bank die veel blootstellingen heeft in landen waar de kredietgroei fors is, zal dus een hogere contracyclische buffer moeten aanhouden dan een bank die relatief weinig van diezelfde blootstellingen heeft.

DNB zal elk kwartaal beoordelen of de kredietgroei aanleiding geeft tot aanpassing van de hoogte van de contracyclische buffer in Nederland. Hierbij wordt met name gekeken naar de afwijking van de verhouding tussen kredietverlening en het bruto binnenlands product ten opzichte van de langetermijntrend.3

Los van de contracyclische buffer kan een toezichthouder extra (kapitaal)eisen opleggen aan een individuele instelling, wanneer deze risico’s loopt die onvoldoende worden afgedekt door de minimum (kapitaal)eisen waaraan de bank moet voldoen. Dit zijn de zogenoemde «tweede pijler» bevoegdheden van de toezichthouder. In principe kunnen hier ook de risico’s onder vallen die banken kunnen lopen als gevolg van excessieve kredietverlening. Voor de grote banken geldt overigens dat de ECB sinds 4 november jl. verantwoordelijk is voor de toepassing van deze bevoegdheden.

Instrumenten AFM

Uw Kamer vroeg ook naar de instrumenten van de AFM op het terrein van excessieve kredietverlening. In de Wet financieel toezicht (Wft) is een wettelijk verbod op overkreditering vastgelegd. De AFM houdt hier toezicht op en kan bij overtreding een aanwijzing geven of een boete opleggen.

In de sfeer van hypothecair krediet stelt de Wft specifieke eisen ten aanzien van de verhouding tussen de lening en het inkomen (Loan-to-Income, LTI-eis) en de verhouden tussen de lening en de waarde van het onderpand (Loan-to-Value, LTV-eis). De LTI-eis geeft aan hoeveel je mag lenen ten opzichte van je inkomen, terwijl de LTV-eis een maximum stelt aan de hypotheek als percentage van de waarde van het huis. Voor consumptief krediet bestaat er tevens een maximale kredietvergoeding die de bank in rekening mag brengen aan de consument.

Ook dienen aanbieders van zowel hypothecair als van consumptief krediet het BKR te raadplegen om te bezien welke leningen een klant op dat moment al heeft lopen of de afgelopen vijf jaar heeft gehad. Om een goede afweging te maken verzamelt de bank ook andere gegevens, bijvoorbeeld over het inkomen, de woonlasten en de gezinssituatie. Op basis van alle beschikbare informatie, wordt vervolgens een afweging gemaakt of het verstrekken van een krediet verantwoord is.

Deze voorschriften gelden voor banken wanneer zij krediet aanbieden aan consumenten, niet bij kredieten aan bedrijven. Reden hiervoor is dat van consumenten niet verwacht kan worden dat zij altijd en in voldoende mate een inschatting kunnen maken van de risico’s van een krediet. Dit laat onverlet dat de AFM ook op het gebied van kredietverlening aan bedrijven een rol heeft ten aanzien van zorgvuldige financiële dienstverlening. Zo is de AFM recentelijk gestart met een verkennend onderzoek naar de werkwijze van de afdelingen bijzonder beheer voor het mkb bij banken.

Ik hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem


X Noot
1

Kamerstuk 32 637, nr. 147.

X Noot
2

Verordening (EU) 575/2013 OJ L 176 en Richtlijn 2013/36/EU OJ L 176.

X Noot
3

Zie Aanbeveling ECSR/2014/1 OJ C 293 01.