Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 oktober 2014
Met het bedrijvenbeleid werkt het kabinet aan het verdienvermogen en de concurrentiekracht
van Nederland. Ambitieuze ondernemers en publiek-private samenwerking (PPS) tussen
ondernemers, onderzoekers, onderwijsinstellingen en de overheid staan daarbij centraal.
Door de economische en innovatieve kracht van Nederland te benutten voor (mondiale)
maatschappelijke uitdagingen zetten we in op de groeimarkten van de toekomst en vinden
we aansluiting op de Europese agenda (Horizon2020). Op zowel regionaal, nationaal
als Europees niveau wordt samengewerkt aan een excellente kennisinfrastructuur en
het verzilveren van nieuwe marktkansen. Nederland heeft daarbij een sterke uitgangspositie
als concurrerende en innovatieve economie. Nederland behoort sinds 2006 tot de tien
meest concurrerende landen ter wereld volgens de ranglijst van het World Economic
Forum en klimt dit jaar op die ranglijst naar de derde plek binnen de Europese Unie.
Met deze brief wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van het bedrijvenbeleid
in het afgelopen jaar en geeft het kabinet een vooruitblik naar het komend jaar. Bij
deze brief treft u aan:
-
I) de jaarlijkse voortgangsrapportage Samen werken aan groei: bedrijvenbeleid op koers
met daarin de eerste voortgangsrapportage van het actieprogramma Ambitieus Ondernemerschap1, en de kabinetsreactie op de twee AWTI-adviezen «Balans van de Topsectoren» en «Waarde
creëren uit maatschappelijke uitdagingen»2;
-
II) de Monitor Bedrijvenbeleid 2014: uitkomsten 2010–20143, die een omvattend overzicht biedt van kwantitatieve data en achtergronden bij alle
onderdelen van het bedrijvenbeleid en inzicht geeft per topsector.
Het bedrijvenbeleid ligt op koers en er zijn veel positieve ontwikkelingen zichtbaar.
Publieke en private partijen zijn beter gaan samenwerken en ook meer gaan investeren
in deze samenwerking: zowel de private R&D-uitgaven als de private bijdragen aan PPS
zijn gestegen, de inzet van kennis- en onderwijsinstellingen binnen de topsectoren
is toegenomen, de gezamenlijke programmering met een groeiende oriëntatie op maatschappelijke
uitdagingen is goed op gang gekomen, het aantal mkb-ers dat deelneemt aan programma’s
binnen de topsectoren is toegenomen, de instroom van bètastudenten in het hoger onderwijs
stijgt, de beschikbaarheid van risicokapitaal voor innovatieve ondernemers neemt toe,
en we zien een stijging van buitenlandse investeringen in Nederland.
Deze positieve ontwikkelingen zijn voor het kabinet een stimulans om het ingezette
bedrijvenbeleid met kracht voort te zetten. Op een aantal specifieke punten vraagt
de praktijk om bijsturing of extra aandacht van de overheid. Zo geeft het kabinet
met de uitrol van aanvullend actieplan mkb-financiering prioriteit aan de financieringsproblematiek
van het mkb, en wordt ingezet op vereenvoudiging van het (mkb-)instrumentarium, het
versterken van regionale clusters en ecosystemen, het binnen PPS-verband realiseren
van oplossingen voor de maatschappelijke uitdagingen, en voor het stimuleren van techniek
in het beroepsonderwijs (v/mbo). Tevens werkt het kabinet de plannen voor het recent
aangekondigde «Toekomstfonds» nader uit. Hierover is uw Kamer separaat geïnformeerd.
In de voortgangsrapportage gaat het kabinet in op de basisfilosofie van het bedrijvenbeleid
en de geboekte voortgang (hfst. 1), de resultaten op het terrein van versterking innovatief
vermogen (hfst. 2), ondersteuning van ambitieuze ondernemers (hfst. 3), talentontwikkeling
voor het bedrijfsleven (hfst. 4) en de internationalisering van het bedrijfsleven
(hfst. 5).
Met deze voortgangsrapportage geeft het kabinet tevens invulling aan de toezegging
uit de brief ambitieus ondernemerschap (Kamerstuk 31 311, nr. 104) om in het najaar een beoordeling te sturen van de fiscale voorstellen uit de AgendaStartupNL.
Verder geeft het kabinet met deze rapportage invulling aan de toezegging uit het beleidsdebat
Innovatie d.d. 18-3-2014 om de Eerste Kamer te informeren over de stand van zaken
ten aanzien van het topsectorenbeleid en de «Grand Challenges», in het kader van het
Europese onderzoeksprogramma Horizon 2020 (zie hfst. 2).
De Minister van Economische Zaken,
H.G.J. Kamp
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. Bussemaker
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
S. Dekker
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
E.M.J. Ploumen