32 626 Wijziging van de Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie

Nr. 6 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Ontvangen ter Griffie van de Tweede Kamer op 6 september 2011.

De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan niet eerder worden gedaan dan op 6 oktober 2011.

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 september 2011

Hierbij zend ik u een ontwerpbesluit, houdende regels betreffende de etikettering van het energieverbruik van energiegerelateerde producten1.

Het ontwerpbesluit strekt tot verdere implementatie van richtlijn nr. 2010/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van energiegerelateerde producten (PbEU 2010, L 153). De implementatietermijn van deze richtlijn is op 20 juni jl. verstreken. Richtlijn nr. 2010/30/EU vervangt richtlijn nr. 92/75/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 september 1992 betreffende de vermelding van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen op de etikettering en in de standaardproductinformatie van huishoudelijke apparaten (PbEG 1992, L 297). Laatstgenoemde richtlijn zag uitsluitend op toestellen en installaties, met name van huishoudelijke aard. Richtlijn nr. 2010/30/EU heeft een bredere reikwijdte, namelijk alle energiegerelateerde producten. Voor de inhoud van het ontwerpbesluit verwijs ik naar de ontwerp nota van toelichting1.

De voorlegging van dit besluit geschiedt in het kader van de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure (artikel 34a van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie), en biedt uw Kamer de mogelijkheid zich uit te spreken over het ontwerpbesluit voordat het aan de Raad van State zal worden voorgelegd en vervolgens zal worden vastgesteld.

Op grond van de aangehaalde bepaling geschiedt de voordracht aan de Koningin ter verkrijging van het advies van de Raad van State over het ontwerpbesluit niet eerder dan vier weken nadat het ontwerpbesluit aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

In schriftelijke vragen van uw Kamer bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie (Kamerstuk 32 626) heeft u mij verzocht om dit besluit ter toetsing op de gevolgen voor administratieve lasten voor bedrijven voor te leggen aan Actal en dit advies aan uw Kamer te doen toekomen (TK 2010–2011, 32 626, nr. 4). Het advies van Actal treft u als bijlage1 bij deze brief aan. In haar eindoordeel adviseert Actal om het besluit in te dienen. Met de opmerkingen en bevindingen van Actal is rekening gehouden en dit heeft geleid tot enkele aanpassingen in de toelichting. Actal heeft in haar advies over het ontwerpbesluit een drietal aandachtspunten gesignaleerd. Graag geef ik mijn reactie op deze punten.

Ten eerste adviseert Actal om standaard de gevolgen voor de regeldruk in Nederland in kaart te (laten) brengen bij Europese conceptwetsvoorstellen voorafgaand aan het onderhandelingsproces. Ik beschouw dit advies als ondersteuning van mijn beleid. In het programma Regeldruk bedrijven 2011–2015 (TK 2010–2011, 29 515, nr. 327) heb ik reeds aangekondigd dat de voorbereiding van de Nederlandse standpuntbepaling bij EU-ontwerpregelgeving zal worden verbeterd. Het tijdig in beeld brengen van in potentie substantiële regeldrukeffecten is daar een onderdeel van. In de Voortgangsrapportage Regeldruk Bedrijven, die rond Prinsjesdag naar uw Kamer zal worden gestuurd, ga ik nader in op dit punt.

Actal vraagt zich in zijn advies af of het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie zich voldoende bewust was van de verbreding van de reikwijdte, met name voor leveranciers. Het richtlijnvoorstel zorgt er voor dat bij meer producten een energielabel kan worden voorgeschreven. Het is echter niet zo dat er nu voor het eerst verplichtingen voor leveranciers worden geïntroduceerd. In het BNC-fiche over het richtlijnvoorstel (TK 2008–2009, 22 112, nr. 755) heeft Nederland reeds aangegeven dat het uitbreiden van de reikwijdte van de richtlijn ervoor zorgt dat er meer producten kunnen vallen onder de gedelegeerde handelingen en dat dit daardoor zorgt voor extra administratieve kosten voor bedrijven, met name het mkb.

Actal vraagt zich voorts af of de kosten voor leveranciers een rol hebben gespeeld in de onderhandelingen over de richtlijn. Bij de onderhandelingen is aandacht geweest voor alle effecten van de nieuwe richtlijn. De Europese Commissie heeft tegelijk met het richtlijnvoorstel voor energie-etikettering een effectbeoordeling laten uitvoeren. De effectbeoordeling van de Commissie toont aan dat de uitbreiding van de reikwijdte van de richtlijn tot nog meer energiebesparingen en tot een vermindering van het milieueffect kan leiden. Ook de gevolgen voor het bedrijfsleven, inclusief leveranciers, zijn onderdeel van deze effectbeoordeling. In de Impact Assessment van de commissie was geconcludeerd dat de extra kosten voor leveranciers gering zijn. De op grond van de nieuwe richtlijn te maken extra kosten voor leveranciers zijn beperkt tot de drukkosten van het etiket en vertalingskosten van het fiche. De toelichting op dit punt is naar aanleiding van opmerkingen van Actal aangescherpt.

Actal adviseert verder om in de toekomst ook bij een eerste (wijziging van een) wet ter implementatie van een EU-richtlijn een indicatie te geven van de mogelijke gevolgen voor de regeldruk. Deze kunnen dan bij vervolgregelgeving nader worden gespecificeerd. Het is staande praktijk de effecten zo vroeg en zo goed mogelijk te beschrijven. Het kan echter zijn dat er nog zoveel onzekerheden zijn dat kwantificering in een vroeg stadium problematisch is. Dat neemt niet weg dat een voorlopige inschatting van de orde van grootte van de effecten informatief kan zijn. Ik neem de aanbeveling van Actal daarom ter harte en zal in de toekomst reeds bij de eerste implementatieregelgeving een indicatie geven van te verwachten lasten, ook indien er nog grote onzekerheid bestaat over de verwachte effecten. Bij de beschrijving van de effecten wordt dan ook de mate van onzekerheid aangegeven.

Als laatste gaat Actal in op de koppeling tussen richtlijn nr. 2009/125/EG (ecodesignrichtlijn) en richtlijn nr. 2010/30/EU. In de berekeningen voor de lasten van het bedrijfsleven is er rekening mee gehouden dat een groot deel van de kosten reeds gemaakt is om te kunnen voldoen aan de ecodesignrichtlijn. De extra kosten die gemaakt moeten worden om te voldoen aan de vereisten op grond van energie-etiketteringsrichtlijn zijn daardoor beperkt. Actal constateert dat de Europese Commissie de mogelijkheid heeft om producten van een energie-etiket te voorzien, zonder dat er voor deze producten ook eisen zijn gesteld op grond van de ecodesignrichtlijn. Ook geeft Actal aan dat er sprake zou kunnen zijn van aanvullende eisen bij het aanwijzen van producten die wel onder de ecodesignrichtlijn vallen.

Actal adviseert de Nederlandse overheid om de reikwijdte van de richtlijn te bewaken en om in de Europese onderhandelingen zo nodig gebruik te maken van de bezwaarprocedure. Uiteraard is de inzet er op gericht de reikwijdte te bewaken en onnodige regeldrukkosten te voorkomen. Bij de invulling van de gedelegeerde handelingen is er blijvende aandacht voor de regeldruk. Zoals in het BNC-fiche reeds is aangegeven, zal bij de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen aan de Europese Commissie gevraagd worden hier een schatting van de regeldrukkosten voor te maken. Voordat door de Commissie een gedelegeerde handeling wordt vastgesteld, worden impact assessments en kosten-baten analyses uitgevoerd, op grond waarvan een besluit wordt genomen voor welke producten een energielabel zinvol en kostenefficiënt is.

Het is hoogst onwaarschijnlijk dat er gedelegeerde handelingen worden vastgesteld die buiten het bereik van de Ecodesignrichtlijn vallen. In artikel 10, derde lid, onderdeel a, van richtlijn nr. 2010/30/EU is opgenomen dat de Europese Commissie bij het opstellen van een ontwerp voor een gedelegeerde handeling rekening dient te houden met de parameters die als significant zijn aangemerkt in de overeenkomstig de ecodesignrichtlijn genomen gedelegeerde handeling. Daarmee is er een directe koppeling gemaakt tussen deze twee richtlijnen.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven