Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202032623 nr. 273

32 623 Actuele situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten

Nr. 273 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 oktober 2019

Zoals verzocht door uw Kamer (Handelingen II 2010/20, nr. 12, Regeling van werkzaamheden), ontvangt u hierbij mede namens de Minister van Defensie, verdere informatie over de Turkse militaire operatie in Noord-Syrië (Handelingen II 2019/20, nr. 12, stemmingen moties Raad Algemene Zaken en stemmingen moties Raad Buitenlandse Zaken). Op 10 oktober zijn verschillende moties aangenomen naar aanleiding van de Turkse operatie in Noord-Syrië. Met deze Kamerbrief wordt uw Kamer ook geïnformeerd over de uitvoering van deze moties.

Op 9 oktober is het Turkse leger begonnen met een nieuwe militaire operatie in Noord-Syrië. Turkije heeft aangegeven dat deze operatie is bedoeld om terroristische dreigingen langs de Turkse grens te elimineren en een veilige zone te creëren langs de Turks-Syrische grens ten behoeve van de terugkeer van Syrische vluchtelingen. Deze operatie volgt op de verklaring van het Witte Huis op zondag 6 oktober waarin onder andere gesteld werd dat de VS troepen terugtrekt uit delen van Noord-Syrië. Inmiddels heeft de VS aangekondigd al zijn troepen uit Noord-Syrië terug te trekken. De verklaring van het Witte Huis op 6 oktober kwam voor het kabinet als een verrassing. Het kabinet heeft aangegeven teleurgesteld te zijn over het Amerikaanse besluitvormingsproces en de informatievoorziening aan partners. Nederland blijft via diplomatieke, politieke en militaire lijnen in nauw contact staan met de VS en andere partners binnen de anti-ISIS coalitie over de situatie.

De militaire operatie richtte zich aanvankelijk met name op een strook van 120 kilometer breed tussen de Syrische steden Ras al-Ayn en Tal Abyad. Inmiddels lijkt Turkije ook ten westen van deze strook militaire operaties uit te voeren. Turkije stelt dat het de belangrijke grenssteden Ras al-Ayn en Tal Abyad inmiddels onder controle heeft en meldde op 13 oktober dat tot dan toe 480 YPG-strijders waren uitgeschakeld. Dit aantal valt op dit moment niet te verifiëren. Schattingen over aantallen burgerslachtoffers lopen uiteen. Het Syrisch Observatorium voor Mensenrechten meldt dat er tenminste 20 burgerslachtoffers zijn. Sinds de start van de militaire operatie zijn volgens laatst bekende cijfers meer dan 160.000 mensen ontheemd geraakt en de humanitaire noden toegenomen. Ook is het duidelijk dat deze operatie de stabiliteit in de regio en de strijd tegen ISIS ernstig kan schaden.

De beveiliging van de opvang- en detentiekampen in Noord-Syrië is op dit moment nog in handen van de SDF. Ook dat is reden voor zorgen bij het kabinet, omdat een lager aantal SDF-bewakers ten koste kan gaan van de beveiliging van de kampen. De berichten over ontsnappingen van ISIS-aanhangers op zondag 13 oktober uit het kamp Ain Issa geven aan dat dit een reëel risico is, en zijn zeer verontrustend.

Op 13 oktober meldden pro-Assad media dat er een overeenkomst zou zijn gesloten tussen de SDF en het Syrische regime. Onderdeel van deze overeenkomst zou onder andere zijn dat het Syrische leger binnen 48 uur in de steden Manbij en Kobani zou arriveren. Verschillende media meldden op 15 oktober dat het Syrische leger inderdaad Kobani is binnengetrokken en rond Manbij aanwezig is.

Turkije beroept zich met name op het recht op zelfverdediging ingevolge artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties als rechtsgrond voor de operatie. Turkije heeft de VN Veiligheidsraad hierover per brief geïnformeerd op 9 oktober jl. Voor een beroep op zelfverdediging is vereist dat sprake is van een of meer gewapende aanvallen op een staat vanuit een derde staat. Het is aan Turkije om de feitelijke onderbouwing voor de rechtsgrond aan te dragen. Nederland heeft hier reeds om verzocht.

Nederland heeft de Turkse operatie in Noord-Syrië direct in heldere bewoordingen veroordeeld. Ook heeft Nederland meteen na het bekend worden van dit nieuws de Turkse ambassadeur ontboden om de Nederlandse zorgen en veroordeling over te brengen en Turkije op te roepen de militaire actie te staken. Nederland zet zich er bovendien actief voor in om samen met andere landen te komen tot een gemeenschappelijke lijn richting Turkije en het land gezamenlijk op te roepen de ingeslagen weg niet te vervolgen. Voorkomen moet worden dat de behaalde resultaten in de strijd tegen ISIS in Syrië, waaraan ook Nederlandse militairen in de afgelopen jaren een belangrijke bijdrage hebben geleverd, teniet worden gedaan.

Conform de motie van het lid Koopmans c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2070) en de motie van het lid Voordewind (Kamerstuk 21 501-02 nr. 2065) heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 14 oktober hard ingezet op het veroordelen van de Turkse militaire actie in Noord-Syrië en het komen tot stevige maatregelen van de EU. Ook benadrukte Nederland in overeenstemming met de motie van het lid Voordewind (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2066), en in vervolg op het Nederlandse besluit van 11 oktober om in het licht van de ontwikkelingen de behandeling van wapenexportvaanvragen voor Turkije op te schorten, in de Raad het belang van het stopzetten van wapenleveranties aan Turkije. Conform de motie van het lid Van der Graaf (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2058) en de eerdere motie van de leden Roemer en Segers (Kamerstuk 32 824, nr. 158) riep Nederland voorts op tot het stopzetten van pre-accessiesteun aan Turkije. Deze stevige Nederlandse positie heeft er mede toe geleid dat de Raad na een intensief politiek debat de Turkse militaire acties in Noord-Syrië heeft veroordeeld. Ook besloten lidstaten tot een strikte interpretatie van criterium 4 van het EU Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie. Dit betekent dat lidstaten zich committeren aan het afwijzen van alle wapenexportverzoeken richting Turkije indien de kans bestaat dat de wapens de regionale stabiliteit ondermijnen (i.e. als ze worden ingezet in de strijd in Noord-Syrië). Hiermee worden volgens de EU Hoge Vertegenwoordiger Mogherini wapenleveranties aan Turkije de facto opgeschort. Gezien de recente ontwikkelingen had Nederland op 11 oktober al aangekondigd alle vergunningaanvragen voor exporten van militaire goederen naar Turkije aan te houden.

Ook in NAVO-verband heeft Nederland Turkije meteen gevraagd om opheldering en gewaarschuwd voor de humanitaire en destabiliserende gevolgen van deze actie. Mede ter uitvoering van de motie van het lid Van Helvert c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2069) stelt Nederland tijdens de zittingen van de Noord-Atlantische Raad dit vraagstuk wederom aan de orde. Zo nodig zal Nederland dit ook in aankomende (ministeriële) NAVO-bijeenkomsten aan de orde blijven stellen. Daarnaast heeft Nederlandopgeroepen tot een spoedige ministeriele bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de anti-ISIS coalitie. Ter uitvoering van de motie van de leden Van Ojik en Ploumen (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2064) heeft Nederland benadrukt dat Turkije en de EU zich hebben te houden aan de EU-Turkije Verklaring. Ook is het wat Nederland betreft uitgesloten dat er Nederlandse of EU-gelden door Turkije worden ingezet voor de opvang van vluchtelingen in een ander land.

Het kabinet zal zich inspannen om de Kamer vertrouwelijk te informeren over de uitvoering van de motie van het lid Karabulut over onderzoek naar de betrokkenheid van gewapende groepen in Syrië (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2061). Zoals eerder aangegeven is het moeilijk om onderzoek te doen in een oorlogsgebied, en is het NLA-programma reeds anderhalf jaar geleden beëindigd. Ter uitvoering van de motie van het lid Van Ojik over opschorten van de militaire samenwerking met Turkije (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2063) is het kabinet op dit moment bezig met het in kaart brengen van alle bilaterale militaire samenwerking tussen Nederland en Turkije. Daarbij moet ook in kaart worden gebracht wat de mogelijke consequenties kunnen zijn voor de samenwerking in bestaande missies, zoals in Afghanistan.

Zoals reeds meerdere malen aangegeven, roept Nederland Turkije op om de militaire operatie in Noord-Syrië te staken. De Turkse veiligheidszorgen dienen te worden geadresseerd via politieke en diplomatieke kanalen. Hoewel Nederland de Turkse operatie veroordeelt, is het naar de mening van het kabinet wel van belang om met Turkije in gesprek te blijven over een duurzaam en rechtvaardig antwoord op de Turkse veiligheidszorgen enerzijds, en het vraagstuk van de terugkeer van in Turkije verblijvende Syrische vluchtelingen anderzijds. Daarbij is wat Nederland betreft alleen veilige, vrijwillige en waardige terugkeer voor vluchtelingen en ontheemden bespreekbaar. Naast alle duidelijke uitspraken en maatregelen gericht op een spoedig einde van de Turkse militaire operatie in Noord-Syrië is ook het gesprek met Turkije hierover van belang. Ik heb om die reden op maandagavond 14 oktober een telefoongesprek gevoerd met mijn Turkse collega Çavuşoğlu.

Daarbij heb ik het Nederlandse standpunt nogmaals overgebracht en heb ik bijzondere aandacht gevraagd voor de noodzaak tot het bewaken van de kampen met IS-strijders alsmede het direct adresseren van de humanitaire noden in het door Turkije binnengevallen gebied.

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. Blok