Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201632623 nr. 160

32 623 Actuele situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten

Nr. 160 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 januari 2016

Hierbij bied ik u de reactie aan op het verzoek van de vaste commissie voor Europese Zaken om een kabinetsbrief over de actuele situatie in Zuidoost-Turkije. Deze aanvraag werd ingezonden op 23 december 2015.

Er is sprake van een verslechterende situatie in het zuidoosten van Turkije. Het is moeilijk om alle feiten en details boven water en bevestigd te krijgen, maar het is duidelijk dat sprake is van toenemend geweld, een toenemend aantal doden, uitgaansverboden en een burgerbevolking die letterlijk tussen twee vuren ligt. Er is sprake van grootschalige verwoestingen en een toenemend aantal binnenlandse ontheemden.

Deze escalatie van de situatie baart het kabinet grote zorgen. Het kabinet is van mening dat de Turkse regering gerechtigd is maatregelen te nemen tegen terroristische bedreigingen, inclusief als die uitgaan van de PKK. Dergelijke maatregelen dienen proportioneel te zijn en respect voor mensenrechten dient voorop te staan. Het kabinet heeft verder herhaaldelijk, bilateraal en in EU-verband, opgeroepen het staakt-het-vuren en het Koerdische vredesproces te hervatten. Het kabinet zal dat, met kracht en ook als voorzitter van de EU, blijven doen en sluit zich in dit verband volledig aan bij de EU-verklaring van 22 december.

In deze oproep staat dat de veiligheidssituatie in het zuidoosten van Turkije verslechtert. Dat de Turkse autoriteiten met moeilijke uitdagingen geconfronteerd worden, door de dreiging van de PKK, de YDG/H en andere terroristische groeperingen. Maar dat het cruciaal is dat de reactie daarop beheerst is, en dat schadelijke effecten op de lokale bevolking moeten worden tegengegaan. Proportioneel handelen en terughoudendheid dienen uitgangspunt te zijn. Verder stelt de verklaring dat alle politieke leiders moeten oproepen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren en tot een terugkeer naar de onderhandelingen in het kader van het Koerdisch vredesproces. De afgelopen twee jaar heeft dat vredesproces belangrijke voortgang opgeleverd, die niet verloren moet gaan. Het vredesproces blijft de enige manier om een conflict op te lossen dat al veel te veel levens heeft geëist. De EU staat, als altijd, klaar om alle inspanningen om te komen tot een positieve uitkomst te ondersteunen.

Hierbij speelt het nieuwe fenomeen van de stadsguerilla van de zogeheten YDG/H een rol. Dit is een jeugdige en urbane loot aan de stam van de PKK, die, zoals bekend, een terroristische organisatie is voor zowel Turkije als de EU. De PKK opereert vanuit de bergen, de YDG/H kiest voor de stad als strijdtoneel. Dit betekent dat, onder meer vanwege de (weers)omstandigheden de strijd ook in de winter door kan gaan. De recente escalatie van geweld is onder meer terug te voeren op pogingen van het Turkse veiligheidsapparaat om deze stadsguerilla van de YDG/H op te rollen. Hierbij wordt sinds half december niet alleen de «jandarma» en de politiediensten, maar ook het leger ingezet. In (delen van) steden als Diyarbakır-Sur, Mardin-Dargeçit, Şırnak-Cizre, Silopi en Mardin-Nusaybin gelden daarbij uitgaansverboden. In deze en andere steden heeft de YDG/H, die autonome regio’s heeft uitgeroepen, op grotere en kleinere schaal barricades opgeworpen, loopgraven gemaakt en/of explosieven geplaatst, die veiligheidstroepen van straat tot straat proberen op te ruimen met onder meer inzet van gepantserd legermaterieel. Hierbij zijn naar verluidt tientallen guerilla’s omgekomen, en ook zijn er volgens NGO’s tientallen burgerdoden gevallen. Honderdduizenden hebben het voor kortere of langere tijd zonder water, elektriciteit en medische zorg moeten stellen. Veel overheidsinstanties als scholen en ziekenhuizen zijn gesloten. De materiële en economische schade is aanzienlijk.

De burgerbevolking ligt daarbij soms letterlijk tussen twee vuren. Guerilla’s verschuilen zich onder de bevolking, dwingen hen soms partij te kiezen en ontmoedigen hen die willen vluchten of houden hen zelfs tegen. Er is sprake van een toenemend aantal binnenlands ontheemden. Alleen al uit de wijk Sur in Diyarbakır zou een groot deel van de bevolking zijn vertrokken. Op 22 december zijn burgers verder voor het eerst door veiligheidstroepen geëvacueerd uit de stad Silopi, naar verluidt op eigen verzoek.

Voor wat betreft de vraag naar pre-accessiesteun, vindt het kabinet dat het pre-toetredingsinstrument (IPA) voor de periode 2014–2020 al een verbetering is ten aanzien van zijn voorganger. Er is meer aandacht voor democratisering en goed bestuur, waaronder ook ondersteuning van het maatschappelijk middenveld, en er is een significante verhoging van de middelen voor de rechtsstaat en mensenrechten. Binnen het budgetonderdeel voor rechtsstaat en mensenrechten gaat de meeste steun naar het tegengaan van illegale migratie, hervorming van de rechterlijke macht en ondersteuning van mensenrechteninstituties. Er is geen sprake van dat IPA-middelen zouden worden ingezet tegen de Turkse bevolking. Het kabinet ziet de toegenomen aandacht voor mensenrechten en rechtsstaat, evenals voor steun aan het maatschappelijk middenveld als positief. Ook de aandacht voor migratie-gerelateerde inspanningen kan op Nederlandse steun rekenen. Het is essentieel dat de EU samen met Turkije werkt aan het verbeteren van bijvoorbeeld geïntegreerd grensbeheer, migratiemanagement of asielsystemen.

Daarnaast kent de IPA-verordening nu een duidelijker koppeling tussen hervormingen en steun. Er is voorzien in een performance reward die de mogelijkheid biedt landen die goed hervormen te «belonen» in de vorm van meer steun en landen die ernstig achterblijven te korten. Het is aan de Commissie voorstellen te doen voor een dergelijke verhoging of korting van steun. Beslissingen hierover geschieden met gekwalificeerde meerderheid. Zoals aangegeven in de relevante verordening zijn er twee formele weegmomenten: in 2017 bij de mid-term review van IPA en opnieuw in 2020. Maar in beginsel zijn ook tussentijdse kortingen mogelijk. Zoals bleek tijdens de Raad Algemene Zaken van 16 december 2014, waar Nederland pleitte voor consequenties voor de financiële steun aan Turkije naar aanleiding van ontwikkelingen ten aanzien van de rechtsstaat, bestaat er echter geen steun onder andere lidstaten voor een dergelijke korting van IPA-middelen voor Turkije (zie verslag Raad; Kamerstuk 21 501-02, nr. 1446 d.d. 19 december 2014). In het licht van de prestatiecomponent in het IPA-instrument zal het kabinet de ontwikkelingen in Turkije nauwlettend blijven volgen. Als de rechtsstaatsontwikkelingen in Turkije geen kentering laten zien, zou de mogelijkheid van het korten van steun bij het eerstvolgende weegmoment op tafel moeten komen. Steun van andere lidstaten zal in dat geval onontbeerlijk zijn aangezien besluitvorming, zoals al aangegeven, per gekwalificeerde meerderheid geschiedt.

In reactie op de vraag of Turkije op dit moment voldoet aan de voorwaarden voor het openen van de rechtsstaathoofdstukken, is het kabinet van mening dat het duidelijk is dat de situatie ten aanzien van de rechtsstaat en mensenrechten in Turkije zorgen baart. Ook de Commissie is hierover helder in haar laatste voortgangsrapport. Hierbij wordt in het bijzonder gewezen op de vrijheid van meningsuiting, media- en internetvrijheid, vrijheid van vergadering en de onafhankelijke rechtspraak. Dat Turkije in de huidige omstandigheden niet voldoet aan de criteria voor toetreding is evident. Hierbij benadrukt het kabinet echter ook dat toetredingsonderhandelingen de beste manier blijven vormen om hervormingen in Turkije te bevorderen. Mochten naast hoofdstuk 17 (zie Kamerbrief over het openen van onderhandelingen met Turkije over hoofdstuk 17 van 26 november, Kamerstuk 23 987, nr. 153, en het verslag van de EU-Turkije Top van 29 november, Kamerstuk 23 987, nr. 153) andere hoofdstukken worden geopend, dan zet Nederland daarom in op behandeling van de rechtsstaatshoofdstukken 23 en 24. Deze hoofdstukken vormen het belangrijkste kader om op structurele wijze hervormingen van de rechtsstaat in Turkije te bespreken en Turkije aan te spreken op de geconstateerde tekortkomingen. Dit is echter zoals bekend nog niet het geval. Op beide hoofdstukken rust een unilaterale blokkade van Cyprus en deze hoofdstukken worden dus ook nog niet besproken. Dit wil ook zeggen dat er nog geen openingsbenchmarks zijn vastgesteld en dat er geen oordeel kan worden geveld over of Turkije op dit moment voldoet aan de voorwaarden voor het openen van deze hoofdstukken.

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders