Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201432623 nr. 112

32 623 Actuele situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten

Nr. 112 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 september 2013

Met deze brief informeer ik u, conform uw verzoek d.d. 13 september jl. over de recente ontwikkelingen in het diplomatieke overleg over Syrië en reageer ik tevens op het rapport van de VN-onderzoeksmissie over de inzet van chemische wapens.

Daarnaast reageer ik, mede namens de Minister van Defensie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op uw verzoek d.d. 13 september jl. om een tweede (besloten) ambtelijke briefing van de inlichtingendiensten over Syrië.

Graag maak ik tevens van deze gelegenheid gebruik om mijn schriftelijke toezegging gestand te doen in het verslag van de informele Raad Buitenlandse Zaken (Gymnich) van 6 en 7 september jl. dat uw Kamer toeging op 10 september jl. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1289) om het overzicht van EU Hoge Vertegenwoordiger (HV) Ashton over de humanitaire inspanningen van de EU en haar lidstaten met uw Kamer te delen.

Recente ontwikkelingen

Zowel Syrië als de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad (VNVR) hebben de geboden opening, om het Syrische chemisch wapenarsenaal onder internationaal toezicht te stellen en te vernietigen, verwelkomd. Secretary of State Kerry en zijn Russische collega Lavrov hebben het voorstel verder uitgewerkt. Na intensieve onderhandelingen in Genève, waarbij eveneens is gesproken met VN Gezant Brahimi, presenteerden zij op 14 september jl. een gezamenlijk ontwapeningsinitiatief binnen de kaders van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) en de VN-Veiligheidsraad. De Secretaris-Generaal van de VN heeft, als depositaris van het Chemische Wapensverdrag, op 14 september de ratificatiedocumenten van Syrië in ontvangst genomen. Inwerkingtreding van het Verdrag voor Syrië is daarmee voorzien op 14 oktober 2013.

Chemische wapens – resultaten VN-onderzoek

Op 16 september jl. heeft het VN-onderzoeksteam onder leiding van de heer Sellström zijn rapport gepubliceerd over de vermeende inzet op 21 augustus jl. van chemische wapens in Damascus.

Het kabinet verwelkomt het VN-rapport. Het is van groot belang dat de VN een onafhankelijk en objectief onderzoek heeft kunnen uitvoeren. Hiervoor heeft Nederland vanaf het begin gepleit. Het kabinet heeft grote waardering voor de moed en doortastendheid van het VN-onderzoeksteam, dat onder leiding van Sellström met gevaar voor eigen leven deze belangrijke missie heeft uitgevoerd.

Het VN-rapport geeft een gedetailleerd technisch verslag van de gebeurtenissen op 21 augustus 2013. Het onderzoeksteam heeft hiervoor meer dan 50 blootgestelde overlevenden geïnterviewd, gedetailleerde informatie over de gebruikte munitie verzameld en 30 monsters van de omgeving en 34 biomedische monsters afgenomen. In detail worden de symptomen beschreven van de slachtoffers. Dit levert een schokkend beeld op

Uit de verzamelde en geanalyseerde informatie concludeert de onderzoeksmissie dat op relatief grote schaal chemische wapens zijn ingezet in de aanhoudende strijd tussen de partijen op 21 augustus 2013 in de Ghouta-regio van Damascus, ook tegen de burgerbevolking, waaronder kinderen. Vooral de omgevings-, biomedische en chemische monsters verschaffen duidelijk en overtuigend bewijs dat artillerieraketten met het zenuwgas sarin zijn ingezet in Ein Tarma, Moadamiya en Zamalka (Ghouta, Damascus).

Het VN-rapport bevestigt onomstotelijk het gebruik van sarin en bevat, hoewel het geen uitspraak doet over welke partij sarin heeft ingezet, wel aanwijzingen over de toedracht van de gebeurtenissen, die wijzen in de richting van het regime van Assad als verantwoordelijke partij voor de aanval van 21 augustus 2013. Deze aanwijzingen zijn te destilleren uit de gedetailleerde technische informatie over de chemische samenstelling van het aangetroffen sarin, de hoeveelheid en specificatie van aangetroffen munitie en de gevolgde richting van enkele artillerieraketten. Het VN-rapport bevestigt dat op 21 augustus gifgas is ingezet tegen de burgerbevolking en sterkt het kabinet in het oordeel dat het Syrische regime hiervoor met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verantwoordelijk is.

Ontwapeningsinitiatief VS en Rusland

Om te voorkomen dat er in Syrie ooit opnieuw slachtoffers vallen door chemische wapens, moet alles in het werk worden gesteld om het chemische wapenarsenaal zo snel mogelijk onschadelijk te maken. Het kabinet steunt daarom de raamwerkovereenkomst tussen de VS en Rusland van zaterdag 14 september jl.

Deze overeenkomst legt het voortouw bij de OPCW, gevestigd in Den Haag. De Uitvoerende Raad van de OPCW zal naar verwachting komende vrijdag een besluit nemen over de concrete uitwerking van de raamwerkovereenkomst en het OPCW-Secretariaat mandateren de benodigde actie te ondernemen. Daarnaast moet Syrië uiterlijk op 21 september een eerste lijst indienen bij de OPCW met gedetailleerde informatie over zijn chemisch wapenarsenaal en productie- en onderzoeksfaciliteiten. De OPCW zal, indien daartoe wordt besloten, vervolgens op zeer korte termijn beginnen met inspecties om de aangeleverde informatie te verifiëren. Medewerking van de Syrische regering en directe en vrije toegang van de inspecteurs tot alle locaties zijn daarbij cruciaal. De raamwerkovereenkomst bepaalt dat de eerste inspecties van de OPCW en het vernietigen van benodigdheden om chemische wapens gebruiksklaar te maken niet later dan november 2013 moeten geschieden. De complete vernietiging van het chemisch wapenarsenaal zou in de eerste helft van 2014 een feit moeten zijn.

Hoewel het Syrische regime bereidheid heeft getoond om mee te werken aan het onder toezicht stellen en vernietigen van zijn arsenaal chemische wapens, is het in het verleden herhaaldelijk afspraken niet nagekomen. Het overeenkomen van een ontwapeningsinitiatief in het kader van de OPCW is daarom onvoldoende. Er is een stevige stok achter de deur nodig. Het is derhalve uitermate belangrijk dat de Veiligheidsraad een resolutie aanneemt waarin het de besluiten van de Uitvoerende Raad van de OPCW bekrachtigt. Daarin is in het Russisch-Amerikaanse wapeninitiatief voorzien. In de resolutie zal ook moeten worden vastgelegd dat indien Syrië niet meewerkt met de tenuitvoerlegging van het ontwapeningsplan, de Veiligheidsraad maatregelen zal treffen onder Hoofdstuk 7 van het Handvest van de Verenigde Naties. De precieze bewoordingen in de resolutie van de Veiligheidsraad zijn nog onderwerp van onderhandeling.

Het kabinet blijft voorts voorstander van het opnemen van bestrijding van straffeloosheid in de resolutie van de Veiligheidsraad, bij voorkeur door verwijzing van de situatie in Syrië naar het Internationaal Strafhof. Het nieuwe ontwapeningsinitiatief betekent in Nederlandse optiek niet dat de schuldigen van het gebruik van chemische wapens gevrijwaard zijn van strafrechtelijke vervolging.

Evenmin is met dit ontwapeningsinitiatief een politieke oplossing van het conflict zelf binnen handbereik. Toch is enig optimisme op zijn plaats. Waar de permanente leden van de Veiligheidsraad eerder diep verdeeld waren, zijn de VS en Rusland erin geslaagd tot een akkoord te komen. Het is van groot belang dit momentum te benutten om alle partijen bij het Syrische conflict aan de onderhandelingstafel te krijgen. De inzet van de komende tijd zou dus tevens gericht moeten zijn op de hervatting van het politieke proces (Geneve II).

Ambtelijke briefing

Tijdens de vertrouwelijke briefing van de inlichtingendiensten van 4 september jl. is de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken op de hoogte gebracht van de analyse van de diensten van de gebeurtenissen in Damascus op 21 augustus jl. Daarbij is de beoordeling van de diensten over de inzet van chemische middelen en over de rol van het Syrische regime met de commissie gedeeld. Een aanvullende vertrouwelijke briefing zal, mede vanwege de vereiste bronbescherming, geen dusdanige toevoeging opleveren aan het reeds met uw Kamer gedeelde beeld dat een dergelijke briefing opportuun wordt geacht.

Na afloop van de briefing van 4 september jl. hebben verschillende leden van uw Kamer zich daarover al dan niet anoniem publiekelijk uitgelaten. Daarmee is de vooraf overeengekomen vertrouwelijkheid geschonden.

Bovenstaande in overweging nemende kan het kabinet niet instemmen met het verzoek van uw commissie voor een tweede vertrouwelijke briefing van de inlichtingendiensten.

Uitgaven humanitaire hulp in EU-verband

Bijgaand gaat u ter informatie het genoemde overzicht toe dat ik van HV Ashton heb ontvangen1. Het betreft een overzicht van de uitgaven van ECHO (European Community Humanitarian Office) en de EU-lidstaten per 16 september, gebaseerd op het EDRIS-registratiesysteem van ECHO (European Disaster Response Information System) over de jaren 2011–2013. Het totaal van humanitaire uitgaven van EU-lidstaten en ECHO staat volgens het EDRIS-registratiesysteem op ruim 1,3 miljard Euro. Hierin zijn niet de nog te realiseren toezeggingen van lidstaten verdisconteerd. Zo komt de Nederlandse totale humanitaire bijdrage, inclusief toezeggingen – waaronder de meest recente aankondiging van Minister Ploumen van 11 september jl. – op 59 miljoen euro.

De Minister van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.