Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132609-XIII nr. 5

32 609 XIII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (XIII) voor het jaar 2011 (wijziging samenhangende met de incidentele suppletoire begrotingen)

Nr. 5 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 april 2011

Bij de behandeling van de incidentele suppletoire begroting van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) op 13 april 2011 (Handelingen II 2010/11, item 73) heb ik u toegezegd u te informeren over de mogelijke financiële gevolgen bij een verbod op de pelsdierhouderij. Hierbij doe ik u deze informatie, na overleg met de minister van Financiën, toekomen.

Amendement Van Gerven en Dijsselbloem

De leden Van Gerven en Dijsselbloem hebben op 22 maart 2011 een amendement ingediend bij de incidentele suppletoire begroting van EL&I (32 609 XIII, nr. 4). Dit amendement beoogt een eerste bijdrage te leveren aan een reservering ten behoeve van flankerend beleid in verband met een eventueel verbod op de pelsdierhouderij. Het betreft een jaarlijkse reservering van € 2 mln. voor de periode 2011 tot en met 2024. Totaal gaat dit derhalve om een reservering van € 28 mln.

Met dit amendement wordt vooruitgelopen op de uitkomsten van de parlementaire behandeling van het initiatiefwetsvoorstel tot verbod op de pelsdierhouderij van de leden Van Gerven en Dijsselbloem. Ik acht het daarom voorbarig om op de begroting van 2011 reeds een reservering te treffen. Eerst zal de Tweede Kamer zich moeten uitspreken over het voorgenomen flankerende beleid dat de initiatiefnemers hebben aangekondigd en het budget dat daarvoor benodigd is. Op dit moment is het niet duidelijk of met het geamendeerde budget de beoogde flankerende maatregelen zijn uit te voeren. Daarnaast zal de Eerste Kamer zich moeten uitspreken of een verbod wenselijk is en dat daar dekking tegenover staat.

Economische schade

Mijn voorganger heeft in haar brief van 24 september 2010 de Kamer geïnformeerd over de economische schade bij een verbod op de pelsdierhouderij (2010/2011, 32 369, nr. 12). De berekeningen van deze schade zijn gebaseerd op het LEI-rapport «Sanering nertsenhouderij in Nederland: een actualisatie» (2008/2009, 30 826, nr. 12). Het LEI heeft vanuit een economische invalshoek berekend wat de gevolgen zijn van een verbod op de pelsdierhouderij. Deze cijfers zijn gebaseerd op de situatie 2008. Hieronder ga ik in op eerdergenoemde schadeposten.

Verplichte investeringen in welzijnsvriendelijke huisvesting van nertsen

Op grond van de Verordening welzijnsnormen nertsen (PPE) 2003 zijn ondernemers verplicht om op 1 januari 2014 al hun kooien aan te passen aan de normen van voornoemde verordening. Het LEI heeft bij de actualisatie in 2008 berekend dat de vermogensschade, waarin naast welzijnsinvesteringen ook reguliere investeringen zijn meegenomen, bij een overgangstermijn tot 2024 € 31 mln. zou bedragen. Met de overgangstermijn uit de novelle tot 2024 kunnen de ondernemers deze welzijnsinvesteringen terugverdienen of afschrijven over een periode van tien jaar. Deze afschrijvingstermijn is volgens KWIN1 (Kwantitatieve Informatie voor de Veehouderij) een normale termijn voor afschrijvingen in de land- en tuinbouw.

Sloopkosten

Door het verbod worden de gebouwen van de pelsdierhouders waar nertsen worden gehouden onbruikbaar. Deze gebouwen zijn ingericht voor de nertsenhouderij en kunnen niet makkelijk voor andere doeleinden worden gebruikt. Daarom zullen de gebouwen grotendeels gesloopt moeten worden. De sloopkosten worden in het LEI-rapport geschat op ongeveer € 13 mln.

Aangezien een deel van de stallen aangewend kan worden voor andere activiteiten en een deel van deze schade beschouwd moet worden als ondernemersrisico, is een geschat bedrag van € 10 mln. voor sloopkosten op zijn plaats.

Vermogensschade (pensioenvoorziening)

Voor veel ondernemers vertegenwoordigt de waarde van een bedrijf een belangrijk onderdeel van de pensioenvoorziening. Indien een verbod op de pelsdierhouderij doorgang vindt, kan dit invloed hebben op de oudedagsvoorziening van de ondernemers. Door een verruiming van de overgangstermijn naar 2024 zullen meer ondernemers met pensioen gaan in de overgangstermijn. Het gaat om 53 ondernemers, die in de overgangstermijn 65 jaar worden. Het LEI heeft berekend dat een gemiddelde ondernemer tussen de € 0,8 mln. en € 2,6 mln. schade oploopt bij gedwongen bedrijfsbeëindiging als gevolg van dit wetsvoorstel ten behoeve van de oudedagsvoorziening.

De sector zelf (Nederlandse Federatie van Edelpelsdierenhouders) noemt echter veel hogere bedragen2.

Fiscale aspecten

De heer Koopmans heeft bij de Kamerbehandeling van 13 april jl. gevraagd hoe de staatssecretaris van Financiën aankijkt tegen de mening van de indieners van het wetsvoorstel dat een nieuwe bedrijfsreserve, zoals de herinvesteringsreserve, fiscaal vriendelijk overgeheveld moet kunnen worden naar de pensioenvoorziening, specifiek voor nertsenhouders.

Omdat het hier om een initiatiefwetsvoorstel gaat en omdat de tekst van de novelle waarin de indieners de fiscale maatregelen vast willen leggen, nog niet bekend is, past mij/de staatssecretaris van Financiën een terughoudende rol. Ik kan de Kamer hierover aangeven, dat een maatregel die een specifieke sector bevoordeelt, de pelsdierhouderij, als staatssteun zal worden aangemerkt. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat er algemene fiscale instrumenten bij bedrijfsbeëindiging beschikbaar zijn. Te denken valt aan een herinvesteringsreserve, belastingvrije doorschuiving bij staking oude onderneming en begin nieuwe onderneming en een oudedagsreserve.

Dekking

Ik heb naar aanleiding van het verzoek van uw Kamer overleg gezocht met de minister van Financiën. Begrotingsregel van het kabinet is dat departementen eventuele overschrijdingen en knelpunten binnen de eigen begroting opvangen. Buiten de EL&I-begroting zijn geen mogelijkheden. Op de begroting van EL&I zijn geen uitgaven geraamd om de mogelijke financiële gevolgen van een verbod op de pelsdierhouderij op te kunnen vangen.

Conclusie

Uit het voorafgaande concludeer ik dat er economische schade kan optreden bij ondernemers. De precieze omvang is echter moeilijk aan te geven, omdat dit per bedrijf en ondernemer verschilt. Als we uitgaan van de gemiddelden die hierboven genoemd zijn, kom ik op basis van het LEI-rapport uit op een mogelijke schade van € 52 tot € 148 mln. Dit betreft de optelsom van sloopkosten (€ 10 mln.) en vermogensschade (tussen de € 42 mln. en € 138 mln.). Het niet meegenomen financiële risico bedraagt totaal € 34 mln. (€ 31 mln. verplichte investeringen in welzijnsvriendelijke huisvesting van nertsen en € 3 mln. deel van de sloopkosten als ondernemersrisico). Op de EL&I begroting zijn geen uitgaven geraamd voor de mogelijke financiële gevolgen van een verbod op de pelsdierhouderij.

Duidelijk zal zijn dat hier gaat om een duiding van de economische schade met grote onzekerheden. Ik kan niet aangeven of de overheid gehouden is tot het betalen van schadevergoeding. Niet alle schade die uit het wetsvoorstel voortvloeit zal onevenredig zijn. Desalniettemin kan er sprake zijn van een disproportionele maatregel in specifieke gevallen.

Hierover kan ik geen concrete cijfers geven, omdat dit afhankelijk is van specifieke gevallen. Uiteindelijk is het aan de rechter om te bepalen of en zo ja, in welke mate de overheid schade zou moeten vergoeden.

Ik ontraad de aanvaarding van dit amendement.

De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

H. Bleker


X Noot
1

KWIN is een jaarlijkse uitgave van de Animal Sciences Group van Wagingen UR.

X Noot
2

Onderzoek NFE. Analyse wetsvoorstel «Wet verbod pelsdierhouderij». Juni 2009 

(www.nfe.nl).